Archive for mei, 2018

Leven

Author: jeroenstamgast

Hij werd die ochtend een uur vóór de wekker wakker.
Nu gebeurde dat wel vaker maar deze keer had hij niet de daar bijbehorende gevoelens van onrust en vage angst.
Toen hij zich uitrekte voelde hij zich zelfs behaaglijk in zijn warme bed.
Meestal had hij een zenuwenmaag aan het begin van een nieuwe dag en was in bed blijven liggen na het ontwaken geen optie maar nu liet hij zich nog even lekker wegzakken.
Een kwartier later kwam hij overeind, scharrelde wat kleren bij elkaar en stommelde naar de WC.
Opgelucht en nog steeds verwonderd over zijn redelijk positieve gevoel, gaapte hij uitgebreid.
Meestal begon hij zich pas na het douchen prettiger te voelen.
Hij schraapte zijn keel terwijl hij de kraan van de douche opendraaide en voelde hoe het water de juiste temperatuur aannam.
Daar gaat ie dan, dacht hij en liet het water over zijn lichaam spoelen.
Het afdrogen duurde niet lang en hij trok zijn meegenomen kleren over zijn nog niet geheel droge lichaam aan.
Hij slofte naar de keuken, trok de gordijnen open en keek naar de parkeerplaats waar de eerste auto´s alweer verdwenen waren.
“Arbeid adelt,” mompelde hij. “Maar het blijven proletarische sukkelaars die naar hun werk gaan. Oh, die daar gaat naar de sportschool.”
Niet zonder interesse keek hij naar de mooie benedenbuurvrouw die naar haar sportautootje huppelde.
Hij mompelde iets onverstaanbaars en keek naar de kale boompjes die een paar jaar geleden geplant waren om de buurt wat minder ‘stenig’ te maken.
Het is winter, dacht hij. De buurt hier is net zo naargeestig als altijd. Als ik een boom was zou ik me afvragen wat ik hier te zoeken heb.
In de verte klonk het geluid van een politiesirene en daarna dat van een ambulance.
Het leven gaat weer z’n gangetje, concludeerde hij. Een geruststellende gedachte.
Hij opende de deur van de koelkast waarin zich niet veel meer bevond dan kaas, melk en boter die hij dan ook pakte.
Hij sloeg een handvol pillen uit verschillende potjes achterover en zette zich aan zijn broodje.
Al kauwende op de laatste resten zette hij het koffiezetapparaat in werking en luisterde naar het zacht pruttelende geluid.
Even later stond hij met een kop hete koffie in zijn hand door het keukenraam naar buiten te staren en zag de parkeerplaats steeds leger worden.
“Genoeg voor vandaag,” besloot hij en trof voorbereidingen voor zijn dagelijkse wandeling.
Hij stopte wat spulletjes in een oude boodschappentas, trok zijn jas aan en sloot de buitendeur achter zich.
Het waaide een beetje tussen de flatgebouwen maar het was niet koud.
Hij keek eens om zich heen en toen naar boven naar de plek waarachter zijn woning zich bevond.
“Wie had dat een jaar geleden gedacht?” mompelde hij in zichzelf. “Maar het is goed zo.”
Hij stak de parkeerplaats dwars over en volgde daarna de weg met de kale boompjes tot hij een paar straten verderop bij een park uitkwam.
Helemaal achter in het park was een lelijk bankje met uitzicht op een drukke verkeersweg.
Allemaal mensen in blik die van hot naar her rijden zonder te weten waarom, dacht hij. En ik zit hier zonder te weten waarom maar ik zit in ieder geval op m´n gemak.
Zijn aanwezigheid bleef niet onopgemerkt want allerlei vogels van verschillende pluimage begaven zich in zijn richting en scharrelden om hem heen.
“Ja ja, mijn gevederde vriendjes. Ik weet het wel. Jullie komen niet voor mij maar voor het voedsel.”
Hij opende zijn boodschappentas en haalde daar een paar zakken met brood uit.
“En voor mij is er koffie,” zei hij en schonk wat uit een thermoskan in een mok.
Hij gooide telkens een stukje brood naar een vogel die hij uitkoos met de bedoeling tot een zo eerlijk mogelijke verdeling te komen en gewoon omdat hij dat leuk vond.
Vooral zielige vogeltjes probeerde hij te bereiken, wat niet altijd lukte.
Af en toe nam hij een slokje koffie en ging door met voeren tot het brood op was.
De vogels verloren hun interesse en verspreidden zich over het park.
Hij bleef nog een tijdje zitten en dacht aan niets tot hij het koud begon te krijgen en opstond.
Weer thuisgekomen, liep hij naar de enige plant die er in zijn karig ingerichte woning te vinden was.
Het was een groot exemplaar, bijna net zo kaal als de bomen buiten.
Slechts een enkel blad hing lusteloos de plant uit te hangen.
“En toch denk ik dat je het gaat redden,” mompelde de man.
Hij zuchtte en ging languit op de bank liggen waar hij net oppaste en sloot de ogen.
Ik hoef lekker helemaal niets, dacht hij en viel al snel in slaap.
Een uur later at hij een appel en een paar plakken ontbijtkoek.
