Posts Tagged ‘Een bizarre tocht door het Verloren Oord’

Hoofdstuk 9

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bruid in de kerker krijgt Pandoeris zover dat hij de hoofdrol speelt in haar bevrijding en dan moet zijn hoofd rollen.

Na een overvloedig ontbijt en een roerend afscheid van Cornelis die op het eiland moest passen, gingen ze dan toch eindelijk op weg.
Pandoeris had nog even overwogen om tante Mollie onderweg gewoon ergens overboord te zetten maar kon dat toch niet over zijn hart verkrijgen.
Bovendien bleek het land van koning Oliebol op de route te liggen.
Bij de rederij van de veerman meldde hij nog even waar deze te vinden was, zodat ze hem op konden halen.
Tante Mollie kende deze veerman wel en had hem altijd al een onbehouwen vlegel gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nee, dan aan het hof van koning Oliebol!
Daar hadden ze smaak en goede manieren!
En smaak moest je dan wel letterlijk opvatten want uit de verhalen van tante Mollie begreep Pandoeris dat een groot deel van de dag met eten en drinken doorgebracht werd.
Ze verlieten het moeras en legden aan bij een prachtig versierde steiger.
Een dikke lakei hielp hen aan land en begeleidde hen naar een rijtuig met dikke paarden ervoor.
In het land van koning Oliebol krijgt dus echt iedereen goed te eten, dacht Pandoeris en keek naar een paar moddervette eenden en ganzen.
Of zouden de dieren vroeg of laat in de pan verdwijnen?
In het paleis van koning Oliebol was het een drukte van belang.
Lakeien liepen af en aan met eten en drinken en de overwegend dikke tot zeer dikke gasten lieten het zich goed smaken.
Midden in de feestelijk aangeklede zaal zat koning Oliebol op zijn enorme troon achter een tafel met eten, genoeg om een hongerig aangelegd gezin een week mee te kunnen voeden.
Tante omhelsde de koning.
Ze kenden elkaar blijkbaar goed.
”Hartelijk gefeliciteerd met het huwelijk van je zoon en aanstaande schoondochter. Waar zijn ze eigenlijk?”
”Mijn zoon is op zijn kamer en de bruid is in de kerker,” sprak de koning vermoeid.
Een heel dik meisje dat naast de koning zat en nog het meest weg had van een aangeklede suikerspin, begon plotseling hartverscheurend te huilen.
”Ach, toe nou, Truffeltje,” sprak koning Oliebol verstoord.
”Ga nou niet wéér huilen.”
Truffeltje liet zich niet van de wijs brengen en deed er nog een schepje bovenop.
”Nou, vooruit. Ga dan nog maar even naar Ollie toe. Maar denk erom: ik wil geen toestanden als ze gaan trouwen, hoor!”
Truffeltje stopte abrupt met het plengen van tranen, worstelde zich uit haar stoel en maakte zich waggelend uit de voeten.
Aan Pandoeris schonk verder niemand aandacht en, omdat hij toch wel nieuwsgierig begon te worden naar de bruid in de kerker, volgde hij het dikke wicht.
Hijgend beklom ze de trappen van het paleis tot ze bij een deur kwam waarachter werd geweend.
Ze klopte met bonzend hart aan.
”Ollie, ben je daar?”
De deur werd geopend door een wandelende vetklomp, waarna de twee kolossen elkaar snikkend in de armen vielen.
Pandoeris sloeg het tafereeltje gade en kuchte luid om te laten merken dat hij er was.

Geen van beiden reageerde.
Ze hadden alleen maar aandacht voor elkaar.
Pandoeris kuchte nog eens maar nu harder.
Weer geen reactie.
Na nog wat luidruchtig hoesten, gaf Pandoeris het op.
Dan maar recht op het doel af, dacht hij en richtte verlegen het woord tot hen.
”Goede middag. Weet u soms waar de trouwplechtigheid is?
Ik ben een beetje verdwaald, ziet u.”
De twee lieten elkaar los en keken hem verbaasd aan.
”Wie ben jij eigenlijk?” vroeg Ollie.
”Ik ben Pandoeris en ik ben hier min of meer per ongeluk terecht gekomen. Bent u het bruidspaar?”
”Was dat maar waar,” jammerde Truffeltje. ”Ollie is de bruidegom en ik had zo graag zijn lieve bruidje willen zijn.”
”Maar wie is het lieve bruidje dan?” vroeg Pandoeris.
”Dat skelet zit in de kerker,” antwoordde Ollie en trok een vies gezicht.
”Maar waarom zit ze in de kerker?”
”Omdat ze anders wegloopt natuurlijk.”
Ollie schudde zijn hoofd om zoveel onbenul.
”Wil ze dan niet met je trouwen?”
”Nee, natuurlijk niet. En ik niet met haar. Alleen ik loop niet weg omdat ik hier woon en nergens heen kan.”
”Maar waarom ga je dan trouwen met iemand waar je niet van houdt?”
”Omdat mijn vader vroeger met de vader van de bruid afgesproken heeft, dat wij zouden trouwen. En wil je ons nu alleen laten. Dan kunnen wij nog even aandacht aan elkaar schenken.”
Ollie nam vertederd het vette handje van Truffeltje in de zijne en na wat wrikken in de deuropening, verdwenen ze samen achter de dichte deur.
Pandoeris krabde zich eens achter de oren.
Als hij het dus goed begrepen had moest de bruid met geweld binnen de poorten gehouden worden en was de bruidegom een totale ineenstorting nabij, terwijl zijn geliefde er niet veel beter aan toe was.
Nou, die gingen dan een fijne toekomst tegemoet.
Hoofdschuddend ging hij de trappen af.
Beneden aangekomen, liep hij twee ruziemakende koks tegen het lijf.
”Ga jij maar,” zei de ene.
”Nee, het is jóuw beurt,” zei de andere.

”Wat vind jij daar nou van?” vroeg de ene kok onverwacht aan Pandoeris.
”Ja,” zei de andere. ”Geef jij je mening eens.”
”Waarover?” vroeg Pandoeris.
”Nou, elk uur moet de aanstaande bruid, prinses Tengeltje, haar eten krijgen volgens de voorschriften. Maar ze wil het niet. En het vervelende is dat ze elke keer het eten in ons gezicht smijt. En nou staat er gloeiend hete soep op het menu…”
Met dat soort dingen had Pandoeris geen moeite.
”Gewoon niet brengen. Ze eet het toch niet.”
”Dat kan niet. Een kok hoort zijn plicht te doen. Desnoods tot de dood erop volgt.”
”Laat de soep dan eerst afkoelen voor je hem brengt en over je heen krijgt,” verzon Pandoeris die niet voor één gat te vangen was.
”Of wacht. Weet je wat? Als ik jullie daar een plezier mee kan doen: ík zal de soep brengen.”
Dat was een mooie gelegenheid om die prinses Tengeltje eens te ontmoeten.
De koks maakten geen bezwaar en even later stond Pandoeris voor de tralies waarachter een prachtig aangeklede schoonheid gevangen zat.
”Ben jij nieuw hier?” vroeg de schoonheid. ”Of lijd jij aan een ernstige ziekte?”
”Hoezo?” vroeg Pandoeris.
”Omdat ik hier normaal gesproken alleen maar mensen zie die minstens honderd kilo wegen.”
Pandoeris legde uit dat hij hier min of meer per ongeluk terecht gekomen was en vroeg ’op de prinses af’ waarom ze niet wilde trouwen met Ollie.
”Wat heb jij voor smurrie in je ogen zitten? Heb jij die Ollie al eens goed bekeken? Daarbij vergeleken ben jij een knappe jongen.”
”Dank je,” zei Pandoeris gevleid.
”Het is krankzinnig allemaal! We moeten trouwen van onze ouders terwijl ze het zelf ook niet willen. En dat allemaal omdat het heel vroeger eens een keer afgesproken is.”
”Maar waarom maken ze dan geen andere afspraak?” vroeg Pandoeris die zelf bijna nooit een afspraak maakte en zich er in ieder geval niet aan hield, als het hem per vergissing eens overkomen was.
”Omdat het dan oorlog wordt tussen onze landen.
Zo’n belediging kan het andere land niet over zijn kant laten gaan.”
”Wat een onzin,” vond Pandoeris.
Prinses Tengeltje keek Pandoeris eens aan.
”Misschien zou jij me van die afschuwelijke vleesmassa kunnen redden.
Durf je dat?”
”Ik durf alles,” pochte Pandoeris die Tengeltje steeds leuker begon te vinden en graag een goede indruk wilde maken.
”Kom eens dichterbij,” wenkte Tengeltje hem.
Pandoeris zijn gezicht was nu vlakbij dat van haar en plotseling kreeg hij, tussen de tralies door, een zoen.

