Archive for the ‘Ingrediënten’ Category

De Tijd en zijn passanten

Author: jeroenstamgast

De Tijd en zijn passanten

Het is vandaag vrijdag 8 december 2017, iets na tienen in de avond.
Ik ben alleen thuis en kijk naar een sinterklaasgedichtje in klad dat ik gevonden heb tussen allerlei paperassen in de grote lade van mijn oude PTT-bureau.
Eigenlijk was ik van plan geweest om nog wat te lezen in het boek dat ik voor me heb liggen maar een zekere onrust had me daarvan weerhouden.
Ik lees het rijmpje dat ik in 2011 geschreven heb voor een meisje uit mijn klas waar ik het lootje van getrokken had en ga weer terug naar de tijd dat ik onderwijzer was.

Madrid, 5 december 2011

Lieve Iris

Wie stuitert daar lachend door de school
Wie verkoopt luidruchtig opgewonden apenkool
Wie hoor je boven alles uit
Wie vliegt er ergens gierend tegen een ruit
Wie valt er lachend op de grond
Wie strooit er voortdurend onzin in het rond
Dat is Iris, bron van onrust in groep 8
Maar ze is ook lief en haar karakter dat is zacht
Ze zorgt voor warmte en gezelligheid
Ze wil iets, daar kan ze al die eigenschappen kwijt
Later wil ze werken in café of restaurant
Al kletsend bedienen en alles fijn aan kant
Het wordt vast een goed lopende zaak die ze runt
Met Iris zelf natuurlijk als stralend middelpunt
Iris, en dat wil Sint nog even kwijt
Hij vindt je echt een leuke lieve meid!

Sinterklaas

Iris was inderdaad een van die kinderen waar ik een zwak voor had omdat ze zo lekker ‘kind’ was.
Ze rommelde maar wat aan en flapte alles eruit wat in haar opkwam.
In de klas kwam dat wel eens niet gelegen maar ik had daar geen problemen mee omdat ze nou eenmaal zo was en ze door haar vrolijke spontaniteit ook gezelligheid bracht.
Ik ben benieuwd wat er van haar geworden is en wat er verder nog van haar zal worden.
Want dat heb je als onderwijzer natuurlijk.
Je trekt een jaar intensief met elkaar op en daarna verlies je elkaar uit het oog.
Af en toe kom je nog wel eens een oud-leerling tegen en maak je een praatje met elkaar.
Vaak zie ik dan door het huidige uiterlijk heen het kind nog voor me dat het ooit was maar dat het nu natuurlijk niet meer is.
Sommige kinderen zijn zelfs onherkenbaar veranderd, getekend door het leven of juist opgeknapt.
Toch blijf je voor hen, als je ze tegenkomt , die onderwijzer van vroeger en zij zijn weer even het kind uit de klas van toen.
Dat had ik zelf ook als ik heel af en toe eens een leraar van vroeger tegenkwam .
Ik spreek nu in de verleden tijd omdat de kans dat ik nog een exemplaar tegen het lijf zal lopen, gezien mijn leeftijd, wel niet groot zal zijn.
Meestal blijft het bij een vrijblijvend praatje maar soms komt het tot een echt gesprek.
Jaren geleden kwam ik eens een knappe vrouw tegen die mij aansprak en die ik in eerste instantie niet herkende.
Het bleek een oud-leerling van mij te zijn.
Ze wilde me graag iets vertellen en vroeg of ze daarom bij me langs mocht komen.
Ik gaf haar mijn adres en een week later kwam ze inderdaad op bezoek.
Toen ze nog bij mij in de klas zat, had ze me op een dag in vertrouwen genomen en verteld dat haar vader een relatie met een andere vrouw dan haar moeder had.
Thuis was er vaak ruzie en ze voelde zich bang en machteloos.
Ik bood haar dat schooljaar regelmatig een luisterend oor en probeerde haar op te beuren, voor zover dat natuurlijk mogelijk was.
Professionele hulp van buitenaf wilde ze absoluut niet.
Ze had me pas in vertrouwen genomen nadat ik beloofd had dit aan niemand te vertellen, wat ik inderdaad ook niet gedaan heb.
Na het verlaten van de basisschool, heb ik haar niet meer gesproken.
Vanuit het voortgezet onderwijs hoorden we, bij het doorspreken van onze oud-leerlingen, dat zich geen problemen voordeden en ik hield me inmiddels bezig met de kinderen die ik toen weer in de klas had.
Om eerlijk te zijn dacht ik niet zo veel meer aan haar.
Na wat algemeenheden tijdens de koffie bij mij thuis vertelde ze me dat er wel méér aan de hand was geweest dan wat ze me indertijd verteld had maar dat het nu, na een moeilijke jeugd, goed met haar ging en dat ze het belangrijk vond dat ik dat wist.
Ik voelde me wat ongemakkelijk omdat ik door wat ze vertelde tot de conclusie was gekomen dat ik als onderwijzer niet doortastend genoeg was geweest.
Bovendien nam ik het mezelf kwalijk dat ik, na haar vertrek van de basisschool, geen contact met haar gehouden had.
Zij zag dat gelukkig anders.
In dat jaar dat we af en toe een gesprekje hadden, was de basis gelegd voor een houding om met de situatie om te kunnen gaan en dat wou ze me na al die jaren ook laten weten.
We praatten verder nog wat over koetjes en kalfjes en toen stapte ze weer op.
Sindsdien heb ik nooit meer iets van haar vernomen.
Zo gaan die dingen.
Op een bepaald moment kan iets belangrijk zijn, om daarna zijn urgentie te verliezen.
Zo zullen het sinterklaasfeest met de surprises en gedichten in 2011 op dat moment ongetwijfeld veel betekend hebben voor de kinderen maar daarna vervaagt de herinnering aan die gebeurtenis en de mensen die daar deel van uitmaakten.
Tenslotte zijn we niet méér dan passanten in de tijd.
Het is nu trouwens zaterdag 9 december en het loopt tegen enen.

