Een gesprek in Het Geslachte Varken maakt dat Pandoeris aan zijn toekomst moet denken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen Pandoeris weer bijkwam, bevond hij zich in herberg Het Geslachte Varken.
Zijn lichaam trilde nog na van alle doorstane angsten en de inspanning van het rennen.
Hij sloeg zijn ogen op en dacht even dat hij de kop van het geslachte varken boven zich zag maar het bleek het hoofd van zijn redder te zijn, die zich over hem heen boog.
”Ben je daar weer?” vroeg deze.
Pandoeris kreunde. ”Wáár ben ik weer?”
”In herberg Het Geslachte Varken,” antwoordde de ander.

”Hoe lang ben ik hier al?”
”Een minuut of vijf. Ik heb je hier maar mee naar toegenomen. Ik kon je daar toch ook niet laten liggen. Je was helemaal van de kaart.
Maar nu even iets anders: door wie werd je nu eigenlijk achtervolgd? Daar ben ik nou toch wel nieuwsgierig naar.”
Pandoeris hing een onduidelijk verhaal over koeien op.
Over het toveren vertelde hij niets want hij wist dat de gewone mensen daar liever niet over horen.
Het gevolg hiervan was wél dat zijn redder en de herbergier, die er bij was komen staan, er geen touw aan vast konden knopen.
”Nou, je kunt merken dat meneer nog een beetje in de war is,” mompelde de herbergier.
”Hier, drinkt u maar eens wat. Dat zal u goed doen.”
Pandoeris pakte het door de herbergier aangeboden glas aan en dronk het in één teug leeg.
”Dat is dan twee en een halve florijn,” zei de herbergier en hield zijn hand op.
Pandoeris wilde geschrokken gaan uitleggen dat hij geen geld bij zich had maar zijn redder was hem vóór.
”Ik betaal wel, herbergier. Nog twee van hetzelfde graag.”
Dat beviel Pandoeris en even later waren ze in een gezellig gesprek gewikkeld.
De herbergier liet ze alleen en kwam zo af en toe even langs om een nieuwe bestelling op te nemen.
”Ja, zie je,” vertelde de man. ”Ik ben vervoerder van beroep. Ik vervoer alles wat los en vast zit. Nou, eigenlijk alleen wat los zit want iets dat
vast zit, vervoert niet zo lekker, hè. Maar goed, ik sta erom bekend dat ik alles vervoer, gevaarlijk of niet. Meestal vervoer ik gewoon de alledaagse dingen, hoor. Maar echt véél geld verdien ik met speciale klussen.
Ik zal je vertellen dat…”
De vervoerder stopte met zijn verhaal en keek naar Pandoeris die met een gelukzalige glimlach op het gezicht, wazig voor zich uitstaarde.
”Luister je wel? Of verveel ik je? Je kijkt zo afwezig.”
Pandoeris schrok op uit zijn dagdromerij .
”O nee hoor. Ik luister heus wel. U had het over gevaarlijke en speciale klussen waar u veel geld mee verdient.”
Waarom zou hij zich vervelen?
Hij zat hier lekker knus en veilig en de vervoerder betaalde.
Of hij nu zou vertellen over het vervoer van duizend bommen en granaten of over het vervoer van een doorgelopen kleurkanarie, het maakte hem niet uit.
Hij zat goed.
”Wil je nog iets drinken?” vroeg de vervoerder.
”Nou, ik lust eigenlijk wel een boterham met pindakaas,” antwoordde Pandoeris.
”Herbergier: één rondje pindakaas voor deze tafel!”
De herbergier bracht het bestelde en de vervoerder vervolgde.
”Afijn, ik heb dus van alles vervoerd. Maar weet je wat ik de laatste tijd zo zit te denken?”
Hij keek hem aan en Pandoeris begreep wat er van hem verwacht werd.
”Wat dan?” vroeg hij met volle mond.
”Dat ik zo langzamerhand een dagje ouder word en dat het misschien niet zo gek zou zijn om er een knechtje bij te hebben. En misschien ben jij wel degene die dat knechtje zou kunnen zijn.”
De laatste mededeling overviel Pandoeris nogal en hij liet per ongeluk een boer.
Hij had niet verwacht dat het gesprek deze kant op zou gaan en er ging van alles door hem heen.
Aan de ene kant leek het hem wel wat.
Als tovenaarsleerling was hij een volslagen mislukking en ook het zinloze leventje bij tante Eleanora begon hem danig te vervelen.
Bovendien, als je altijd als nietsnut wordt beschouwd, ga je je er ook steeds meer naar gedragen.