”Jij bent mijn held.”
”W- w- wat moet ik doen?” stamelde Pandoeris.
”Luister goed. Er is één mogelijkheid om mij te helpen. Op een gegeven ogenblik vraagt de ceremoniemeester officieel of er iemand bezwaar heeft tegen het huwelijk. Het klinkt belachelijk maar als jij dan zegt dat je er tegen bent, gaat het huwelijk niet door. Er staat namelijk in de wet dat iedereen die aanwezig is, het met het huwelijk eens moet zijn. Anders gaat het niet door. En omdat niemand het huwelijk eigenlijk wil, is iedereen je nog dankbaar ook. En ik natuurlijk het meest.”
Tengeltje keek Pandoeris op zo’n manier aan, dat hij het er warm van kreeg.
”Maar waarom doet niemand dat dan, als het zo eenvoudig is?”
Pandoeris vond het maar raar. Daar stak beslist méér achter.
Hij kreeg echter geen gelegenheid om verder te vragen want de prinses werd door enige hofdames en soldaten opgehaald.
”Doe je het?” vroeg prinses Tengeltje nog, toen ze meegesleurd werd.
”Ik zal je redden!” riep Pandoeris haar stoer na.
Maar toen de plechtigheid in de Grote Zaal begon, voelde hij zich heel wat minder flink en hij werd hoe langer hoe zenuwachtiger.
Op een gegeven moment kwam de langverwachte vraag van de ceremoniemeester.
”Als er iemand tegen het huwelijk is, moet hij dit nu kenbaar maken!”
Het was muisstil in de Grote Zaal.
Je kon een speld horen vallen.
Alle aanwezigen keken somber voor zich uit.
Alleen prinses Tengeltje keek Pandoeris smekend aan met haar mooie grote ogen.
”Ik ben tegen!” schreeuwde Pandoeris plotseling met overslaande stem.
Een oorverdovend gejuich brak los.
Mensen vielen elkaar huilend en lachend van geluk in de armen en de beide koningen kwamen Pandoeris zelfs persoonlijk bedanken, gevolgd door Ollie, Truffeltje en Tengeltje.
”Eén hoeraatje voor onze held!” riep koning Oliebol.
De andere koning speldde Pandoeris zelfs een medaille op wegens bijzondere verdiensten voor zijn land.
”En laten we dan nu verder gaan met het feest!” riep koning Oliebol.
Pandoeris wilde al aan de feestelijk gedekte tafel naast Tengeltje gaan zitten maar werd tegengehouden door een woest uitziende schildwacht.

”Meegaan jij!” baste de schildwacht en greep Pandoeris stevig vast.
”Iemand die de huwelijksplechtigheid verstoort, wordt de volgende dag bij zonsopgang onthoofd. Zo staat het in de wet!”
Pandoeris werd onder luide toejuichingen van de feestgangers meegesleurd en koning Oliebol riep hem troostend na dat zijn hoofd een mooie plaats zou krijgen in de eregalerij van het paleis.
Pandoeris kon zich wel voor zijn hoofd slaan dat hij zo stom was geweest om er in te tuinen.
Maar hij besefte dat het nu te laat was en dat hij zelfs dát binnenkort niet meer kon doen…

Hoofdstuk 8

Author: jeroenstamgast

Het is leuk om vertroeteld te worden maar ook voor Pandoeris zijn er grenzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het kostte Pandoeris de nodige moeite om de vaargeul te volgen. Hij was al een paar keer in de modderige bodem blijven steken en was er slechts met de grootste moeite weer uitgekomen.
Hij moest er niet aan denken dat hij hier vast zou komen te zitten.
Hij kon zich van de toverschool trouwens niet herinneren dat je het Verloren Oord via een moeras binnen kwam.
Maar ja, wat kon hij zich eigenlijk nog wel herinneren van de school?
Hij had nooit goed opgelet en de leraren hadden de moed, wat hem betreft, opgegeven.
Op het laatst had hij er gewoon voor spek en bonen bijgezeten.
Het kan toch raar gaan in het leven, dacht Pandoeris.
Nou heb ik besloten om geen tovenaar te worden en een gewoon baantje te nemen en dan sturen ze me hier heen.
Nou ja, als dit avontuur achter de rug is, ben ik eigen baas en kan ik doen en laten wat ik wil.
Maar zover was het nog lang niet.
Hij passeerde een eilandje dat zowaar bewoond was.
Midden op het eiland stond een bont gekleurd huisje, omgeven door een tuin met allerlei soorten bloemen.
Er was ook een steigertje om een boot aan te leggen en op dat steigertje stond een dikke dame te zwaaien.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Ik hoor niets, dacht Pandoeris. Dat kost allemaal tijd. Ik wil weg uit dit moeras.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Je ’joehoet’ maar, dacht Pandoeris. Ik heb even last van een spontane doofheid.
De dame gaf het niet op.
”Ben je doof of zo, veerman?!”
Voor jou wel en ik ben ook geen veerman, dacht Pandoeris en roeide onverstoorbaar verder.
De dame werd boos.
”Als je niet gauw hierheen komt, stuur ik Cornelis op je af!”
Dan moet Cornelis verdraaid snel kunnen zwemmen als hij me wil inhalen, dacht Pandoeris en zag in gedachten al een oude harkerige tuinman in het water springen.
Hij hoorde een enorme plons achter zich, dus er sprong inderdaad iemand in het water.
Hoeveel kilo moest die tuinman wel niet wegen om zo’n gigantische plons te veroorzaken?


Pandoeris moest zich echt bedwingen om niet achterom te kijken, maar tot zijn grote schrik dook Cornelis plotseling vóór de boot op.
Een krokodilachtig beest van grote afmetingen opende een flinke muil met stevige tanden en blies een hoeveelheid bedorven adem in Pandoeris zijn gezicht, genoeg om een boeket bloemen te doen verwelken.
”Rustig maar, Cornelis,” bracht Pandoeris er bibberend uit.
”Rustig maar, brave…” Ja, wat was het eigenlijk?
Cornelis duwde tegen de boot, zodat de neus in de richting van het eiland kwam te liggen.
Pandoeris wist niets beters te doen, dan er maar naar toe te roeien, gevolgd door Cornelis, die een vervaarlijk oogje in het zeil hield.
”Zo, ben je daar?” vroeg de dikke dame verstoord. ”Hoorde je me niet roepen?”
”Wat zegt u?” vroeg Pandoeris. ”Ik ben een beetje doof ziet u.”
”O , is dat het. Ach, wat erg. Zo’n lief knulletje. En dan doof…”
De dame stak een mollige arm naar hem uit.
”Kom maar hier hoor, lieverd. Daar kan je tenslotte ook niets aan doen.”
Ze trok Pandoeris uit de boot en gaf hem een stevige knuffel.
”Ben jij niet een beetje te jong om veerman te zijn?”
”Wat zegt U?” vroeg Pandoeris, die blij was dat ze hem even los liet.
”Of je niet te jong bent om veerman te zijn!” schreeuwde de dame uit volle borst in zijn oor.
Dat moet ze niet teveel doen, dacht Pandoeris, anders word ik nog écht doof.
”O, ja, nee, nu versta ik u. U hoeft niet zo te schreeuwen, hoor. Als u maar in de richting van mijn oor praat. Dan gaat het wel.”
Ik geef mooi geen antwoord op die vraag, dacht Pandoeris.
Wat denkt ze wel. Ik ben geen kind meer.
”Onverantwoordelijk, hoor, om een kind zulk gevaarlijk en vermoeiend werk te laten doen. Wat vind jij er nou van, Cornelis?”
Cornelis loenste likkebaardend naar Pandoeris en gromde hongerig.
Die moet ik in de gaten houden, dacht Pandoeris.
”Kom, geef tante Mollie maar een handje, dan gaan we eerst een lekker kopje thee drinken met een gebakje erbij.”
Pandoeris wilde zich losrukken maar bedacht zich, toen Cornelis zich bij hem meldde.
Stel je voor dat dat monster op het onzalige idee zou komen om hem een handje te geven, in plaats van tante Mollie.
Hij liep dus maar dicht tegen tante Mollie aan, die hem daarop vertederd een aai over zijn bol gaf.
Op de bank, in de weelderig ingerichte woonkamer, had tante zich zo neergezet, dat Pandoeris bijna bekneld raakte tussen haar en de leuning, terwijl Cornelis ook niet bij hem weg te slaan was.
”En dan ga je na de thee lekker in bad, dan zal ik je vieze kleren wassen,” kondigde tante aan.
”O, dat hoeft niet, hoor mevrouw,” zei Pandoeris geschrokken.
”Zeg maar tante, hoor, lieverd en dat hoeft wél.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelis gromde instemmend en even later zat Pandoeris met een chagrijnig gezicht in een schuimbad dat rook naar lavendel.
Cornelis paste gelukkig niet in de badkamer maar Pandoeris hoorde aan zijn smakgeluidjes dat hij nog wel achter de deur zat.
Even later kwam tante aanzetten met een witte pyjama, versierd met rode brandweermannetjes die laddertjes opklommen.
”Moeten we niet weg met de boot? Anders wordt het te laat, hoor,”
probeerde Pandoeris.
”Geen sprake van.Tante Mollie gaat jou even verwennen met een goede maaltijd.”
”Maar ik zit nog vol van het gebak,” protesteerde Pandoeris.
”Onzin. Kinderen die in de groei zijn, moeten goed eten,” besliste tante. ”Of wou je altijd zo klein blijven?”
”Ik ben helemaal niet klein,” zei Pandoeris boos. ”En wanneer gaan we dan op weg?”
”Morgen is er weer een dag. We gaan direct eerst gezellig ’ganzeborden’ en ’mens erger je nieten’ en daarna ga ik een feestmaal voor je klaarmaken.”
Dat ’mens erger je nieten’ zal wel lukken, dacht Pandoeris gelaten.
”Ik heb nog allerlei lekkere hapjes voor tijdens de spelletjes en sta bekend om mijn heerlijke limonade.”
Berucht zal je bedoelen, dacht Pandoeris.
Tante bleek onverbiddelijk.
Ze overvoerde hem liefdevol met hapjes en won ondertussen het ene spelletje na het andere.
’s Avonds, tijdens de maaltijd, bleef tante zijn bord maar volscheppen en Pandoeris begon Cornelis, die hij stiekem een groot deel van zijn eten gaf, steeds meer te waarderen.
Toen het donker werd, mocht Pandoeris eindelijk naar bed.
Tante gaf hem een zoen op zijn voorhoofd en dekte hem zorgvuldig toe.
”Slaap maar goed, lieve jongen. Want morgen wordt het een hele reis.
We gaan naar het feest van koning Oliebol.”
Die naam voorspelt weinig goeds, dacht Pandoeris en voelde een stevige misselijkheid in zich opkomen.