Nietszeggende romantiek in uniform

Author: jeroenstamgast

Nog even en dan zou ik afzwaaien.
Een moment waar ik meer dan een jaar reikhalzend naar uitgekeken had maar dat nu onverwacht veel van zijn glans verloren leek te hebben.
Een speling van het lot die mij op de valreep nog even een rare poets bakte.
Nou mocht ik eindelijk de dienst uit en nou wilde ik niet.
Op de militaire administratie waar ik als dienstplichtig militair op de afdeling ‘overplaatsing onderofficieren’ werkte, liet men mij steeds meer met rust waardoor ik redelijk opgewekt kon doen wat er gedaan moest worden.
Maar dat was niet de reden van mijn verminderde enthousiasme over het naderend einde van mijn baantje als ‘toegevoegd schrijver’.
De werkelijke reden was de leuke vriendengroep die een paar weken daarvoor ontstaan was.
Die vriendengroep bestond uit een aantal dienstplichtige soldaten, aangevuld met leuke KVV’ers, oftewel Kort Verband Vrijwilligers.
Die KVV’ers waren meisjes die voor vijf jaar getekend hadden bij de marine, de luchtmacht of de landmacht en werkten op de militaire administratie in Den Haag.
Marva’s, luva’s en milva’s werden ze genoemd.
Marva’s van de marine, Luva’s van de luchtmacht en Milva’s van de landmacht.
Eigenlijk hadden de milva’s volgens mij Lama’s moeten heten maar dat klonk zeker te raar.
Overdag liepen ze in uniform rond maar ’s avonds als we de stad ingingen, zagen ze er in hun eigen kleding zeer aantrekkelijk uit.
Het was allemaal heel toevallig begonnen.
Collega Jaap werkte op een afdeling waar ook milva’s en marva’s werkten en zijn enthousiasme daarover werkte aanstekelijk.
Daarom hadden we een keer afgesproken in de kantine van de grote kantoorflat tijdens de pauze en we keken onze ogen uit naar al dat moois.
Later kwamen we elkaar vaker tegen tijdens de pauzes en leerden we elkaar een beetje kennen.
Dat smaakte naar méér.
De wintermaanden hadden we ’s avonds als jongens onder elkaar op de kazerne doorgebracht maar nu het lente was geworden, vond Jaap dat het hoog tijd werd om de stad in te gaan- met de meisjes natuurlijk.
In de bioscoop draaide de toenmalige tophit ‘Saturday Night Fever’ en die gebruikten we als lokkertje om de meiden mee te krijgen.
Normaal gesproken was dit niet mijn soort film maar daar moest ik me dan maar overheen zetten.
Na afloop gingen we ergens wat drinken en werd het nog gezellig op de koop toe.
We waren maar net op tijd terug bij de kazerne en namen ons bij het afscheid voor om vaker uit te gaan, wat we inderdaad ook deden.
Het ging er overigens allemaal heel onschuldig aan toe.
Echte grote vrijpartijen waren er niet maar we voelden ons wel tot elkaar aangetrokken en we tastten voorzichtig af- vooral figuurlijk- wie bij wie zou horen.
Karin vond ik veruit het aantrekkelijkst maar ze leek me zo onbereikbaar mooi, dat ik me op
Sonja concentreerde.
Behalve naar de film en het café gingen we ook een keer trimmen in het duingebied want die meiden waren sportief aangelegd en daar wilden wij als stoere kerels natuurlijk niet voor onder doen.
Karin moest vreselijk lachen om mijn kanariegele trainingspak dat mijn moeder een keer voor me in de uitverkoop gekocht had.
Zelf was ze gekleed in een charmante sportoutfit en ook Sonja droeg iets moois waardoor ik me voelde als een dikke kanarie die voor het eerst uit vliegen ging.
Tijdens het trimmen ging ik ook nog eens op een onhandige manier onderuit omdat ik een op de grond gevallen tak wilde ontwijken en daardoor het gat niet zag waar ik vervolgens mijn voet inzette, waardoor ik mijn evenwicht verloor en voorover in de bosjes vloog.
Karin lachte het hardst van allemaal.
Later in de kroeg beklaagde ik me daarover bij Sonja.
Sonja keek me op een vreemde manier aan.
“Heb je nou echt niets in de gaten?” vroeg ze.
“Wat bedoel je?”
Ze boog zich naar me toe.
“Ze is gek op je,” zei ze zachtjes. “Daarom doet ze zo.”
“Maar ze gaat toch met Jaap?”
“Welnee! Ze gaat niet met Jaap. Niemand gaat met iemand. We hebben thuis in de weekends allemaal ons eigen leven. Hier gaan we gewoon leuk met elkaar om. Wij twee hebben toch ook geen verkering. Of wel soms?”
“Nee! Nou ja, ik bedoel…” hakkelde ik.
“Wat ben jij ook een rare. Volgens mij heb jij al een tijd een oogje op Karin. Doe dan eens wat!”
Ze keek me vorsend aan en ik bloosde als een kleine jongen die zich betrapt voelde.
“Wát moet ik dan doen?”
“Jeminee! Van welke planeet kom jij? Moet ik je nou alles voorkauwen? Besteed om te beginnen eens wat aandacht aan haar.”
“Maar vind jij dat niet erg dan?”
Sonja zuchtte diep.
“Jeroen, ik vind je echt een leuke knul maar ik heb thuis al een vriendje. Karin niet en ze heeft mij verteld dat ze gek op je is. Dus…”
Ze keek me veelbetekenend aan.
Ik keek naar Karin die net naar mij keek.
Ze glimlachte.
Ik glimlachte terug en voelde een aangename gloed door mijn lijf gaan.
De laatste dagen tot mijn afzwaaien brachten we na ons werk op de administratie zoveel mogelijk samen door.
Zo kwam ik ook te weten waarom ze voor een baantje in dat- in mijn ogen- belachelijke uniform gekozen had.
Karin kwam uit Limburg waar ze na haar middelbare schooltijd geen baan had kunnen vinden.
Haar vader, die beroepsmilitair was, had haar geadviseerd om voor vijf jaar te tekenen en zo was ze in Den Haag terechtgekomen en combineerde ze werk met een opleiding.
Nu de tijd van mijn afzwaaien aangebroken was, werd het voor ons tijd om elkaar uit te zwaaien.
We beseften dat de vlammetjes van ons liefdesvuur niet groot genoeg waren om de afstand
tussen Limburg en Noord-Holland elk weekend te overbruggen maar we zouden elkaar in
ieder geval schrijven, wat in die tijd wel meer mensen deden.
We zijn tot twee brieven gekomen en die waren nog nietszeggend ook.
Blijkbaar was het gauw gedaan met de romantiek toen ik uit het geüniformeerde wereldje gestapt was.

