Archive for juni, 2018

Attent

Author: jeroenstamgast

Zoals vaker ben ik ook deze woensdagmiddag op bezoek bij mijn tante Mecheline in ‘Verpleeghuis Oostergouw’ te Zaandam waar zij herstellende is van een val in haar woning.
Ik leen een rolstoel van de afdeling waar zij verblijft en rol haar naar het terrasje buiten bij de restauratie van het tehuis waar zij mag roken, wat zij graag doet.
Binnen bestel ik als altijd voor ons allebei een cappuccino- tante Mecheline trakteert- en later doe ik dat nog een keer.
De vrijwilligster achter het buffet kent mij inmiddels en we maken altijd even een praatje.
Met mijn tante praat ik honderduit.
Ze mag dan lichamelijk behoorlijk verzwakt en op leeftijd zijn maar haar geest is ongebroken en levendig als altijd en, hoewel ik natuurlijk op bezoek kom om haar te plezieren, vind ik het zelf ook gezellig.
Tijdens een gesprek over vroeger zie ik een lompe kerel vanuit de restauratie onze kant uit het park inlopen, gevolgd door een vrouw.
Ze hebben duidelijk een verschil van mening waarbij de vrouw het meest aan het woord is.
Ik heb altijd de neiging om zoiets met belangstelling te volgen.
De vrouw probeert hem nu mee te trekken maar hij reageert met een duw en wil haar bij de keel grijpen.
Terwijl ik me afvraag of ik tussenbeide moet komen en wat daar eventueel de consequenties van zouden kunnen zijn, komt een oudere dame, gezeten aan een tafeltje naast ons, geschrokken overeind.
“Meneer! Dat kunt u niet doen hoor!” roept ze en loopt op hem af.
De lomperik draait zich om en kijkt haar dreigend aan.
Die blik in zijn ogen belooft weinig goeds en ik voel me nu min of meer verplicht om ook overeind te komen.
“U gaat haar toch niet slaan, hoop ik,” zeg ik grijnzend in een poging om ontwapenend over te komen.
De man kijkt me verdwaasd aan en gaat er vervolgens op een sukkeldrafje vandoor in de richting van de aan het park grenzende woonwijk.
“Het is een patiënt,” legt de vrouw waar de man ruzie mee had uit.
Ze draagt een naamplaatje en blijkt dus bij het verpleeghuis te werken.
“Hij mag niet weg,” voegt ze eraan toe en kijkt hem na en dan naar mij met een blik van ‘doe er eens wat aan’.
In een opwelling zet ik dan maar de achtervolging in.
“Ik zal hulp van collega’s inroepen!” roept de zuster me na.
Ik heb de man vrij snel ingehaald en vraag me af wat me nu te doen staat.
“Volgens mij willen ze van het tehuis dat u nog even terugkomt,” zeg ik zo vriendelijk mogelijk.
“Ik wil naar huis,” zegt de man.
“Als u nou eerst even met me mee teruggaat, zullen ze dat daar vast wel voor u regelen.”
“Ik wil naar huis,” herhaalt de man.
“Kom, ik geef u wel een arm,” zeg ik. “Dan gaan we samen terug.”
Ik steek mijn linkerarm onder zijn rechterarm door en pak met mijn rechterhand  zijn onderarm bij de pols vast en samen lopen we innig gearmd terug.
Even lijkt hij zich uit die innige omarming te willen bevrijden maar ik heb zijn arm stevig omklemd en gooi mijn gewicht in de strijd om op koers te blijven.
Gelukkig komt hij niet op het idee om iets met zijn vrije arm te doen.
Verder probeer ik hem af te leiden door onafgebroken tegen hem aan te kletsen.
“Misschien wilt u direct wel een kopje koffie?”
“Ik wil naar huis.”
“Of heeft u liever thee?”
“Ik wil geen thee. Ik wil naar huis.”
“U wilt natuurlijk een biertje in plaats van koffie of thee,” opper ik schalks.
“Ik wil geen bier. Ik wil naar huis.”
“Er is geen huis meer,” fluistert de zuster die inmiddels gearriveerd is. “Toen zijn vrouw overleden was, kon hij niet voor zichzelf zorgen wegens dementie. Hij zit nu bij ons tot er een definitieve oplossing is gevonden.”