Hoofdstuk 7

Author: jeroenstamgast

Over een veerman die niet alleen overzet, maar ook afzet en over Pandoeris, die zijn steentje bijdraagt.

Het is wel even schrikken als je ’s ochtends wakker wordt en je ontdekt dat je bijna in de armen van een geraamte ligt.
Het duurde dan ook even voordat Pandoeris van de schrik bekomen was en weer normaal kon ademen.
Hij groef, zo goed en zo kwaad als het ging, met een plank een kuil en stopte daar de overblijfselen van de vorige eilandbewoner in.
Daarna waste hij zijn handen met het bepaald niet schone moeraswater.
En nou maar hopen dat ze mij ook zo netjes begraven als ze mij per ongeluk hier vinden, dacht Pandoeris.
De moed zonk hem in de schoenen en hij begon hartverscheurend te huilen.
Er was toch niemand die je hoorde en zei dat je een flinke vent moest zijn.
Hij had erg veel medelijden met zichzelf en ging zo op in zijn verdriet, dat hij niet in de gaten had dat er een roeibootje aan kwam varen.
De roeier stopte met roeien en liet het bootje uitvaren tot vlak bij Pandoeris, die nog steeds met zijn hoofd in de handen bij de waterkant zat.
”Willen de passagiers bij de boothalte zich gereedmaken om in te stappen!” kraakte plotseling de stem van de roeier.
Pandoeris viel van schrik bijna voorover in het water.
Hij kon van de weeromstuit even geen woord uitbrengen en de roeier maakte van de stilte gebruik om een en ander toe te lichten.
”Ik ben de veerman in dit gedeelte van het moeras. Ik breng u overal waar u maar wilt, voor een bord en een lepel. Heeft u die bij zich?”
”Ik zal ze even halen!” riep Pandoeris opgelucht en rende naar de hut.
Hij had dat bord en die lepel dan wel nodig om in de gewone wereld terug te kunnen komen, maar dat was van later zorg.
Als hij eerst maar van dit ellendige eilandje af was.
Trouwens, als hij het een beetje slim aanpakte, hoefde hij niet eens te betalen als hij op de plaats van bestemming aankwam en dan bijvoorbeeld hard wegrende.
Hij wilde met zijn rugzak naar het bootje toe waden, maar deinsde achteruit toen hij bijna een tik van een roeispaan tegen zijn hoofd kreeg.
”Eerst betalen!” kraakte de stem van de veerman.
”Wie zegt me dat u niet hard weg roeit als u dat bord en die lepel eenmaal heeft?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Eerst betalen, dan pas meevaren.”
Dat was een lelijke tegenvaller.
Je kunt vandaag de dag niemand meer vertrouwen, dacht Pandoeris boos.
”En als ik u alvast de lepel geef en het bord bij aankomst,” probeerde hij nog.
”Nee, allebei tegelijk en anders niet.”
Pandoeris besloot te bluffen.
”Als je me niet ogenblikkelijk op je schuit toe laat, tover ik je om in een stinkdier,” dreigde Pandoeris, ”Ik ben namelijk een tovenaarsleerling.”
”Mij maak je niet bang. Ik heb een tovervrij vest aan. Je kunt me niets maken met je getover. Bovendien: als ik jou zo zie, kan je volgens mij nog geen deuk in een pakje roomboter toveren.”
Een akelige lach echode krakend over het moeras.
”O ja? Durf je dan hier te blijven als ik mijn toverschrift pak?” daagde Pandoeris hem uit en voegde de daad bij het woord.
De veerman ging er eens lekker voor zitten.
”Ga je gang. Ik ben een en al aandacht.”
Zenuwachtig bladerde Pandoeris in zijn schriftje.
Sommige dingen had hij zo slordig opgeschreven, dat hij ze niet eens kon lezen.
En wat hij kon lezen, leek zo onbenullig, dat het de veerman hooguit op de lachspieren zou werken.
Maar ja, hij moest wel iets doen; hij kon toch ook niet blijven bladeren.
”Ha! Hier heb ik iets verschrikkelijks!” loog Pandoeris en hield zijn vinger op een lege bladzijde. ”Ik geef je nog één kans…”
”Al gaf je me er twee of drie. Ik wil dat toverkunstje van jou wel eens zien.”
”Dat weet je heel zeker?”
”Dat weet ik heel zeker.”

Wat nu? dacht Pandoeris. Het zou toch wel prettig zijn als me iets heel briljants te binnen schiet.
Misschien kan ik iets op hem laten vallen en hem zo uitschakelen, zonder de boot te vernielen natuurlijk. Ach dat is het! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb! De stenen! Als ik tover, regent het bakstenen.
En het maakt niet uit welke toverspreuk ik gebruik, als het maar stenen regent.
Pandoeris zegde de spreuk op waar hij, vlak voor hij deze reis begonnen was, ook al succes mee had gehad en rende naar de hoger gelegen hut om daar te schuilen.
De veerman keek geamuseerd toe en schaterde het uit, toen hij zag hoe het ene na het andere kledingstuk van Pandoeris zijn lijf viel, terwijl hij als een gek zigzagde om de vallende stenen te ontwijken.
Het hoogtepunt was voor hem toch wel het moment waarop een inmiddels geheel blote Pandoeris moest toezien hoe zijn schuilplaats bedolven werd onder een hoeveelheid bakstenen en in elkaar stortte.
De truc met de stenen was dan wel gelukt, maar ze waren op deverkeerde plek gevallen.
De veerman gierde het uit en sloeg zich huilend van het lachen op de knieën.
Iets te hard waarschijnlijk want hij verloor zijn evenwicht en viel met een plons voorover uit de boot.
Zwemmen kon hij blijkbaar niet want hij had de grootste moeite om zijn hoofd boven water te houden.
Pandoeris zag het en rende zo hard hij kon terug naar de boot om er eerder te zijn dan de veerman.
Helaas: de veerman had de boot te pakken en hees zich er in, nog vóór Pandoeris iets had kunnen ondernemen.
”Te laat, mannetje,” rochelde de veerman, terwijl het water uit alle plaatsen van zijn lichaam liep waar een gat in zat.
In een vlaag van woede pakte Pandoeris een van de stenen die verspreid op de grond lagen en gooide die naar zijn tegenstander.
Tot zijn verbazing gooide hij raak en de veerman zakte in elkaar.
Pandoeris aarzelde niet, sprong in het water en sleepte de boot, met veerman en al, naar de kant.
Snel trok hij de natte kleren van de veerman aan, die hij bewusteloos op de kant had gelegd.
Hij pakte zijn rugzak, stapte in de boot en roeide harkerig, omdat hij dat niet gewend was, een eindje weg.
De veerman krabbelde intussen overeind en begon te vloeken en te tieren.
Pandoeris wachtte tot hij uitgeraasd was.
”Als je me vertelt waar ik hulp kan halen voor je, zal ik dat doen,” sprak hij edelmoedig.
De veerman wilde verder gaan met schelden maar bedacht zich.
”Vaar een paar uur in noordelijke richting, dan kom je bij een groter eiland. Daar vind je ook onze rederij.”
Pandoeris stuntelde in de aangegeven richting.
”Je stuurt toch wel iemand, hè?” vroeg de veerman nederig.
”Natuurlijk,” zei Pandoeris. ”Ik weet alleen niet of je een bord en een lepel nodig hebt. Maar dat zoek je zelf maar uit.”
Het duurde even voor Pandoeris de juiste ’roeislag’ te pakken had, maar toen ging hij er toch redelijk snel vandoor.