Op vakantie

Author: jeroenstamgast

Het was half 10 op een zomerochtend die niet aanvoelde als een ochtend in de zomer.
Hij zat aan de keukentafel en keek door het raam naar de grijze wolken die langzaam overdreven.
Nou ja, het is droog, dacht hij en nam nog een slok van zijn koffie.
Naast hem stond de vertrouwde koffer die hij altijd gebruikte als hij eens per jaar een weekje op vakantie ging.
Zoals gewoonlijk had hij de koffer volgestouwd met de bekende spulletjes die hij dacht nodig te hebben.
Het waren altijd dezelfde dingen die hij meenam- van onderbroek tot leesboek- dus hij deed het inpakken routinematig vlak vóór het vertrek.
Verder viel er niet veel te regelen.
Eigenlijk had hij er, zoals gewoonlijk, niet eens zoveel zin in maar hij wist uit ervaring dat dat wel goed kwam als hij eenmaal onderweg was.
Hij leidde een regelmatig leven- een saai leven vonden zijn collega’s- en die paar dagen weg van huis had hij nodig om het verschil tussen de jaren nog te kunnen voelen.
Elk jaar koos hij een plekje in Europa, niet te ver van huis, waar hij nog niet geweest was en dit jaar zou het dan ‘het jaar van de Ardennen’ worden.
Een klein hotelletje, wat wandelen in de omgeving, wat drinken op een terrasje, wat eten in een restaurantje en ’s avonds wat lezen in een goed boek.
Dat was het eigenlijk wel.
Het enige avontuurlijke aan de hele onderneming was, dat hij van tevoren niet wist welk hotelletje het zou worden.
Hij zette het lege koffiekopje in de vaatwasser, pakte zijn koffer, riep: “Dag allemaal! Tot over een week!” tegen de lege woning, deed zorgvuldig de deur op slot en wandelde naar zijn auto die al vele jaren dienst deed.
Hij startte de wagen, mompelde: “Zet ’m op ouwe jongen,” reed rustig de parkeerplaats af en bevond zich al snel op de snelweg.
Er waren geen files en hij kon lekker doorrijden.
In het zuiden van het land aangekomen, tankte hij bij een benzinepompstation, sloeg- zoals altijd als hij op vakantie was- een voorraadje versnaperingen in, gooide die op de stoel naast zich en vervolgde zijn weg.
Opeens vroeg hij zich in een opwelling af waar hij zijn portemonnee gelaten had.
Hij voelde in zijn jaszakken, keek zo goed en zo kwaad als het ging tijdens het rijden naar de spullen op de stoel naast zich, graaide daar nog wat in en kwam tot de verschrikkelijke conclusie dat hij zijn portemonnee kwijt was.
Wat nu?
Misschien had hij hem tijdens het afrekenen bij de kassa laten liggen en zouden ze deze daar voor hem bewaard hebben.
Hij geloofde daar niet echt in maar hij stelde zichzelf graag gerust.
Zodra het kon verliet hij de snelweg, reed langs de lokale wegen een heel eind terug en pakte daarna de snelweg weer op om opnieuw bij het tankstation uit te komen.
Hij wachtte met bonzend hart netjes in de rij bij de kassa tot hij aan de beurt was.
Zijn portemonnee was daar natuurlijk niet.
Verdwaasd staarde hij het meisje achter de kassa aan.
“Het spijt me, meneer,” zei het meisje. “Maar als ik u was, zou ik nu meteen uw bank bellen om uw bankpas te blokkeren vóór ze die leegtrekken.”
“Ja, dat zal ik dan maar doen,” mompelde de man. “Dank u wel.”
Hij zocht een rustig plekje op om te bellen en voelde daarna een golf van paniek opkomen.
Ik moet rustig blijven, dacht hij. Geen paniek. Gewoon de zaken rustig op een rijtje zetten. Wat is de stand van zaken? Portemonnee met geld kwijt, bankpas, creditcard, rijbewijs enzovoort. Een hotelletje in de Ardennen kan ik dus wel vergeten, de hele vakantie dus. Jammer. Kom ik verder in de problemen? Nee, want alles is geblokkeerd en ik heb een volle tank dus ik kan thuiskomen. Een rijbewijs kan ik opnieuw aanvragen, net zoals mijn bankpas, creditcard, ANWB lidmaatschapskaart enzovoort. Nou, dat valt dan weer mee. Over anderhalve week ga ik gewoon weer naar mijn werk en is er niets aan de hand. Eigenlijk valt de schade dus erg mee. Mijn wereld stort niet in. Jammer alleen van de vakantie.
Hij voelde zich al weer opgelucht toen hij in zijn auto stapte.
Eenmaal in de auto, staarde hij geruime tijd voor zich uit en vroeg zich af wat hij zou doen.
Meteen naar huis terug gaan vond hij geen optie.
Hij was een gewoontemens die veel waarde hechtte aan orde en regelmaat- volgens zijn collega’s op het autistische af- en een weekje weg in de zomervakantie was een ritueel dat hij niet wilde overslaan.
Hij keek naar zijn voorraad koek en flesjes drinken en opende de asbak van de auto waar hij af en toe wat kleingeld instopte voor als de nood aan de man kwam.
Door zijn voorspelbare leventje was die nood nog nooit aan de man gekomen dus daar zat aardig wat in.
Niet genoeg voor een hotelletje natuurlijk maar hij kon daarmee wel een paar keer op een terrasje zitten.
Overdag zou hij kunnen doen wat hij altijd deed en in plaats van eten in een restaurant op het einde van de dag, kon hij wat lekkers op een bank in het park eten.
’s Avonds zou hij in zijn boek kunnen lezen tot het donker werd en dan zou hij gaan slapen in zijn auto.
Als hij dat twee dagen en nachten vol wist te houden, zou hij toch het gevoel hebben op vakantie te zijn geweest.
En daar ging het tenslotte om: het jaarlijkse op vakantie gaan was als het ware het baken in zijn leven.
Maar overnachten in zijn auto vond hij een onaangename gedachte en de twijfel sloeg toe.
Toch startte hij de auto met de bedoeling een leuk stadje te vinden, wat hij dan als zijn vakantieadres zou kunnen beschouwen.
Na een tijdje rijden door een mooie omgeving kwam hij bij een alleraardigst oud stadje.
Hij parkeerde de auto op een plek waar het gratis parkeren was en haalde diep adem.
Hier zou hij proberen te doen wat hij altijd deed op vakantie.
Hij stopte het geld uit de asbak in zijn jaszak en zette het op een wandelen.
Hij doorkruiste alle straatjes van het oude centrum, bekeek met interesse historische panden, las hier en daar een plaquette met informatie en ontdekte een aardig museumpje.
Maar nu eerst koffie, dacht hij en ging aan een leeg tafeltje op een gezellig terrasje zitten.
Normaal gesproken zou hij daar appelgebak met slagroom bij genomen hebben maar daar zag hij nu, gezien de financiën, vanaf.
En daar heb ik iets op gevonden, dacht hij ondeugend en graaide in zijn jaszak naar enige meegenomen koeken uit de auto.
Telkens als hij dacht dat niemand keek, haalde hij er stiekem eentje uit en at die schielijk op.
Na een tweede kop koffie was hij door zijn koeken heen en rekende hij af.
Tevreden over zijn eigen slimheid wandelde hij naar het museum maar bij de ingang realiseerde hij zich dat zijn museumjaarkaart zich in zijn verdwenen portemonnee bevond.
“Verdorie,” mompelde hij en vroeg zich af wat hij nu zou doen.
De kerk, dacht hij. Die is gratis en kan ik mooi bezichtigen.
Hij wandelde naar een prachtig oud kerkje dat geopend was voor toeristen en keek zijn ogen uit.
Normaal gesproken zou hij daarna naar zijn hotelletje gegaan zijn om wat te lezen voordat hij ging dineren, dus wandelde hij naar zijn auto en haalde een dik boek uit zijn koffer.
Tevreden opende hij het boek op de plek waar hij gebleven was en vertoefde even in een andere wereld.
Na een half uur was het tijd om in een restaurant te gaan eten.
Hij wandelde naar een snackbar, bestelde een patatje, een berenhap en een pilsje en ging op een bankje zitten dat hij eerder op de middag gezien had.
“Niet gek, zo’n selfservicerestaurant,” grinnikte hij in zichzelf en keek naar de eendjes en de zwanen in de vijver.
En dan nu nog een lekkere kop koffie om dit diner af te sluiten, dacht hij tevreden.
In het café vond hij een plaatsje bij het raam en, genietend van zijn koffie, kwam hij tot de conclusie dat het ondanks alles tóch een leuke vakantiedag geworden was.
Maar nu kwam het gedeelte waar hij tegenop zag: overnachten in zijn auto.
Eerst natuurlijk nog wat lezen maar daarna kwam onverbiddelijk de nacht.
Hij wist dat hij dit niet aan zou kunnen en toen het donker begon te worden en hij zijn boek weglegde, besloot hij om naar huis te gaan.
Thuis aangekomen, nam hij een verkwikkende douche, trok zijn pyjama aan en kroop tevreden in zijn veilige bed.
Morgen zou hij alles regelen zodat hij weer over de noodzakelijke bescheiden zou kunnen beschikken.
Naar de Ardennen zou hij niet meer gaan maar hij zou de week vakantie die hij zichzelf opgelegd had, doorbrengen met een bezoek aan telkens een ander leuk stadje waar hij kon wandelen, zitten op een terrasje, eten in een restaurantje, wat lezen in de auto en dan heerlijk in zijn eigen bed slapen.
Later op zijn werk, toen alle verhalen over vakanties in verre oorden ter sprake kwamen, vertelde hij zijn collega’s dat hij dit jaar een echte ‘thuisvakantie’ gehouden had en dat hem dat uitstekend was bevallen.