De man probeert haar met zijn vrije arm te slaan.
“Ah, nou weet ik het! U wilt natuurlijk een echte Hollandse jenever,” ga ik onverstoorbaar verder.
“Ik wil naar huis.”
“We drinken eerst een kopje koffie om alles rustig te bespreken.”
“Ik wil geen koffie.”
Net als ik op de herhalingstoer wil gaan en op het punt sta om een kopje thee voor te stellen, zijn we bij de ingang van het tehuis aanbeland.
De opgeroepen versterking blijkt een klein mannetje in een witte jas te zijn.
“Hij moet naar de lift,” zegt hij en kijkt me vragend aan.
Met z’n vieren komen we bij de lift die net zijn deuren opent.
Twee zusters stappen uit.
De man wil zich losrukken maar ik heb hem stevig vast.
“Zal ik anders maar even meegaan met de lift?” stel ik voor.
“Als u dat wilt doen: graag,” klinkt het snel.
En zo gaan we met zijn zessen omhoog terwijl het verpleegkundig personeel op de man inpraat.
Van dat gedoe ben ik in ieder geval af.
Even later zijn we op de juiste afdeling aangekomen en de man is inmiddels rustig geworden.
Omringd door zorgverleners zit hij op een bankje met een kopje koffie en luistert afwezig naar wat er tegen hem gezegd wordt.
Ik sta er maar een beetje bij en besluit om weg te gaan.
“Nou, dan ga ik maar eens,” kondig ik aan.
Ik word hartelijk bedankt en wandel vervolgens naar de uitgang van de afdeling.
De deur blijkt op slot te zijn en ik hoor stappen achter me.
“Sorry. Het is hier een gesloten afdeling. Door de drukte waren we vergeten dat u er niet uit kunt.
Hij opent de deur zodat ik terug kan naar het terrasje waar mijn tante vredig zit te roken.
Ik zit nog niet of de vrijwilligster van het buffet komt ons twee gratis cappuccino´s brengen.
“Die heeft u wel verdiend,” zegt ze. “Als het hem gelukt was om weg te lopen, hadden we we een groot probleem gehad. Normaal kan hij er niet uit maar hij is er tijdens een bezoek aan een activiteit vandoor gegaan.”
Ik bedank de vrijwilligster en tante Mecheline en ik praten nog wat over koetjes en kalfjes tot ik haar weer naar haar kamer terug breng.
Als ik twee weken later weer op bezoek ben, komt er na enige tijd een man op me af met een doosje in cadeauverpakking.
Het blijkt een leidinggevende van het verpleeghuis te zijn die mij officieel nog even wil bedanken.
Hij had met de vrijwilligster die mij van gezicht kende afgesproken dat zij hem een seintje zou geven als ik er was.
Ze vonden het erg attent van mij dat ik op tijd had ingegrepen maar door de hectiek van twee weken geleden was het bedanken er een beetje bij ingeschoten en dat wilde hij namens directie en personeel van Verpleeghuis Oostergouw nu rechtzetten.
Verlegen neem ik het pakje in ontvangst en mompel dat ik het erg attent vind dat ik alsnog officieel bedankt word.
De man herhaalt nog eens dat ik voortvarend gehandeld heb en verontschuldigt zich dan dat hij terug moet naar de vergadering waar hij van weggeroepen is.
De inhoud van het pakje blijkt een metalen bloem op een standaardje te zijn.
Ik vermoed dat het iets symbolisch is dat ze geven aan iemand die iets speciaals heeft gedaan, maar zeker weten doe ik dat niet.
Trouwens, zó speciaal vind ik mijn actie nou ook weer niet.
Als die oudere dame aan het tafeltje naast ons niet overeind gekomen was om in te grijpen, was het zelfs nog maar de vraag of ik wel in actie gekomen zou zijn.
Eigenlijk had ik zo attent moeten zijn om die leidinggevende dáár op te wijzen.
Te laat!
Mijn metalen bloemetje staat inmiddels al een paar jaar onopvallend tussen de andere spulletjes die ik voor de gezelligheid op mijn vensterbank gezet heb.