Hoofdstuk 6

Author: jeroenstamgast

Met een bord en een lepel in de hand komt men door het ganse land, maar Pandoeris raakt al snel het spoor bijster.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het afscheid van de vervoerder en zijn vrouw had niet zo lang geduurd. De vervoerder had alles nog eens kort met hem doorgesproken en zijn vrouw had allerlei lekkers voor onderweg in een rugzak gedaan.
Pandoeris had er op gestáán om de reis alleen te maken.
Hij wilde het geheim van de toegang tot het Verloren Oord niet verraden en de vervoerder had daarvoor wel begrip getoond.
De reis was overigens voorspoedig verlopen.
Na twee dagen was hij bijna waar hij wezen moest.
De weg waarover de postkoets reed werd steeds slechter en de passagiers, die hem gezelschap hielden, waren op zijn zachtst gezegd, vreemd te noemen.
Naast hem zat een man die alleen maar uit een bochel en benen leek te bestaan en tegenover hem zaten twee oude vrouwtjes te fluisteren en te stinken.
De koetsier hoorde je, boven de geluiden van de postkoets uit, vloeken en tieren om de paarden op snelheid te houden.
Plotseling hield hij halt.
De vrouwtjes stopten met fluisteren, ze stonken alleen nog maar, en de gebochelde man reutelde wat.
Pandoeris voelde zich niet op zijn gemak en nam zijn rugzak op schoot.
Het portier van de koets zwaaide open en de koetsier brulde, alsof hij het tegen de paarden had, dat ze twee minuten de tijd kregen om op te rotten.
Pandoeris wilde eerst nog vragen waar naar toe, maar een vervaarlijk heen en weer zwaaiende zweep, weerhield hem daarvan.
Gedwee volgde hij de anderen.
De koetsier klom weer op de bok, gebruikte de zweep voor de paarden en de koets verdween in de richting vanwaar ze gekomen waren.
Pandoeris keek de koets na, tot deze in een stofwolk verdwenen was.
Toen hij weer naar zijn medepassagiers keek, bleken de oude vrouwtjes ook verdwenen te zijn.
De gebochelde zat op zijn koffer, die veel te groot en te zwaar voor hem was en Pandoeris vroeg zich al af, hoe hij deze zou vervoeren.
Het antwoord hierop kwam snel.
”Jij tillen”, sprak de bochel met een hese stem en twee priemende oogjes keken hem aan.
Pandoeris had hier niet zoveel zin in maar besloot het toch maar te doen.

Je wist tenslotte nooit waar dat nog eens goed voor was en bovendien wist hij toch niet welke richting hij uit moest gaan.
Zwijgend volgde Pandoeris de stevig voortdribbelende bochel en na een uurtje zweten en puffen, kwamen ze bij herberg ’De Laatste Post’.
De bochel klopte aan en een zware eikehouten deur werd door een ongunstig uitziende herbergier geopend.
Hij liet Bochel binnen, trok de koffer uit Pandoeris zijn hand en wilde de deur voor zijn neus dicht smijten.
”Hij mee!” klonk een hese stem.
De deur ging weer open en Pandoeris glipte snel naar binnen.
De herbergier wees hen een plaats, aan een van de tafels.
De weinige gasten zaten zwijgend achter een tinnen soepbord en hielden een houten lepel vast.
Ook Pandoeris kreeg een bord en een lepel.

De soep werd zwijgend opgediend en opgegeten.
De paddestoelensoep, of wat daar voor door moest gaan, smaakte niet lekker maar Pandoeris begreep dat het opeten daarvan, nodig was om de Heksenkring te passeren.
Hij slurpte dapper door en toen hij opkeek van zijn bord, zag hij alleen nog maar nevel en kwade dampen.
De grond onder hem begon te bewegen en Pandoeris raakte in paniek.
Hij wilde opstaan en wegrennen maar een hese stem riep: ”Zitten!
Bord en lepel vast!”
Dat moest die bochel zijn.
Pandoeris kalmeerde enigszins en vroeg: ”Waar bent u en waar ben ik?”
Er kwam geen antwoord.
Pandoeris hoorde alleen een zacht gereutel dat langzaam wegstierf.
Het zweet brak hem uit maar hij hield zich goed.
Het leek wel een eeuwigheid te duren voor hij weer iets kon zien maar wat hij toen zag, stelde hem bepaald niet gerust.
Hij was op een klein eilandje terecht gekomen in een moerassig gebied.
Zijn bord en zijn lepel hield hij nog steeds vast.
Wat was daar ook al weer mee?
O ja, hij moest die bewaren om terug te kunnen komen.
Hij borg ze op in zijn rugzak en de aanblik van al dat lekkers dat daar in zat, stelde hem een beetje gerust.
Het zag er gezellig uit en het had iets vertrouwds.
Verhongeren zou hij voorlopig in ieder geval niet.
Hij bestudeerde de plattegrond die hij had meegekregen en zag dat hij nog ver van zijn reisdoel verwijderd was.
Hij besloot eerst het eilandje maar eens te verkennen.
Nou, dat was zo gebeurd.
In nog geen tien minuten tijd was hij weer bij het startpunt van zijn ontdekkingstocht gekomen en had hij het eilandje rondgelopen.
Vervolgens stak hij het eiland dwars over en midden op het eiland vond hij een half in elkaar gezakte hut.
Er was dus wel eens eerder iemand geweest.
Het begon donker te worden en dat was niet alleen omdat het laat werd, want al snel vielen de eerste regendruppels uit de inktzwarte lucht.
Hij vond een kaars in de hut en stak die aan.
De hut was niet zo best meer, maar het dak was nog in orde en dat was prettig want de regen viel met bakken uit de lucht.
Het had altijd iets gezelligs als het hard regende en je lekker droog zat, vond Pandoeris.
Hij opende zijn rugzak en begon genoeglijk te eten van het lekkers dat de vervoerdersvrouw meegegeven had.
Ach, alles zou wel weer op zijn pootjes terecht komen; je kon je overal wel druk om maken.
Hij maakte een bed van stro, dat er ook nog lag en viel tevreden in slaap met een glimlach op zijn gezicht.
Naast hem lag, verborgen in het donker, een geraamte met een grijns in zijn schedel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 5

Author: jeroenstamgast

Hoe de lievelingsmaaltijd van Pandoeris verstoord wordt door een opdracht die hem zwaar op de maag ligt.