Hij trok zijn jas aan en liep opnieuw door de winderige straat met de kale boompjes.
Het park liet hij links liggen en hij wandelde in een rustig tempo door tot hij bij het station uitkwam en het hotel-restaurant vlak daarnaast.
De spits zal zo wel op gang komen, dacht hij. Iedereen lekker druk en gehaast.
Hij ging het hotel-restaurant binnen en wilde al naar zijn vaste tafeltje gaan met goed uitzicht op de reizende meute toen hij tot zijn schrik een bekende zag.
Snel omdraaien had geen zin meer want de bekende had hem ook gezien.
“Hé Ralph!” riep de bekende. “Dat is een tijd geleden. Hoe is het?”
Ze schudden elkaar de hand.
“Ach, het gaat zo z’n gangetje,” antwoordde Ralph zonder enthousiasme.
“Laten we even wat drinken. Ik heb net mijn trein gemist dus we hebben bijna nog een half uur,” sprak de ander enthousiast. “Wat mag het zijn?”
“Doe maar een cappuccino,” zei Ralph en koos een plaats zo ver mogelijk van zijn vaste tafeltje af.
“Geen whisky meer?” vroeg de bekende verbaasd. “Daar was je niet bepaald vies van kan ik me herinneren.”
“Ja, maar nu hoef ik niet meer zo nodig.”
“Zoals je wilt.”
Even later zaten ze wat onwennig tegenover elkaar met een cappuccino en een dubbele whisky tussen hen in.
Het gesprek wilde niet erg vlotten en uiteindelijk vroeg de bekende gewoon wat hij wilde weten.
“Van de ene op de andere dag was je verdwenen; met de noorderzon vertrokken. Niemand, zelfs ik niet- terwijl we toch een goed contact hadden- heeft ooit meer iets van je gehoord. En dan kom ik je 150 km verderop in deze lelijke stad tegen omdat ik hier stomtoevallig moest zijn. Wat doe je hier?”
“Niets.”
“Niets?”
“Ja, niets. Ik leef een beetje door niets te doen.”
“Maar je had een glanzende carrière, succes, rijkdom, macht, je reisde de hele wereld over en kwam op de mooiste plaatsen, je had… Ik bedoel, dat heb je toch niet allemaal achter je gelaten?” vroeg de bekende en keek Ralph vol ongeloof recht in de ogen.
“Ja,” grijnsde Ralph en keek bijna vrolijk terug. “Luister, ik zal je in het kort alles vertellen omdat we inderdaad vroeger wel met elkaar optrokken maar dan moet je me plechtig beloven om me daarna met rust te laten en aan niemand te vertellen dat ik tegenwoordig hier zit.”
“Afgesproken,” beloofde de bekende.
“Wat je net allemaal zei over dat succes en zo, klopt maar er was wel een belangrijke keerzijde. Ik werkte op de toppen van mijn kunnen, bang als ik was om allerlei doelstellingen niet te halen en ook begon ik allerlei lichamelijke klachten te ontwikkelen. Slapen ging ook steeds slechter en ik zag op het laatst overal als een berg tegenop. Mijn leven en het leven om me heen voelde als één grote leugen waar ik niet meer mee om kon gaan. Op een dag viel ik in slaap achter het stuur van mijn mooie dure sportwagen en als door een wonder belandde ik in een weiland en kwam ongedeerd met de schrik vrij. Toen besefte ik de waarde van het leven. Maar dan wél van het leven op zich. Niet het gemaakte namaakleven dat ik leidde. Ik heb mijn baan opgezegd, al mijn bezittingen verkocht en ik leef nu heel eenvoudig van het geld dat het heeft opgebracht. Ik heb berekend dat ik het op deze manier zeker tot mijn tachtigste kan uithouden. Ik ben volledig onafhankelijk en heb met niemand iets te maken. Geen enkele verplichting of drang meer om iets te presteren of te ondernemen. Eindelijk rust! Ik hou me bezig met leven. Dat is genoeg.”
“Maar wat doe je dan zo’n hele dag?”
“Niets. En als ik iets doe, dan doe ik dat omdat ik het leuk vind. Zo zorg ik nu bijvoorbeeld voor een plant.”
“Je zorgt voor een plant?”
“Ja. Iemand had een plant bij de vuilnisbak gezet die nog niet helemaal dood leek. Ik heb hem voor de lol mee naar huis genomen, nieuwe aarde gegeven en ik verzorg hem goed. Dat vind ik nou leuk.”
De bekende nam een flinke slok van zijn whisky en keek op zijn horloge.
“Sorry, het is tijd. Ik moet nu gaan anders mis ik nog mijn trein. Nou, het beste ermee en doe de groeten aan je plant.”
“Zal ik doen.”
De bekende stond op en haastte zich naar buiten.
Ralph keek hem grijnzend na, bestelde een whisky en ging aan zijn vaste tafeltje zitten.
Na anderhalf uur niets doen ging hij naar huis en bereidde daar een eenvoudige maaltijd.
Toen de afwas gedaan was bestudeerde hij de inhoud van zijn goed gevulde boekenkast en haalde daar het boekje ‘de uitvreter’ van Nescio uit.
“Dat lijkt me een mooi boek om vandaag weer eens te lezen,” vond hij.
Vóór het slapen gaan keek hij nog even aandachtig naar zijn plant.
“Ik denk dat je het gaat redden,” sprak hij bemoedigend.
Na het tandenpoetsen nestelde hij zich in zijn bed.
Wéér een dag geleefd, dacht Ralph en viel in een diepe slaap.