Jut en Jul naar het museum

Author: jeroenstamgast

Die dag zouden Jan en ik naar de Hermitage in Amsterdam gaan en, als er nog tijd over was, ook nog naar het Allard Pierson Museum.
Om klokslag 10.00 uur meldde ik me bij de kleine woning van Jan.
Keurig op tijd maar doordat ik het hondje van mijn dochter Amber, die op vakantie was, nog had moeten uitlaten en ik daar meer tijd voor nodig bleek te hebben dan gepland, had ik geen mogelijkheid meer gehad om op internet te kijken naar een geschikte parkeergarage die een beetje op loopafstand tussen beide musea lag.
Jan, die sinds een tijdje eenbenig was, werd door mij in een rolstoel voortgeduwd en dan is het wel handig als je dat over niet al te grote afstand hoeft te doen.
Mijn tekortkoming in de voorbereiding hoefde geen probleem te zijn want ik kon de Tom Tom van mijn broer Marc gebruiken als Jan het adres van de Hermitage opgezocht had.
Bij binnenkomst bleek Jan tot mijn verrassing gereed te zijn voor de reis, wat in het verleden wel eens anders was geweest.
Ik kan me nog een keer herinneren dat we naar Noord-Frankrijk zouden gaan en ik hem schoffelend in zijn tuin aantrof toen ik hem op de afgesproken tijd kwam ophalen.
Daarna had hij nog een half uur naar zijn geld en paspoort moeten zoeken die hij uiteindelijk vond in het borstzakje van zijn overhemd in de wasmand.
Tevreden wielde Jan in zijn rolstoel naar me toe terwijl zijn broek en overhemd onder de koffievlekken kwamen te zitten door een lekkende thermoskan in een tas die hij op schoot hield.
Jammer van de koffie en de vlekken maar we besloten meteen op pad te gaan.
Jan wist zich, via een speciale plank, van zijn rolstoel naar de zitting van mijn auto te werken, een kunstje waar hij steeds handiger in werd.
Het inklappen van de rolstoel ging moeizaam maar in ieder geval niet zo klungelig meer als de eerste keren en, als ik de Tom Tom ingesteld had, konden we gaan.
Waar ik bang voor was geweest, gebeurde: ik kreeg het navigatiesysteem niet aan de praat.
Het programma startte wel op, maar daarna blokkeerde de hele handel.
Mijn reputatie van iemand die niet met moderne apparaten kan omgaan werd weer eens waargemaakt en ik voelde de gebruikelijke woede al weer opkomen.
In het begin wist ik nog rustig te blijven maar al snel verloor ik mijn geduld en smeet ik het onding rücktsichtloos naar achteren in mijn auto.
Boos om mijn niet aflatende onvermogen om met mijn tijd mee te kunnen gaan, reden we weg.
Jan probeerde me te kalmeren door onverstoorbaar gezellig te kletsen en ik probeerde daarin mee te gaan, wat me op een gegeven moment ook min of meer lukte.
Toen het echt gezellig begon te worden, kwam ik er achter dat ik op de automatische piloot had gereden en dat we richting Utrecht gingen i.p.v. Amsterdam.
Dat had ik dan weer mooi voor elkaar!
We verlieten de snelweg en via allerlei omweggetjes kwamen we op een weg die ik kende en die richting Amsterdam ging.
In Amsterdam was het uitzonderlijk druk en we reden in een soort file van verkeerslicht naar verkeerslicht zonder dat ik precies wist waar ik heen moest gaan.
We stonden meer stil dan dat we reden en mijn oude Lada waar ik zo blij mee was, begon rooksignalen vanonder de motorkap af te geven.
Al vrij snel ontwikkelde zich een grote rookpluim en iemand klopte op mijn raampje om me er attent op te maken dat er zich een grote plas vloeistof onder mijn auto begon te vormen.
Ik bedankte hem voor de waarschuwing en was blij dat ik de Keizersgracht op kon draaien en daar zowaar een plaatsje vond waar ik de auto kon neerzetten zonder het doorgaande verkeer te belemmeren.
Ik opende de motorkap en zag tot mijn opluchting dat de rook uit stoom van kokend water bleek te bestaan en dat het niet de motor was die in brand stond.
Een passerende stadsgids met een tiental volgelingen wees naar een paar mooie gevels waar niemand naar keek.
De rokende Oost-Europese auto van een model dat je niet veel meer zag rijden en nu helemaal niet meer reed, mocht zich in een grotere belangstelling verheugen.
Geforceerd vriendelijk knikte ik de belangstellenden toe.
Drie aardige jonge agentes op dienstfietsen, informeerden of alles in orde was en moesten lachen toen Jan, vanuit zijn autoraampje, voor alle zekerheid olijk met zijn invalidenpas zwaaide.
De agentes gaven me het voor de hand liggende advies om de ANWB te bellen.
Ik bedankte ze voor de belangstelling en de goede tip en belde inderdaad de ANWB, die beloofde dat er binnen een uur iemand zou komen .
Meer kon ik niet doen en ik ging weer naast Jan in de auto zitten.
Gek genoeg was ik niet boos over de autopech maar opgelucht dat me dit nu overkwam en niet een paar weken geleden toen ik nog over de stille wegen van het Noord-Franse platteland had gereden.
Jan en ik raakten zoals gewoonlijk weer gezellig aan de praat over van alles en nog wat, tot het moment kwam dat Jan op luidruchtige wijze zijn voorraad eten en drinken begon te verorberen.
Ik had geen trek, stapte uit en bekeek, lui leunend tegen de auto, het drukke Amsterdamse stadsleven.
Nadat ik een paar toeristen de weg naar het Anne Frank Huis had gewezen, draaide dan toch de ANWB auto de Keizersgracht op.
Ik vertelde wat er gebeurd was en de monteur wist meteen hoe de vork in de steel zat.
Door het filerijden werd de motor warm en doordat de fan niet was gaan draaien door een storing in de elektriciteitsvoorziening, werd het koelwater tot het kookpunt opgewarmd.
Hij kon het probleem tijdelijk oplossen door de fan direct met de accu te verbinden zodat deze constant bleef draaien en wij in ieder geval naar huis konden.
Uiteraard zorgde hij eerst voor een nieuwe voorraad koelvloeistof.
We bedankten de monteur, zagen af van ons museumbezoek en gingen ervandoor.
Jan zette ik bij hem thuis af en daarna reed ik door naar mijn eigen huis.
Daar zette ik de motor af, opende de motorkap en verbrak, zoals uitgelegd, de stroomvoorziening vanuit de accu zodat de fan stopte met draaien.
Inmiddels was het half vier en ik zette een kopje koffie om in alle rust dit dagje cultuursnuiven dat in rook was opgegaan, te overdenken.
Ik vind museumbezoek helemaal niet saai, zoals sommige mensen beweren, maar zo avontuurlijk als deze dag hoeft voor mij nou ook weer niet.