Bij zijn thuiskomst werd Pandoeris heel hartelijk ontvangen.
Zó hartelijk zelfs, dat hij het eigenlijk maar een beetje vreemd vond.
Nou deed de vervoerder altijd wel aardig tegen hem maar nu was hij gewoonweg griezelig vriendelijk.
Pandoeris kon alvast aan tafel gaan zitten voor het eten, dan zou de vervoerder het paard en de wagen wel in de stal zetten.
Zijn vrouw vroeg bij het binnenkomen meteen of hij iets te drinken wilde hebben en vertelde dat ze zijn lievelingsmaaltijd aan het koken was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris snoof inderdaad de lucht op van gebraden gehaktballen en gebakken aardappeltjes, zodat het met de doperwtjes en de sla ook wel goed zou zitten.
Toch zat hij niet lekker daar aan tafel.
Hij voelde gewoon dat er iets vervelends komen ging.
Op leuke wijze ingekleed misschien maar vervelend zou het zijn.
De vervoerder kwam gezellig bij hem zitten met een asbak en een doos goede sigaren.
”Wou je ook een sigaartje?” vroeg hij op zo’n vriendelijke toon dat je bijna geen ’nee’ durfde zeggen.
Pandoeris rookte niet maar nam een exemplaar uit de toegestoken doos.
Als ik direct dan toch de sigaar ben dan neem ik er ook maar één, dacht hij.
De vervoerder stak de brand in beide sigaren en de eetkamer vulde zich al snel met rook.
Vooral de bijdrage van Pandoeris, die niet gewend was om te roken en uit onwennigheid als een gek aan zijn sigaar zat te hijsen, zorgde ervoor dat de vervoerdersvrouw bijna moeite had om in de rook de tafel nog te vinden en te dekken.
”Hoe lang werk je nu al weer hier?” vroeg de vervoerder.
”Drie weken,” kuchte Pandoeris.
”Zou je nog terug willen naar je tante?”
De tranen sprongen Pandoeris in de ogen.
”Nou, je hoeft niet te gaan huilen,” sprak de vervoerder geschrokken.
”Nee het is de rook die…”
De vervoerder zette een raampje open zodat er wat frisse lucht binnen kwam.
Het eten werd opgediend en Pandoeris vond dat een goed excuus om die dure stinksigaar op de rand van de asbak te leggen.
Of het nu door het roken kwam of door het gesprek dat volgde, Pandoeris had weinig trek meer in zijn lievelingsmaal.
”Dus het bevalt je hier wel?” vroeg de vervoerder.
”Zeker,” sprak Pandoeris en probeerde dankbaar te kijken.
”Je weet nog dat ik gezegd heb dat ik af en toe een aparte klus heb waar ik veel geld mee kan verdienen?”
Nou komt de aap uit de mouw, dacht Pandoeris. Direct gaat hij zeggen dat hij mij erbij nodig heeft.
”Wel, het is zover en daarbij heb ik jouw hulp nodig.”
”Schep nog eens op, Pandoeris,” bood de vervoerdersvrouw aan.
”Je lust vast nog wel wat.”
Pandoeris was een beetje misselijk maar vulde uit beleefdheid dapper zijn bord. Stel je voor dat de vrouw beledigd was dat hij zo weinig at, dan zou ze zijn lievelingsmaal misschien wel nooit meer koken.
Je moest voorzichtig zijn met dat soort dingen.
”Die vreemde klant die je daarnet weggebracht hebt, komt elk jaar om deze tijd vragen iets voor hem te vervoeren,” vervolgde de vervoerder.
”Ik heb het wel eens geprobeerd maar het is me nog nooit gelukt.
Volgens mij moet het jou wél lukken.”
”En waarom dan wel?” vroeg Pandoeris die zich steeds onbehaaglijker begon te voelen.
”Omdat jij een tovenaarsleerling bent.”
”Een tovenaarsleerling wás, bedoelt u.”
”Nou ja, dat doet er niet toe. Jij weet waarschijnlijk wel hoe je in ’het Verloren Oord’ moet komen. Ik heb het geprobeerd maar ik verdwaal steeds.”
Er begon Pandoeris iets te dagen.
Het Verloren Oord lag voorbij de Heksenkring en daar kon je inderdaad niet zo maar komen.
” Waarom gaat die klant van u dan niet naar een tovenaar of een heks?”
”Omdat hij die niet vertrouwt. En nou wil ik een eerlijk antwoord van je: kun jij daar komen of niet?”
De vervoerder keek hem doordringend aan.
Pandoeris overwoog nog even om te liegen maar besloot de waarheid te vertellen.
”Ik denk het wel.”
”Fantastisch!” brulde de vervoerder. ”Man, als dit lukt, verdien ik zoveel geld dat ik niet meer hoef te werken!”
Enthousiast keek hij naar het beteuterde gezicht van Pandoeris en begreep dat hij hem met deze mededeling niet enthousiast zou krijgen.
”Luister,” vervolgde hij daarom snel. ”Als ik stop met werken, doe ik mijn zaak aan jou over. Je mag alles hebben. Je bent dan eigen baas en je kunt doen en laten wat je wilt. Lijkt je dat wat?”
Pandoeris moest toegeven, dat dat inderdaad niet gek zou zijn.
”Als je je eten niet meer lust, mag je het laten staan, hoor,” zei de vervoerdersvrouw goedig toen ze zag dat Pandoeris een beetje groene kleur op zijn gezicht begon te krijgen.
”Hier, neem een glaasje cognac. Dat is goed voor de spijsvertering.”
De vervoerder schonk scheutig een glas in.
”Vertrouwt u die vent dan wél?” vroeg Pandoeris en nam een slokje.
”Deze sleutel hier,” de vervoerder toonde hem een ouderwetse sleutel, ”past op een kistje met juwelen en goudstukken dat verborgen ligt in het Verloren Oord. Mijn klant heeft de andere sleutel die nodig is om het kistje open te maken. Hij weet het kistje te vinden maar kan er niet komen. Jij wel. Als jij dat bewuste kistje hier mee naar toe neemt, ben ik erbij als we de opbrengst delen. Er kan niets fout gaan.”
Pandoeris wou iets zeggen maar de cognac brandde in zijn keel en belette hem het spreken.
”Ja, daar ben je sprakeloos van, hè,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb al tegen mijn klant gezegd dat het lukken gaat dit jaar.”
”Nou, erg vrolijk vond ik hem anders niet,” zei Pandoeris die zijn spraakvermogen teruggekregen had.
”Het is een verbitterd man. Een of andere heks heeft na een ruzie al zijn geld en juwelen weggetoverd en nu bezit hij bijna niets meer terwijl hij vroeger rijk en machtig was. Hij schaamt zich zó erg voor zijn armoede, dat hij zich op zo’n manier aankleedt dat niemand hem herkent.”
Pandoeris kreeg een beetje spijt van zijn toverkunstje, eerder op die dag.
Nou ja, dan had hij ook maar niet zo neerbuigend en onvriendelijk moeten doen.
Pandoeris begon zich letterlijk en figuurlijk steeds beroerder te voelen.
”Wanneer kun je gaan?” vroeg de vervoerder. ”Morgen?”
Die heeft haast, dacht Pandoeris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

”Dan moet hij eerst een nacht goed slapen zodat hij morgen lekker uitgerust is,” antwoordde de vervoerdersvrouw.
”Ja, doe dat maar want je ziet eruit als een dweil,” sprak de vervoerder.
Dat komt van die vieze sigaar en die afschuwelijke cognac van je, dacht Pandoeris.
”Je zult zien, als je morgen lekker uitgerust bent, dan heb je gewoon zín om te vertrekken.”
Pandoeris zei niets en strompelde naar zijn kamer.
Hij voelde zich zo akelig dat van lekker slapen ook niet veel kwam.
Maar zin om te gaan zou hij ook niet gekregen hebben na een goede nachtrust.

Hoofdstuk 4

Author: jeroenstamgast

Een geheimzinnige figuur wordt ontmaskerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Drie weken waren al weer verstreken sinds Pandoeris begonnen was met werken.
Het was even wennen in het begin.
Vooral het vroege opstaan beviel hem niet zo best.
Maar na verloop van tijd begon hij zich er een stuk prettiger bij te voelen.
Hij ging goed gekleed, kreeg goed te eten en te drinken en hij deed goed zijn best.
De mensen in het dorp bij wie hij spullen afleverde of ophaalde, waren tevreden over hem en vonden dat de vervoerder een goede knecht had uitgekozen.
Pandoeris, die gewend was dat iedereen hem maar een flapdrol vond, genoot van het aanzien dat hij had gekregen.
Hij had zijn kamer gezellig ingericht, de vrouw van de vervoerder kon lekker koken en deed beslist niet onaardig tegen hem en de vervoerder zelf liet hem zijn eigen gang gaan, als hij maar zorgde dat het werk op tijd gedaan was.
En daar zorgde Pandoeris wel voor want hij wilde dat iedereen hem een flinke vent bleef vinden.
Toen hij wegging bij zijn tante Eleanora, had hij stiekem zijn schoolschriftje met toverformules meegenomen om tenminste nog iets te hebben, als hij zou mislukken als vervoerdersknecht.
Maar hij kreeg steeds meer het gevoel dat hij dat schriftje nooit meer zou hoeven gebruiken.
Hij was tevreden met het leven dat hij nu leidde.
Op een dag betrad een duistere figuur de zaak die nors naar de baas informeerde.
Toen Pandoeris vroeg of hij misschien kon helpen in plaats van de baas, werd hem toegesnauwd dat hij geen zaken deed met ondermaatse viskoppen.
Nu had Pandoeris geleerd dat je altijd beleefd tegen een klant moet blijven maar het kostte hem wel moeite deze keer.
Wat hij ook niet prettig vond was, dat de man zijn mantel zó om zich heen had geslagen dat je zijn gezicht niet meer kon zien.
De vervoerder nam de geheimzinnige man mee naar zijn kantoortje om daar voorlopig niet meer uit te komen.
Net toen Pandoeris klaar was met zijn werk en het er eens lekker van wou nemen, kwamen ze er weer uit.
De man had de mantel weer om zich heen geslagen en liep langs Pandoeris zonder hem een blik waardig te keuren.
Bij de deur stopte hij plotseling en draaide zich om.
”Kan die luie vlerk daar me niet even wegbrengen? Die zit toch maar uit zijn neus te eten.”
Pandoeris ontplofte bijna maar zijn baas zei alleen maar: ”Pandoeris, wil jij die meneer even wegbrengen?”
Nooit van mijn leven, dacht Pandoeris en zei: ”Ja baas.”
Hij haalde het paard en de wagen weer uit de stal maar pakte eerst nog even snel zijn toverschriftje van zijn kamertje.
Hij wist dat het onverstandig was wat hij wilde gaan doen maar hij kreeg de kriebels van deze onbehouwen lomperik.
Tijdens de rit werd er geen woord gewisseld.
De man gebaarde met zijn arm of hij naar links of naar rechts wilde en zo kwamen ze tenslotte aan de rand van een groot bos.
Daar sprak de man het eerste woord: ”Stop.”
Hij stapte van de wagen af en liep zonder om te kijken weg.
Pandoeris parkeerde paard en wagen snel onder een dikke eikeboom en bladerde in zijn toverschriftje.
Ik zal die verwaande kwast eens ontmaskeren, dacht Pandoeris grimmig.
Zonder haperen zegde hij een lange spreuk op waarmee je kledingstukken kon wegtoveren.
Hij was het nog niet verleerd.
Jammer alleen dat daar de eerste baksteen al weer uit de lucht kwam vallen.
De tweede en de derde volgden en de vierde trof doel.
De man bleef pijnlijk getroffen staan en draaide zich om.
”Heb jij die steen gegooid?”
”Steen?” vroeg Pandoeris onnozel.
”Ja, steen! Of wou je soms beweren dat deze bult van een eikeltje
kwam!”
Hij deed zijn mantel opzij zodat Pandoeris zijn gezicht kon zien, dat er
door de pas ontstane bult bepaald niet mooier op werd.
”Ik weet niet wie er gooit,” zei Pandoeris. ”Maar pas op! Daar komen
er nog een paar!”
Een aantal bakstenen ploften zwaar in het zand.
De man koos eieren voor zijn geld en zette het op een lopen.
Terwijl hij rende, waaide het ene na het andere kledingstuk van zijn lichaam tot hij, eenmaal bij het bos gekomen, alleen zijn ondergoed nog maar aan had.
Pandoeris lachte tevreden.
Misschien had hij toch nog een knappe tovenaar kunnen worden.
Ach, wat zat hij toch te zeuren.
Vervoerder wilde hij worden!
Toch borg hij zijn schriftje goed op.
Daar moest hij zuinig op zijn want dat kon hem nog wel eens van pas komen.
En méér dan Pandoeris lief was, zou al vrij snel blijken.