Het leek hem eigenlijk wel fijn om eindelijk eens iets nuttigs te doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar ja, een baantje bij ’een gewoon mens’ was voor iemand die gewend was om met heksen en tovenaars om te gaan, wel een hele grote stap.
Bovendien wist hij dat zijn familie dan niets meer met hem te maken wilde hebben.
Je hoort erbij of je hoort er niet bij.
”Je zou dan bij mij in mijn huis komen wonen,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb een groot huis dus je krijgt je eigen kamer. Ik bied je een goed salaris zodat je geld genoeg hebt om van te leven en je kunt nog sparen óók.”
Pandoeris dacht aan de armoedige bedoening bij hem thuis en aan zijn familie die altijd maar zei dat hij nergens voor deugde.
Dit was natuurlijk een kans om te bewijzen dat hij wel degelijk iets waard was.
”Weet je waarom ik speciaal aan jou denk?” vroeg de vervoerder.
Het antwoord zou even op zich laten wachten want ze werden gestoord door een grote vent die het gesprek ruw onderbrak.
”Zijn die drie koeien daarbuiten van jou?” vroeg hij en keek Pandoeris woedend aan.
Pandoeris die net een hap van zijn boterham met pindakaas had willen nemen, schrok zó erg dat hij per ongeluk het bord in zijn mond stopte in plaats van het brood.
”D-dat zou kunnen,” stamelde hij en controleerde of het glazuur nog op zijn tanden zat.
”Zo, zou dat kunnen?” herhaalde de man onvriendelijk. ”En zou het soms ook kunnen dat je dan de schade aan mijn korenveld vergoedt dat ze platgelopen en kaalgevreten hebben?”
”Ik heb geen geld,” zei Pandoeris heel zachtjes en kromp in elkaar.
De man kwam dreigend op hem af en trok hem achter de tafel vandaan.
”Zie je deze vuist?” vroeg de vent en hield hem een hand zo groot als een kolenschop onder de neus.
Pandoeris knikte bevestigend.
”Daarmee ga ik je een pak rammel geven tot je wél kan betalen.”
Pandoeris keek wanhopig om zich heen.
Dat ellendige getover van hem, had hem voor de zoveelste maal in de problemen gebracht.
Meestal hielp tante Eleanora hem wel als hij zich weer eens in de nesten gewerkt had maar die was in geen velden of wegen te bekennen.
Hij keek naar de vervoerder.
”Je kunt bij mij in dienst komen,” sprak deze. ”Dan betaal ik wel.”
Pandoeris was het opeens allemaal zó zat, dat hij een besluit nam.
”Als u me nog steeds wilt hebben: graag.”
Hij wilde niets meer met tovenarij te maken hebben.
Een gewoon baantje leek hem plotseling het fijnste wat er op aarde bestond.
De vervoerder vergoedde de schade en de man verdween weer net zo snel als hij gekomen was.
”Ik vraag me af of u wel iets aan mij heeft,” zei Pandoeris. ”Ik sta bij ons thuis bekend als een nietsnut en een stuntelaar.”
”Dat zal wel meevallen,” zei de vervoerder. ”Bovendien is er nóg iets waarom ik jou als knecht wil hebben.”
Pandoeris keek hem vragend aan.
”Toen jij aan de kant van de weg buiten westen lag, zei je in je dromen dingen waaruit ik begreep dat jij een tovenaarsleerling bent en dat kan handig voor mij zijn.”
De vervoerder keek hem doordringend aan en Pandoeris begreep dat ontkennen weinig zin had.
”Maar ik ben al drie keer voor mijn tovenaarsexamen gezakt.”
”Dat geeft niet. Je hebt er altijd wel iets van opgestoken dat we misschien nog eens kunnen gebruiken. En nogmaals: meestal heb ik gewone zaken te vervoeren maar soms is er eens iets bijzonders en dan kan het handig zijn om iemand in dienst te hebben die méér kan en weet dan een gewone sterveling. En een knechtje heb ik tóch nodig want het werken valt me zwaarder de laatste tijd. Laten we afspreken dat we het gewoon eens een paar maanden proberen. Bevalt het je niet dan ga je terug naar je familie en beval jij mij niet dan stúúr ik je terug.
”Wat heb je te verliezen?” vroeg de vervoerder triomfantelijk.
Niet veel, dacht Pandoeris. Maar hij zag nu al vreselijk op tegen het gesprek dat hij eerst met zijn tante Eleanora Heks zou moeten hebben.

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.