Tijdelijk geluk

Author: jeroenstamgast

“Ik lijk wel gek om hier af te spreken in deze tijd van het jaar,” mompelde de al wat oudere man op het bushaltebankje en kroop nog dieper in zijn winterjas.
De bushalte bood weinig beschutting tegen de kille zeewind die door de lege straten van de badplaats blies.
De man keek op zijn horloge en zag dat het middernacht geweest was.
“Ik geef haar nog tien minuten en dan ga ik naar huis.”
Ik had beter in de auto kunnen blijven zitten, dacht hij vijf minuten later en keek naar de parkeerplaats verderop.
Daar kwam net een auto aanrijden.
Zou dat haar zijn?
De lichten van de auto doofden, de motor werd afgezet en hij hoorde het openen en dichtslaan van een autoportier.
“Ja dus,” bromde de man. “Ik ben benieuwd wat ze van me wil.”
Een flamboyant geklede dame kwam aarzelend op hem afgelopen.
Ben benieuwd met wie ik te maken zal krijgen, dacht de man schamper. Anastasia, de wereldberoemde zangeres of Annie, het meisje uit mijn jeugd.
Anastasia of Annie kwam met uitgestrekte armen op hem af en wisselde met hem de drie bekende zoenen in de lucht uit.
“Fijn dat je op mijn uitnodiging inging en wilde komen,” zei ze vriendelijk.
“Dat was niet zo’n moeite hoor,” sprak de man. “Maar waarom in ’s hemelsnaam hier in die bushalte in de kou en dan ook nog zo laat?”
De vrouw glimlachte.
“Omdat we elkaar hier langgeleden voor het laatst gesproken hebben en dat leek me een symbolisch mooie plek om elkaar weer eens te ontmoeten. En dat moet dan wel ’s avonds laat want anders zouden de mensen me herkennen en dan is het gedaan met de rust en de mogelijkheid om tot een gesprek te komen.”
“Dus je bent vanavond gewoon Annie?”
“Ja, gewoon Annie. Annie, die wil weten hoe het met haar eerste en enige grote liefde is gegaan in al die jaren.”
Ze keek vertederd naar de man die haar wantrouwig aankeek.
“Is dat niet een beetje laat, nadat je me vijftig jaar links hebt laten liggen?”
“Daar heb ik spijt van,” reageerde Annie snel. “Hoe ouder ik word, hoe meer ik tot het besef kom dat er andere zaken belangrijker zijn dan geld en succes. Je kent de uitdrukking toch wel: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.”
“Die ken ik, ja. Maar dit noem ik niet meer ten halve keren hoor. We zitten zo’n beetje op het end van de rit. Bovendien, wat valt er nog te keren? Jij hebt jouw leven geleid en ik het mijne. Er valt niets meer te keren!”
“Nou word je toch wel heel cynisch, Karel,” pruilde Annie. Ik had natuurlijk wel verwacht dat je zo je bedenkingen zou hebben om me weer te zien. Ik had zelfs verwacht dat je niet zou willen komen. Maar nu je er dan tóch bent, kunnen we toch praten. Over hoe het gaat en zo.”
“Over hoe het gaat en zo,” herhaalde Karel zuchtend. “Nou, het gaat wel. Mijn vrouw is een jaar geleden overleden maar ik vind veel steun bij mijn kinderen en kleinkinderen. En dan zijn
er nog de jongens van de biljartclub en de voetbal. Het is natuurlijk niet te vergelijken met
jouw heftige en afwisselende leven in allerlei plaatsen op de wereld die er toe doen maar ik heb er vrede mee.”
Karel keek naar een man die, voorovergebogen leunend tegen de wind, zijn hond uitliet.
Een dikke kat dook schichtig onder een kale heg door.
In de verte klonk vanuit zee het geluid van een scheepshoorn.
“Zeg, zullen we even wat gaan lopen,” stelde Karel voor. “Ik krijg het koud van dat stilzitten.”
Ze stonden op en wandelden naar de strandopgang.
“De laatste keer dat we elkaar hier zagen was het hoogzomer,” mijmerde Annie.
“Nadat je het uitgemaakt had begon voor mij een lange winter. Het ergste vond ik nog dat je steeds meer succes kreeg en de ene relatie na de andere aanging. Allemaal met beroemde mannen natuurlijk. Ik ben nog wel eens naar een optreden van je geweest met de bedoeling je in de kleedkamer op te zoeken maar ze lieten me niet toe. Daarna heb ik je opgegeven en ben ik verder gegaan met leven.”
“Ben je gelukkig geweest in je leven?”
“Niet altijd natuurlijk maar over het algemeen mag ik niet mopperen. Voor mij zit het geluk hem in de kleine dingen. En mijn hele leven heeft bestaan uit kleine dingen,” grijnsde Karel. “Voor de grote dingen moet je meer bij jou zijn, geloof ik.”
Annie glimlachte treurig.
“Zullen we terugwandelen? Het waait hier nu wel erg hard, zo dicht bij het strand.”
Ze draaiden zich om en voelden de wind nu in de rug.
“Toen je stopte met optreden was het overal groot in het nieuws maar de laatste jaren is het stil rond jouw persoon. Laat ik het nou dan maar eens aan jou vragen. Hoe gaat het met je?”
“Ik heb geen relatie meer als je dat soms bedoelt.”
“Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel gewoon: hoe gaat het met je?”
“Ik barst van het geld en verveel me te pletter. Dat is kort gezegd hoe het met me gaat.”
“Dat is inderdaad kort gezegd,” beaamde Karel en wist niet wat hij met deze informatie aan moest.
Het gesprek viel stil, wat opgevuld werd door de geluiden van het waaien van de wind, het blaffen van een hond en het blazen van een kat.
Zonder erbij na te denken kwamen ze weer bij de bushalte aan, waar ze dan maar weer gingen zitten.
“Heb je van je vrouw gehouden?” vroeg Annie plotseling.
“Het was een goede vrouw,” ontweek Karel de vraag. “We hadden een aardige band met elkaar en konden af en toe genieten van de kleine dingen die het leven ons bood.”
“Waarom heb je het toch steeds over die kleine dingen?” vroeg Annie geïrriteerd. “Is dat soms omdat ik altijd van de grote dingen heb gehouden? Wil je me daarmee soms op mijn nummer zetten? Wil je me daarmee soms inpeperen dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt? Had ik voor jou moeten kiezen? Ik kreeg een kans in mijn leven om groot te worden en die kans heb ik gepakt!”
Karel keek haar verbouwereerd aan.
“Dat wil ik helemaal niet zeggen! Jij stelt mij een vraag en ik probeer daar een eerlijk antwoord op te geven. Trouwens, jíj bent degene die na al die jaren een afspraak wilde maken. Niet ik! En als ik eerlijk ben vraag ik me af wat je eigenlijk van me wilt.”
Annie dacht even na.
“Ik zal eerlijk tegen je zijn en dat vind ik moeilijk. Omdat ik mezelf bloot geef, bedoel ik. De roddelpers heeft me voorzichtig gemaakt. Ik ben altijd bang dat misbruik gemaakt wordt van openhartigheid. Vóór je het weet worden er de smerigste conclusies getrokken en leugens verteld. Ik ben echt niet die mannenverslindster waar ik voor doorga. Alle mannen die ik tegenkom zien mij als de grote vedette Anastasia. Jij bent de enige man in mijn leven die me kent als Annie. Ik wil na al die jaren glitter en glamour gewoon weer Annie zijn. Snap je een beetje wat ik bedoel?”
Ze keek hem hoopvol aan.
Karel voelde zich ongemakkelijk en kreeg het er, ondanks de koude wind die tegen de bushalte aanblies, warm van.
“Bedoel je,” opperde Karel voorzichtig, “dat je opnieuw een relatie met me wilt?”
“Ja,” bracht Annie er kleintjes uit. “Ik heb mijn villa in the States verkocht en leef momenteel in een hotel. De bedoeling is dat ik me ergens in Holland ga settelen om te genieten van de kleine dingen, zoals jij dat noemt. En hoe kan dat beter dan met de enige man waar ik écht van gehouden heb.”
Ze schoof wat dichter tegen hem aan.
“We kunnen de draad weer oppakken. En misschien vind je het wel leuk om eens naar Parijs te gaan of zo, of Rome. New York is trouwens ook heel leuk. Tussen het gewone leven door, bedoel ik. We kunnen…”
“En mijn kinderen en kleinkinderen dan?” onderbrak Karel haar.
“Die horen bij het gewone leven. Die hoeven niets tekort te komen. Ik ben dan gewoon tante Annie voor ze en voor je kleinkinderen oma of zo.”
Karel keek haar ongelovig aan.
“Dus jij denkt dat je, nadat je veruit het grootste deel van je leven ‘Anastasia’ bent geweest, zomaar even kunt omschakelen naar ‘tante Annie’. Zelfs als jíj dat zou kunnen, dan zou de wereld om je heen dat niet kunnen. Als ik me met jou ergens zou vertonen dan zouden wij niet Karel en Annie zijn maar Anastasia met haar nieuwe vriend. ‘Anastasia’ is wat het leven van je gemaakt heeft of misschien moet ik zeggen wat jij van het leven gemaakt hebt. We zijn niet meer Karel en Annie van vroeger. Zelfs ík ben veranderd door wat ik met mijn leven gedaan heb of wat het leven met mij gedaan heeft. Je kunt niet zeggen: we gaan verder waar we vijftig jaar geleden gestopt zijn. Wij zijn niet meer de Karel en Annie van toen. We zijn de Karel en Anastasia van nu. Het verleden is geweest. Klaar! Voorbij! Finito! De tijd van toen komt nooit meer terug!”
Na deze tirade stond de tijd een tijdje stil.
Alleen de dikke kat kwam onder de kale heg vandaan en keek speurend om zich heen.
Vanuit de zee klonk het geluid van een scheepshoorn.
“Dan kan ik maar beter gaan,” klonk het toonloos.
“Sorry Annie, maar méér kan ik er niet van maken,” verontschuldigde de ander zich.
“Als je maar weet, Karel, dat ik écht van je gehouden hebt.”
“Ik weet het, Annie. Heel lang geleden in een andere tijd. Het ga je goed, Anastasia. Leef je leven.”
Een vluchtige zoen en Anastasia schreed naar haar auto zonder eenmaal om te kijken.
Karel keek haar na en zijn gedachten dwaalden af naar de tijd dat hij en zijn vrouw en kinderen een gezin vormden.
Jammer toch dat je pas beseft hoe gelukkig je bent geweest als die tijd voorbij is, dacht hij bitter.