Hoofdstuk 3

Author: jeroenstamgast

Pandoeris neemt afscheid van het luie leventje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gesprek met zijn tante was hem uiteindelijk nog wel meegevallen.
Om te beginnen waren de stenen al weggetoverd toen hij thuiskwam en Pandoeris speelde zijn rol van het zielige jongetje dat spijt heeft van zijn slechte daden, nog beter dan anders.
Het lukte hem bij het binnenkomen zowaar al een traan eruit te persen en daarna ging het jammeren vanzelf.
Toen tante zoals gewoonlijk toch weer medelijden met hem kreeg en hem zijn kwajongensstreken vergaf, zei Pandoeris dat hij iets heel belangrijks te vertellen had.
”Nou, dan ga ik er maar even voor zitten,” zei tante Eleanora.
”Want dat ben ik van jou niet zo gewend.”
Ze zette een kan met koffie op tafel en twee kopjes zonder oor.
Eén ervan schonk ze in en begon dat blazend en slurpend leeg te drinken.
”Het zit namelijk zo,” zei Pandoeris, ”dat ik ga werken.”
Tante Eleanora verslikte zich in de koffie, haar piekhaar sprong overeind en de wrat op haar neus begon spontaan licht te geven.
”Werken?” vroeg ze stomverbaasd en vergat haar mond dicht te doen.
”Ja,” zei Pandoeris een beetje verlegen. ”Bij een vervoerder. Ik moet dan pakjes en zo rondbrengen.”
Tante staarde wezenloos voor zich uit, pakte verstrooid de koffiekan en begon dáár uit te drinken.
”Er zit nog koffie in uw kopje hoor,” waarschuwde Pandoeris haar.
”O ja, dat moet eerst op.”
Eleanora goot de inhoud van het kopje in de kan en dronk dááruit verder.
Pandoeris was blij dat hij nog net op tijd een kopje voor hem zelf ingeschonken had.
”Je hebt het dus over werken, pakjes rondbrengen en zo. Je bedoelt dus dat je iets gaat dóen?”
”Ja,” zei Pandoeris aarzelend.
”Je neemt me toch niet kwalijk dat ik even een paar minuten nodig heb om dit te verwerken, hè?”
Ze pakte de koffiekan om nog eens in te schenken maar ontdekte dat die leeg was.
”Ik zou zweren dat ik nog koffie had,” sprak ze verbaasd. ”O, ik begrijp het al: verkeerde kopje.”
Ze nam het nog volle kopje van Pandoeris en begon dát leeg te slurpen.
”Weet je wat ik nou niet begrijp?” vroeg tante. ”Jarenlang zit ik je achter je vodden aan, dat je eens aan je school denkt, je toekomst. Jarenlang voer je geen klap uit. Als ik je ’s ochtends niet uit je bed zou sleuren, zou je daar de hele dag in blijven liggen. Eén keer sta je dan eens uit jezelf op en besluit je eens iets te gaan doen en dan kom je met zoiets!
Had liever je schoolboeken nog eens doorgelezen.”
”Die heb ik nu in ieder geval niet meer nodig,” zei Pandoeris en hij dacht even dat hij het toch wel jammer vond.
”Sterker nog: je bent ze kwijt! Je denkt toch niet dat je die mag houden als je weggaat. Ik zou nog maar eens goed nadenken over wat je van plan bent om te gaan doen.”
Het gesprek dat hier op volgde, verliep nogal moeizaam.
Tante Eleanora, die al die jaren gewend was om Pandoeris te dwingen iets te gaan dóen, kon de juiste toon niet vinden om hem ervan te overtuigen iets níet te gaan doen.
En Pandoeris, die op wat mislukte toverpogingen na, eigenlijk nooit iets ondernomen had, begon zich steeds meer af te vragen waar hij in vredesnaam mee bezig was.

Het wás dat tante Eleanora het gesprek vrij plotseling beëindigde met de mededeling dat ze hem niet meer wilde zien, anders had Pandoeris zich misschien nog bedacht.
Bij het afscheid nemen zei tante nog dat hij, als hij vóór het nieuwe schooljaar begon, terug zou komen, hij het nog eens mocht proberen.
En Pandoeris verzekerde haar dat hij, als dát het geval zou zijn, hij zeker goed zijn best zou doen op school.
”Ga nou maar,” zei tante. ”En je weet het: geen getover!”
”Ik weet het, tante. Bovendien: ik heb toch geen schoolboeken meer waarin ik toverspreuken kan opzoeken.”
”Dat is waar. Misschien ga je er nog wel eens naar terugverlangen.”
Pandoeris gaf haar een zoen op haar rimpelige wang en liep zonder om te kijken van het huisje weg.
Tot zijn verbazing voelde hij hoe zijn ogen vochtig werden.

Hoofdstuk 2

Author: jeroenstamgast

Een gesprek in Het Geslachte Varken maakt dat Pandoeris aan zijn toekomst moet denken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen Pandoeris weer bijkwam, bevond hij zich in herberg Het Geslachte Varken.
Zijn lichaam trilde nog na van alle doorstane angsten en de inspanning van het rennen.
Hij sloeg zijn ogen op en dacht even dat hij de kop van het geslachte varken boven zich zag maar het bleek het hoofd van zijn redder te zijn, die zich over hem heen boog.
”Ben je daar weer?” vroeg deze.
Pandoeris kreunde. ”Wáár ben ik weer?”
”In herberg Het Geslachte Varken,” antwoordde de ander.