 

 

 

Een voorgevoel?

Author: jeroenstamgast

Er zijn van die gebeurtenissen in je leven waarvan je eigenlijk niet weet wat je ervan moet denken.
Ons jaarlijkse optreden in Hollenstedt in Noord-Duitsland met de groep Haddock in 1991 begon als altijd op dezelfde manier.
Theo, André, Marleen en Jos gingen vrijdags zoals gewoonlijk vroeg in de middag al op pad en troffen na aankomst de voorbereidingen die nodig waren voor een succesvol optreden.
Peter en ik konden vanwege ons werk pas later in de middag vertrekken en waren dan  ‘s avonds na een vermoeiende rit net op tijd voor ons eerste optreden.
De Ierse avond, die plaats had in de zaal die bij hotel ‘Hollenstedter Hof’ hoorde, werd altijd verzorgd door drie groepen die om de beurt een setje ten gehore brachten.
Na afloop was er dan een afterparty waarbij artiesten, personeel en een aantal stamgasten tot in de kleine uurtjes genoten van muziek, drank en gezelligheid.
Tot zover niets bijzonders.
Zaterdag overdag brachten we altijd op ontspannen wijze door en ’s avonds verzorgde Haddock dan een speciaal akoestisch optreden tijdens een diner voor genodigden.
Wat ik normaal nooit had, had ik toen wél.
Op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik dringend terug naar huis moest.
Waarom wist ik niet maar in de loop van de dag werd dat gevoel steeds sterker.
Een reden had kunnen zijn dat onze baby Amber pas geboren was maar die was bij haar moeder heus wel in goede handen dus daar zou ik me geen zorgen over hoeven maken.
Met mijn eigen moeder ging het niet zo goed maar niets wees op een komende levensbedreigende gebeurtenis.
Het moest dus iets anders zijn maar wat dan?
Het onrustige gevoel nam ernstige vormen aan en, na afloop van ons dineroptreden, meldde ik dat ik niet de volgende middag terug naar huis zou gaan maar per direct.
Iedereen raadde het me af.
Het had gesneeuwd, de wegen konden glad zijn en ’s nachts rijden na twee inspannende optredens in combinatie met drank en slaaptekort vonden mijn medebandleden onverantwoord.
Overdag en tijdens het optreden had ik voor alle zekerheid geen alcohol genuttigd omdat ik steeds meer die drang voelde om de auto te pakken en naar huis te gaan.
Uiteindelijk kwam ik, nadat iedereen flink op mee ingepraat had, tot de conclusie dat zondagochtend vroeg ook nog wel zou kunnen.
En zo startte ik, na een paar uur slaap, de volgende dag in alle vroegte de auto en reed zonder pauze in één keer door naar huis.
Ik begreep niets van mezelf maar was blij dat ik deze beslissing genomen had.
Na mijn thuiskomst was Anya, die net onze baby Amber de fles gaf, verbaasd dat ik er al zo vroeg weer was.
Mijn onrustige gevoel ebde weg en ik belde mijn moeder op om te zeggen dat ik weer veilig thuis was.
Tijdens het bellen hoorde ik achter me plotseling Anya gillen.
Ik keek achterom en zag haar volkomen in paniek de baby voor zich uit houden.
“Ze ademt niet meer!” riep ze.
Ik zei tegen mijn moeder dat ik terug zou bellen en gooide de hoorn op de haak.
Amber keek me indringend aan en vervolgens draaiden haar ogen naar achteren en keek ik naar twee witte plekken in haar oogkassen.
Eén ogenblik dacht ik dat we haar kwijt zouden zijn en dat alles verloren was.
Ik nam Amber van Anya over en had een slap lichaampje in mijn armen dat aanvoelde als een lappenpop.
“Ik ga de buurman halen!” schreeuwde Anya en weg was ze.
Instinctief draaide ik Amber met haar hoofdje naar beneden en sloeg voorzichtig, maar wel ferm, op haar ruggetje tussen de schouderbladen.
Daarna nam ik haar op schoot en blies in haar gezicht ter hoogte van haar mond zoals ik veearts James Herriot in de tv-serie ‘All creatures great and small’ had zien doen na de geboorte van een kalfje om het te laten ademen, naar ik aannam.
Wat je in je wanhoop al niet doet…
Tot mijn opluchting begon Amber weer te ademen en ze keek me monter aan.
Toen Anya met de buurman boven kwam, kon ik melden dat alles weer onder controle was.
De huisarts, die wij telefonisch raadpleegden, vertelde ons dat het wel eens voorkwam dat druppels babymelk in de luchtpijp terecht kwamen en dat dan het ademen van de baby spontaan kon stoppen.
Wat ik gedaan had- James Herriot en het kalfje had ik uit mijn beschrijving weggelaten- was een goede manier om de ademhaling weer op gang te brengen.
Het mocht dan een geruststellende gedachte zijn dat er niets abnormaals aan de hand was geweest, maar het heeft toch weken geduurd vóór we daar ook enigszins gerust op waren.
Regelmatig ging ’s nachts een van ons uit bed om te controleren of Amber nog wel ademde.
Blijft de vraag wat er gebeurd zou zijn als ik níet eerder naar huis was gegaan.
Had ik dit voorzien?
Is het mogelijk dat je onbewust in de toekomst kan kijken of is alles gewoon stom toeval?
Tot op de dag van vandaag kan ik daar geen sluitend antwoord op geven.
Normaal gesproken ben ik iemand die graag zijn verstand gebruikt maar in dit geval ben ik blij dat ik aan mijn onverklaarbare gevoel van onrust toegegeven heb.
En, om aan dit raar maar wáár gebeurde verhaal toch nog een afsluitende draai te geven, kom ik tot de vrijblijvende conclusie: gebruik je verstand en volg je gevoel.