”Hoe lang ben ik hier al?”
”Een minuut of vijf. Ik heb je hier maar mee naar toegenomen. Ik kon je daar toch ook niet laten liggen. Je was helemaal van de kaart.
Maar nu even iets anders: door wie werd je nu eigenlijk achtervolgd? Daar ben ik nou toch wel nieuwsgierig naar.”
Pandoeris hing een onduidelijk verhaal over koeien op.
Over het toveren vertelde hij niets want hij wist dat de gewone mensen daar liever niet over horen.
Het gevolg hiervan was wél dat zijn redder en de herbergier, die er bij was komen staan, er geen touw aan vast konden knopen.
”Nou, je kunt merken dat meneer nog een beetje in de war is,” mompelde de herbergier.
”Hier, drinkt u maar eens wat. Dat zal u goed doen.”
Pandoeris pakte het door de herbergier aangeboden glas aan en dronk het in één teug leeg.
”Dat is dan twee en een halve florijn,” zei de herbergier en hield zijn hand op.
Pandoeris wilde geschrokken gaan uitleggen dat hij geen geld bij zich had maar zijn redder was hem vóór.
”Ik betaal wel, herbergier. Nog twee van hetzelfde graag.”
Dat beviel Pandoeris en even later waren ze in een gezellig gesprek gewikkeld.
De herbergier liet ze alleen en kwam zo af en toe even langs om een nieuwe bestelling op te nemen.
”Ja, zie je,” vertelde de man. ”Ik ben vervoerder van beroep. Ik vervoer alles wat los en vast zit. Nou, eigenlijk alleen wat los zit want iets dat
vast zit, vervoert niet zo lekker, hè. Maar goed, ik sta erom bekend dat ik alles vervoer, gevaarlijk of niet. Meestal vervoer ik gewoon de alledaagse dingen, hoor. Maar echt véél geld verdien ik met speciale klussen.
Ik zal je vertellen dat…”
De vervoerder stopte met zijn verhaal en keek naar Pandoeris die met een gelukzalige glimlach op het gezicht, wazig voor zich uitstaarde.
”Luister je wel? Of verveel ik je? Je kijkt zo afwezig.”
Pandoeris schrok op uit zijn dagdromerij .
”O nee hoor. Ik luister heus wel. U had het over gevaarlijke en speciale klussen waar u veel geld mee verdient.”
Waarom zou hij zich vervelen?
Hij zat hier lekker knus en veilig en de vervoerder betaalde.
Of hij nu zou vertellen over het vervoer van duizend bommen en granaten of over het vervoer van een doorgelopen kleurkanarie, het maakte hem niet uit.
Hij zat goed.
”Wil je nog iets drinken?” vroeg de vervoerder.
”Nou, ik lust eigenlijk wel een boterham met pindakaas,” antwoordde Pandoeris.
”Herbergier: één rondje pindakaas voor deze tafel!”
De herbergier bracht het bestelde en de vervoerder vervolgde.
”Afijn, ik heb dus van alles vervoerd. Maar weet je wat ik de laatste tijd zo zit te denken?”
Hij keek hem aan en Pandoeris begreep wat er van hem verwacht werd.
”Wat dan?” vroeg hij met volle mond.
”Dat ik zo langzamerhand een dagje ouder word en dat het misschien niet zo gek zou zijn om er een knechtje bij te hebben. En misschien ben jij wel degene die dat knechtje zou kunnen zijn.”
De laatste mededeling overviel Pandoeris nogal en hij liet per ongeluk een boer.
Hij had niet verwacht dat het gesprek deze kant op zou gaan en er ging van alles door hem heen.
Aan de ene kant leek het hem wel wat.
Als tovenaarsleerling was hij een volslagen mislukking en ook het zinloze leventje bij tante Eleanora begon hem danig te vervelen.
Bovendien, als je altijd als nietsnut wordt beschouwd, ga je je er ook steeds meer naar gedragen.
Het leek hem eigenlijk wel fijn om eindelijk eens iets nuttigs te doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar ja, een baantje bij ’een gewoon mens’ was voor iemand die gewend was om met heksen en tovenaars om te gaan, wel een hele grote stap.
Bovendien wist hij dat zijn familie dan niets meer met hem te maken wilde hebben.
Je hoort erbij of je hoort er niet bij.
”Je zou dan bij mij in mijn huis komen wonen,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb een groot huis dus je krijgt je eigen kamer. Ik bied je een goed salaris zodat je geld genoeg hebt om van te leven en je kunt nog sparen óók.”
Pandoeris dacht aan de armoedige bedoening bij hem thuis en aan zijn familie die altijd maar zei dat hij nergens voor deugde.
Dit was natuurlijk een kans om te bewijzen dat hij wel degelijk iets waard was.
”Weet je waarom ik speciaal aan jou denk?” vroeg de vervoerder.
Het antwoord zou even op zich laten wachten want ze werden gestoord door een grote vent die het gesprek ruw onderbrak.
”Zijn die drie koeien daarbuiten van jou?” vroeg hij en keek Pandoeris woedend aan.
Pandoeris die net een hap van zijn boterham met pindakaas had willen nemen, schrok zó erg dat hij per ongeluk het bord in zijn mond stopte in plaats van het brood.
”D-dat zou kunnen,” stamelde hij en controleerde of het glazuur nog op zijn tanden zat.
”Zo, zou dat kunnen?” herhaalde de man onvriendelijk. ”En zou het soms ook kunnen dat je dan de schade aan mijn korenveld vergoedt dat ze platgelopen en kaalgevreten hebben?”
”Ik heb geen geld,” zei Pandoeris heel zachtjes en kromp in elkaar.
De man kwam dreigend op hem af en trok hem achter de tafel vandaan.
”Zie je deze vuist?” vroeg de vent en hield hem een hand zo groot als een kolenschop onder de neus.
Pandoeris knikte bevestigend.
”Daarmee ga ik je een pak rammel geven tot je wél kan betalen.”
Pandoeris keek wanhopig om zich heen.
Dat ellendige getover van hem, had hem voor de zoveelste maal in de problemen gebracht.
Meestal hielp tante Eleanora hem wel als hij zich weer eens in de nesten gewerkt had maar die was in geen velden of wegen te bekennen.
Hij keek naar de vervoerder.
”Je kunt bij mij in dienst komen,” sprak deze. ”Dan betaal ik wel.”
Pandoeris was het opeens allemaal zó zat, dat hij een besluit nam.
”Als u me nog steeds wilt hebben: graag.”
Hij wilde niets meer met tovenarij te maken hebben.
Een gewoon baantje leek hem plotseling het fijnste wat er op aarde bestond.
De vervoerder vergoedde de schade en de man verdween weer net zo snel als hij gekomen was.
”Ik vraag me af of u wel iets aan mij heeft,” zei Pandoeris. ”Ik sta bij ons thuis bekend als een nietsnut en een stuntelaar.”
”Dat zal wel meevallen,” zei de vervoerder. ”Bovendien is er nóg iets waarom ik jou als knecht wil hebben.”
Pandoeris keek hem vragend aan.
”Toen jij aan de kant van de weg buiten westen lag, zei je in je dromen dingen waaruit ik begreep dat jij een tovenaarsleerling bent en dat kan handig voor mij zijn.”
De vervoerder keek hem doordringend aan en Pandoeris begreep dat ontkennen weinig zin had.
”Maar ik ben al drie keer voor mijn tovenaarsexamen gezakt.”
”Dat geeft niet. Je hebt er altijd wel iets van opgestoken dat we misschien nog eens kunnen gebruiken. En nogmaals: meestal heb ik gewone zaken te vervoeren maar soms is er eens iets bijzonders en dan kan het handig zijn om iemand in dienst te hebben die méér kan en weet dan een gewone sterveling. En een knechtje heb ik tóch nodig want het werken valt me zwaarder de laatste tijd. Laten we afspreken dat we het gewoon eens een paar maanden proberen. Bevalt het je niet dan ga je terug naar je familie en beval jij mij niet dan stúúr ik je terug.
”Wat heb je te verliezen?” vroeg de vervoerder triomfantelijk.
Niet veel, dacht Pandoeris. Maar hij zag nu al vreselijk op tegen het gesprek dat hij eerst met zijn tante Eleanora Heks zou moeten hebben.

Hoofdstuk 1

Author: jeroenstamgast

Waarin we kennis maken met de hoofdpersoon van dit verhaal die onverwacht bezoek krijgt van drie zware dames.


De nachtelijke storm joeg gierend door het bos en denderde tegen het gammele huisje van Eleanora de heks.
Alles wat niet helemaal vast zat aan het huisje, en dat was nogal wat, rammelde en klapperde in de wind of liet helemáál los.
Pandoeris de tovenaarsleerling, die ook in het huisje woonde, draaide zich nog eens om in zijn bed, met als gevolg dat de dekens van hem afgleden.