 

 

 

Een sprookje

Author: jeroenstamgast

Er was eens een klein koninkrijk dat geregeerd werd door een oude koning die samen met zijn dochter in een oud paleis woonde.
Het paleis was niet meer dan een bouwval, de dochter niet minder dan oerlelijk en de oude koning voelde zijn einde naderen.
Tijd dus om zijn opvolging te regelen.
Door de stuitende lelijkheid van zijn dochter had hij tot nu toe geen geschikte prinsgemaal voor haar weten te strikken.
In betere tijden had hij met veel geld iemand nog wel zo gek kunnen krijgen maar dat geld was er niet meer en het koningschap had door de deplorabele toestand waarin het inmiddels verkeerde alle glans verloren dus dat was ook al geen lokkertje.
De oude koning wist dat zijn dochter het niet alléén zou redden want behalve spuuglelijk was ze ook nog eens oliedom.
“Wat moeten we nou doen?” vroeg de koning zich wanhopig af toen ze op een druilerige avond aan de maaltijd zouden beginnen.
“Nou. Gewoon. Eten, denk ik,” antwoordde de prinses en propte haar mond vol.
“Dat bedoel ik niet,” sprak de koning geërgerd. “Ik heb het over je huwelijk!”
“Ga ik trouwen dan?” vroeg de prinses verbaasd.
“Nee! En daar zit ‘m nou juist het probleem. Niemand wil met je trouwen.”
“Waarom niet?” vroeg de prinses en pulkte met haar mes een stukje vlees tussen haar tanden
vandaan.
“Denk eens na. Zou jij met jezelf willen trouwen?”
“Hoe kan ik nou met mezelf trouwen!” proestte de prinses het uit en stopte het per ongeluk uitgespuugde eten weer terug in haar mond. “Dat kan toch helemaal niet!”
De oude koning zuchtte diep.
Op dat moment werd er op de paleisdeur geklopt.
De lakei die ging kijken wie dat toch wel mocht zijn, kwam al snel terug.
“Het is een varken, sire. Hij wil u spreken.”
“Een sprekend varken?” vroeg de koning en keek even naar zijn dochter die voor de tweede maal haar bord vol schepte. “Nou ja, laat maar binnen.”
Het varken maakte na binnenkomst een buiging en stelde zich voor.
“Mijn naam is Philémon de derde en ik heb gehoord van uw probleem waar ik een oplossing voor meen te weten. Ik ben in deze walgelijke gedaante omgetoverd door een Boze Fee waardoor geen enkele prinses met me wil trouwen, terwijl ik eigenlijk een knappe jongeman ben. De betovering is alleen te verbreken als ik een huwelijkspartner weet te vinden van koninklijke bloede. Mij is ter ore gekomen dat u een huwelijkspartner zoekt voor uw onappetijtelijke dochter en ik ben bereid met haar te trouwen.”
De oude koning keek naar zijn eigen varkentje en dacht na.
“Als ik hierin toestem, wat zijn dan uw verdere plannen?”
“Ik zal, samen met u natuurlijk, het koninkrijk weer tot grote bloei brengen en na uw dood als een goede prinsgemaal, in naam van uw dochter, het land besturen. Uw dochter zal ik goed verzorgen dus daar hoeft u zich ook geen zorgen over te maken,” sprak het varken zelfverzekerd.
“Wat vind jij ervan?” vroeg de koning aan zijn dochter die voor de derde keer opschepte.
“Waarvan?” vroeg deze met volle mond.
De oude koning zuchtte diep.
“Het is goed,” besloot hij. “Ik ga akkoord.”
Niet lang daarna vond de huwelijksplechtigheid plaats en de voorspelling van het varken kwam uit.
Binnen een paar jaar was het koninkrijk door verstandig regeren weer veranderd in een welvarend land waar het prettig leven was en niemand iets tekort kwam.
De oude koning kon met een gerust hart doodgaan, wat hij dan ook deed.
Eén ding was het varken niet gelukt: hij had zijn gedaante van knappe jongeman niet terug gekregen en het gerucht deed de ronde dat hij helemaal niet was betoverd maar dat hij altijd een varken was geweest.
De oude koning had, toen hij nog leefde, daarmee kunnen leven maar zijn dochter niet.
Na haar vaders dood was ze een rijke koningin geworden die zich in de belangstelling van verscheidene edellieden mocht verheugen.
Door haar huwelijk met het varken kon ze daar niet veel mee dus besloot ze voor de eerste keer in haar leven na te denken om tot een plan te komen.
Dat kostte haar veel moeite maar feit was, dat het varken niet lang daarna onder verdachte omstandigheden de dood vond zodat ze in het huwelijk kon treden met een jonge prins zonder eigen fortuin.
Het hoofdbestanddeel van het bruiloftsmaal bestond uit varkensvlees dat de gasten zich goed lieten smaken.
Of het nieuwe bruidspaar hierna nog lang en gelukkig leefde, vermeldt het sprookje niet.

 

 

 

 

 

 

Een kind van de duif

Author: jeroenstamgast

Ik heb een slecht geheugen.
Als ik met vrienden herinneringen ophaal aan die ‘goede oude tijd’, blijkt dat hele delen van die tijd uit mijn geheugen zijn gewist.
Laatst vertelde een oud-collega een leuke anekdote waarin ik ook voorkwam maar ik kon me er met de beste wil van de wereld niets van herinneren.
Het vreemde is dan weer wel dat ik soms een herinnering heb die zo sterk is dat het is alsof ik het pas heb meegemaakt.
Zo weet ik nog haarscherp hoe ik op vierjarige leeftijd tijdens het ochtendgebed op de zeer katholieke kleuterschool, die door de toen in Heemskerk nog redelijk veel voorkomende nonnen bestierd werd, achter mijn tafeltje zat met mijn handjes gevouwen en mijn oogjes dicht.
Ik voelde me akelig en er zat me een boer dwars.
Toen ik probeerde mij daar heel zachtjes van te ontdoen, gooide ik mijn hele ontbijt eruit.
Het was streng verboden je ogen te openen tijdens het gebed maar ik kon het niet laten en bekeek de bruingele smurrie die het gehele tafelblad bleek te bedekken.
Niemand had iets gemerkt.
Om me heen had iedereen zijn oogjes stijf dicht en de juf ging zo in haar gebed op dat ze mijn onpasselijkheid niet geregistreerd had.
Ik weet nog dat ik het raar vond dat je in een grote groep ongemerkt kon overgeven.
Verder wenste ik dat het gebed eindeloos zou voortduren want ik wist niet hoe ik mijn onsmakelijke activiteit aan de juf moest melden.
Dat probleem loste zich vanzelf op toen er een gemeenschappelijk ‘amen’ klonk en de kinderen om me heen vol walging mijn productie in ogenschouw namen en daar vervolgens luidruchtig commentaar op leverden.
Juf kwam boos op me af.
“Bah, wat ben jij een vieze jongen!” bracht ze er niet erg pedagogisch uit.
Ze opende de klassendeur die toegang tot de speelplaats verschafte en ordonneerde dat ik mijn tafeltje naar de zandbak moest brengen om hem daar schoon te maken.
Vol schaamte tilde ik het tafeltje op en, terwijl het braaksel via mijn benen een weg naar beneden vond en daar een onsmakelijk spoor achter liet, wist ik met de tafel en de laatste resten overgeefsel de zandbak te bereiken.
Met een emmer en een dweil kon ik aan de slag maar eerst moest ik de vloer schoonmaken.
Mijn werkzaamheden en ik moeten een beroerd tafereel geboden hebben want nog tijdens het dweilen van de vloer vroeg juf of ik nog misselijk was.
Op mijn ja knikken besloot juf met een diepe zucht dat ik dan maar naar huis moest gaan.
Waarschijnlijk vreesde ze een nieuwe golf van ongerechtigheid in haar propere klaslokaal.
Pietje van Schie moest met me meelopen maar die had er al vrij snel geen zin meer in en het laatste stuk liep ik dan maar in mijn eentje naar huis.
Hoe mijn  moeder reageerde weet ik niet meer maar dit zal voor haar de druppel zijn geweest die de emmer deed overlopen.
Ik had haar al vaak verteld dat ik het niet leuk vond op school maar ook begon ik last van nachtmerries te krijgen, waar ik me overigens gelukkig niets van herinner.
Van mijn moeder weet ik dat ik haar na zo’n nachtmerrie steevast vertelde dat ik geen kind van de duif wilde zijn.
Mijn moeder probeerde mij ervan te overtuigen dat duiven aardige dieren zijn maar ze kon me toch niet geruststellen en- aardig of niet- ik wilde daar hoe dan ook geen kind van zijn.
Ook de opvoedkundige methodes van de nonnen waren mijn moeder al een tijd een doorn in het oog.
Een kind dat te veel praatte kreeg een pleister op zijn mond geplakt en een kleuter die niet goed luisterde moest op zijn knietjes een tijd in de hoek doorbrengen.
Tijdens het gesprek met de juf later op de dag kwam mijn moeder er achter waarom ik in mijn nachtmerries geen kind van de duif wilde zijn.
Een stout kind werd door de juf namelijk als ‘een kind van de duivel’ gebrandmerkt.
Mijn moeder besloot mij per direct van school te halen.
Toen de juf dat jammer vond omdat ik dan het sinterklaasfeest zou missen, schijnt mijn moeder gezegd te hebben (en ik hoor het haar zeggen!) dat ze me die extra bangmakerij die dat feest ongetwijfeld met zich mee zou brengen, graag wilde besparen.
En verder mocht de juf blij zijn dat ze nu in ieder geval een duiveltje minder in de klas zou hebben.
Het schooljaar daarop ging ik als vijfjarige naar de eerste klas van de lagere school.
In september zou ik zes worden dus dat mocht net.
Eigenlijk functioneerde ik qua ontwikkeling nog op kleuterniveau en was ik bepaald geen lagere schoolkind te noemen maar de tijd dat ik voor een kind van de duif doorging, lag in ieder geval ver achter me.