Hij voelde hoe een windvlaag zijn haren deed wapperen en hoe de kou bezit nam van zijn lichaam.
De storm is nog niet gaan liggen, dacht hij en trok de dekens weer goed over zich heen.
Hij draaide zich op zijn rug en bekeek het plafond waar beslist méér gaten inzaten dan hij de laatste weken gewend was om te zien.
Zeker weer een paar dakpannen weggewaaid vannacht, dacht hij.
Daar mag tante wel eens wat aan gaan doen.
Als het eventueel gaat regenen, ben ik mooi de klos.
Trouwens, wat tocht het hier. O, ik zie het al: het raam staat open.
Hij stapte snel uit bed om het dicht te doen maar zag toen dat er helemaal geen raam meer wás.
Zeker weggewaaid, dacht Pandoeris.
Vlug kroop hij weer onder de dekens maar hij kon de slaap niet meer vatten.
Hoewel het voor zijn gevoel eigenlijk nog te vroeg was om op te staan, besloot hij dit toch maar te doen.
Zuchtend trok hij zijn armoedige kleren aan en stommelde de vervaarlijk krakende trap af.
Eenmaal beneden gekomen, liep hij regelrecht naar de provisiekast die er jaren geleden ook al beroerd moest hebben uitgezien.
Een glas melk zal me goed doen, dacht hij.
Hij schoof een stoel opzij, opende de klemmende deur en keek in de kast.
”Nee hè! De melk is toch niet op, hoop ik.”
Pandoeris stak zijn hoofd nog wat verder naar binnen maar kon toch écht geen melk vinden.
”Hè, wat vervelend nou,” mopperde Pandoeris. ”Tante weet toch dat ik… Hé, waar is ze eigenlijk?”
Hij keek verbaasd om zich heen maar zag haar nergens.
Het gebeurde niet vaak dat tante Eleanora al weg was als hij beneden kwam.
Hij dacht nog eens na.
Boven was ze niet, anders had hij haar daarnet wel horen snurken en beneden in deze kleine ruimte kon je haar onmogelijk over het hoofd zien.
Dan moet ik mezelf maar zien te redden, dacht Pandoeris en vroeg zich af hoe hij aan melk kon komen zonder zich al te veel te hoeven inspannen.
Hij opende de buitendeur en zag dat de storm begon af te nemen.
Het waaide nog wel maar de kracht was er vanaf.
Hij trok zijn jas aan en ging buiten op het bankje zitten.
De zon kwam zelfs al een beetje door en het zag er naar uit dat het nog wel eens een mooie dag kon gaan worden.
Een paar zonnestralen gleden over het gezicht van Pandoeris en misschien kwam het daardoor wel dat er een ondeugend plannetje in hem opkwam om aan melk te komen.
Breed grijnzend stapte hij het huisje weer binnen en stevende recht op Eleanora’s boekenplank af.
”Ik mag dan wel drie keer voor mijn tovenaarsexamen gezakt zijn,” mompelde Pandoeris. ”Maar ik heb toch wel de nodige ervaring, zou ik zo zeggen.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorzichtig pakte hij Het Grote Toverboek van Eleanora van de plank, legde dit op tafel en begon erin te bladeren.
Af en toe keek hij schichtig om zich heen want het was ten strengste verboden om zomaar in je eentje te toveren, als je nog niet geslaagd was voor je examen.
”Dan hadden ze ook maar niet zo stom moeten zijn om me drie keer achter elkaar te laten zakken,” gromde Pandoeris en bladerde verder. ”Ha, hier staat het.”
Hij boog zich over het boek en prevelde de toverspreuk een paar maal zachtjes voor zich uit om te oefenen.
Toen hij dacht dat hij deze wel zonder al te veel problemen op zou kunnen zeggen, pakte hij het toverboek en kroop onder de tafel.
Dit is misschien wel een vreemde plaats maar om de een of andere onverklaarbare reden kwamen er altijd bakstenen uit de lucht vallen als hij aan het toveren sloeg.
Hij vermoedde dan ook wel dat dit één van de oorzaken was dat hij telkens voor het examen zakte.
Het leek hem in elk geval maar beter om het zekere voor het onzekere te nemen en deze schuilplaats te kiezen.
Je wist tenslotte nooit wat je boven het hoofd hing.

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris schraapte zijn keel, haalde diep adem en begon onzeker aan de ingewikkelde toverspreuk. BANG! De eerste baksteen kletterde al op de vloer.
Pandoeris stotterde even maar hakkelde dapper verder.
Hij was nu halverwege en moest zelfs zijn stem verheffen om nog boven het lawaai van de naar beneden kletterende bakstenen uit te komen.
Eindelijk was hij schreeuwend bij het laatste toverwoord beland.
Enigszins beduusd sloeg hij het toverboek dicht en nam zich voor om nooit meer stiekem te toveren.
BANG! Een laatste baksteen viel naar beneden en kwam zó hard op de tafel terecht dat hij er een gat in beukte en er halverwege in bleef steken.
Pandoeris keek geschrokken naar het steenrode gevaarte en vroeg zich af of het misschien niet beter was om maar helemáál met toveren te stoppen.
Nadat het een tijdje stil was gebleven, schoof hij enige stenen opzij zodat hij onder de tafel vandaan kon komen.
Op handen en voeten kroop hij over de stenen naar de boekenplank en zette het toverboek op zijn plaats terug.
Zuchtend ging hij op een bergje stenen zitten en keek zorgelijk om zich heen.
Het huisje van Eleanora had inmiddels meer weg van een steenbakkerij na een aardbeving dan van een woonhuis en Pandoeris besefte dat hij die stenen nooit op tijd weg zou kunnen krijgen.
Als zijn tante straks weer thuis zou komen, zou er wat voor hem zwaaien.
Plotseling hoorde hij geluiden bij de voordeur.
O nee! Daar zal je haar al hebben, dacht Pandoeris geschrokken.
”Ik kom eraan, tante!” riep hij en worstelde zich over de stenen naar de deur.
Zenuwachtig verschoof hij er een paar zodat de deur open kon, terwijl hij zich afvroeg waar dat geloei vandaan kwam dat hij meende te horen.
Zou tante visite meegenomen hebben, dacht Pandoeris.
Nou, dat komt dan lekker uit! Angstig opende hij de deur.
Als aan de grond genageld bleef hij staan!
Tot zijn stomme verbazing stond hij oog in oog met een levensgrote koe die luid in zijn gezicht begon te loeien.
Het duurde even maar toen begon er iets bij Pandoeris te dagen.
”Nee maar! Daar heb je mijn melk!” juichte hij. ”Dan is het me tóch gelukt!”
De vreugde was echter van korte duur.
De koe duwde hem achteloos opzij en klom over de stenen het huisje binnen, gevolgd door twee vriendinnen.
”Hé! Jullie mogen er niet in!” sputterde Pandoeris nog tegen maar het maakte niet de minste indruk.

De voorste koe was al aan de kruidenvoorraad van Eleanora begonnen.
Pandoeris struikelde naar voren en probeerde het dier weg te duwen.
Ze keek hem niet begrijpend aan, likte hem vriendelijk over zijn voorhoofd en loerde vervolgens verlekkerd naar zijn stroblonde haar.
Pandoeris zag het gevaar op tijd en deinsde achteruit.
De koe was nu zeker van mening dat niets ter wereld smakelijker was dan het haar van Pandoeris en volgde hem likkebaardend.
De beide andere koeien waren blijkbaar tot dezelfde conclusie gekomen en kwamen nu ook op hem af.
Pandoeris maakte dat hij wegkwam en wist struikelend over de stenen de deur te bereiken, die nog steeds openstond.
Met een klap sloeg hij deze achter zich dicht zodat de koeien binnengesloten waren en hij veilig buiten was.

Hij wilde net gaan uitblazen, toen hij tot zijn ontsteltenis zag hoe de koeien met deur en al naar buitenkwamen.
Pandoeris zag de hongerige blik in drie paar ogen en begon te rennen zoals hij nog nooit gerend had.
De drie zagen hun lekkere hapje er vandoor gaan en zetten loeiend de achtervolging in.

”Help! Help!” gilde Pandoeris zo hard hij kon over het eenzame bospad, in de hoop dat iemand hem zou horen en te hulp zou komen.
Hij durfde niet achterom te kijken en rende voort als in een akelige droom.
Het loeien van de koeien hoorde hij al vrij snel niet meer maar wél nog steeds de geluiden van een achtervolging.
”Kan ik je ergens mee helpen?” klonk plotseling een zware stem achter hem.
Eindelijk, dacht Pandoeris. Eindelijk iemand die mijn hulpgeroep gehoord heeft.
”Ik word achtervolgd!” schreeuwde hij en rende voort, bang als hij was om door de koeien vertrapt te worden.
Het duurde even vóór er antwoord kwam.
”Wat zeg je?” werd er toen gevraagd.
”Ik zeg,” schreeuwde Pandoeris, ”dat ik achtervolgd word!”
Het antwoord liet weer even op zich wachten terwijl Pandoeris als een blind paard verder rende.
”Weet je dat zeker?” klonk de stem aarzelend.
”Ja, natuurlijk weet ik dat zeker!” gilde Pandoeris en vroeg zich af waarom nu uitgerekend zo’n sufferd hem te hulp moest komen.
”Maar je bent toch niet bang voor me?” vroeg de stem verontschuldigend.
”Nee, voor ú niet!” brulde Pandoeris terwijl zijn krachten zienderogen afnamen.
Hij had nog wat willen zeggen maar daarvoor ontbrak hem de adem.
”Maar voor wie dan?” vroeg een dikke man die nu met zijn paard en wagen naast hem kwam rijden.
”Ik rijd al een tijdje achter je omdat de weg te smal was om náást je te komen maar behalve mijzelf en mijn paard, is er niemand in de wijde omtrek te bekennen.”
Pandoeris probeerde al rennende na te denken en juist toen hij struikelde en met een sierlijk boogje in een bosje brandnetels belandde, had hij het raadsel opgelost.
Het geluid dat hij al die tijd achter zich gehoord had, was het geluid van zijn ’redder’ met zijn paard en wagen geweest.
Met zijn laatste krachten wist hij nog uit de brandnetels te kruipen en daarna bleef hij zwaar ademend langs de kant van het pad liggen.