 

 

Mijn nirwana

Author: jeroenstamgast

Ik sta voor ons huis op de hoek van Heemskerk, zoals wij dat noemen.
Vóór me zie ik de vijver, het weiland en in de verte het Marquettebos en als ik naar rechts kijk zie ik de Neksloot, de weilanden en in de verte Castricum en wat meer naar rechts Uitgeest.
Alles ziet er vredig en stil uit, alsof ik naar een schilderij kijk.
Ik ga ons huis binnen en op het atelier van mijn vader leen ik een van de pijpen uit een verder lege tabakspot.
Mijn vader is gestopt met roken maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen die pijpen weg te gooien.
Op mijn kamer pak ik, achter uit de grote lade van mijn houten PTT bureau , een pakje pijptabak dat ik daar verstopt heb.
Eigenlijk rook ik stiekem shag maar voor speciale gelegenheden rook ik pijp.
En dat doe ik nóg stiekemer dan shag roken omdat pijproken voor een veertien jarige in de ogen van iedereen belachelijk is.
Maar voor mij is dat pijproken een symbool van gezelligheid.
Een vorm van gezelligheid die ik af en toe in eigen gezelschap koester.
Ik verlaat het huis, wandel naar de brug over de Neksloot en volg de Noordermaatweg die door de weilanden voert.
Na een paar honderd meter spring ik over een slootje en sta ik op het weiland.
De huizen van Heemskerk worden steeds kleiner als ik verder en verder de weilanden in trek.
Af en toe moet ik over een slootje springen tot ik me tenslotte in een soort niemandsland bevind, ver van de bewoonde wereld.
Ik nestel me aan de kant van een slootje, begin die pijp te stoppen en steek de brand erin.
Om me heen heerst een serene rust.
Af en toe hoor ik het geluid van een vogel en vaag is het zachte ruisen van de wind door het riet langs de sloot te horen maar verder is er niets.
De wereld lijkt stil te staan.
Lurkend aan mijn pijp ervaar ik een gevoel van tijdloosheid.
Ik denk aan alles en aan niets.
Stil staar ik voor me uit en heb het gevoel hier altijd te willen zijn.
Geen getob meer over verwachtingen waaraan ik moet voldoen en of ik dat wel waar kan maken.
Helemaal niets!
Het groen van het gras, het blauw van de lucht en de stilte om me heen vormen het nirwana waarin ik verdwenen ben.
Als mijn pijp op is, klop ik hem leeg op de hak van mijn schoen, ga op mijn rug liggen en sluit mijn ogen.
Zonder te slapen droom ik weg tot mijn maag aangeeft dat er gegeten dient te worden.
Ik kom overeind en besef dat het leven verder gaat.
Nog eenmaal kijk ik aandachtig om me heen en ga dan gauw naar huis.
Als ik een flink uur later met ons gezin aan de avondmaaltijd zit, ben ik blij weer onder de mensen te zijn en geniet ik van de gezelligheid die er heerst en het heerlijke eten.
Het nirwana is ook niet alles!

 

Wat geweest is, is geweest

Author: jeroenstamgast

“Het probleem met jou is dat je altijd tijd nodig hebt om te acclimatiseren,” zei mijn vader tegen mij, toen ik hem vertelde dat ik er niet veel aan vond in Monampteuil in Noord-Frankrijk. “Als je eenmaal een beetje gewend bent, zal je zien dat je het leuk gaat vinden. Je hebt gewoon wat meer tijd nodig dan een ander.”
Ik had daar nooit zo over nagedacht maar hij had gelijk.
Zo ging het altijd als ik een periode uit mijn vertrouwde omgeving gehaald werd.
In het begin kon ik mijn draai niet vinden, na een tijdje kreeg ik het inderdaad naar mijn zin en als de tijd er bijna op zat, wilde ik dat er nooit een einde aan zou komen.
Zo ook deze vakantie.
Nog één volledige dag in Frankrijk en dan zouden we terug naar huis gaan.
Er begon zich al een gevoel van heimwee te ontwikkelen naar iets wat voorbij was en nooit meer terug zou komen.
“Vind je het leuk om met mij mee te gaan en ergens wat te gaan tekenen?” vroeg mijn vader die ochtend.
“Wie gaan er nog meer mee?” vroeg ik.
“Niemand. Gewoon wij, met zijn tweetjes. We zoeken een oud kerkje op en dat gaan we dan op papier zetten.”
Ik haalde snel mijn schetsboek uit de stacaravan die we huurden en zette me naast mijn vader in de auto.
Eigenlijk had ik deze laatste volledige dag in Frankrijk door willen brengen met de Franse kinderen uit een paar van de andere stacaravans op het terrein, maar de kans om samen met mijn vader op pad te gaan wilde ik niet laten lopen.
Het gekke met mijn vader was dat we het nooit tegen elkaar zeiden maar dat we veel van elkaar hielden.
We reden door het Franse platteland, praatten over koetjes en kalfjes en ik voelde me gelukkig zonder precies te weten waarom.
We stopten bij een pittoresk kerkje in een stil dorpje en pakten onze tekenspullen.
Tijdens het tekenen op het oude kerkhof zeiden we niet veel maar dat was ook niet nodig.
Mijn vader, die tekenleraar was, schetste op professionele wijze naar de werkelijkheid en daar kon ik met mijn 16 jaar natuurlijk niet tegen op maar mijn resultaat mocht er wél wezen, vond mijn vader.
We waren net zo’n beetje klaar met tekenen toen we tot onze verrassing een bekende gestalte het kerkhof op zagen lopen.
“Nee maar! Henk! Hoe kom jij hier?” vroeg mijn vader verbaasd.
“Met de auto,” zei Henk lachend en gaf mijn vader en daarna mij een hand. “Toen we in Monampteuil hoorden dat je ergens aan het tekenen was geslagen, zijn we alle kerkjes uit de omgeving af gegaan want we dachten dat we je daar wel zouden vinden.”
Henk Beekman was ook tekenleraar- ik had zelfs les van hem op school- en bracht elk jaar de hele zomervakantie door in een huisje in Noircourt, een dorpje niet zo heel ver van Monampteuil.
We wandelden naar onze auto en zagen het bekende DAFje, met daarin zijn vrouw Inez en zoon Michel.
Michel was een grote, beetje zware jongen van mijn leeftijd, die op dezelfde school zat als ik, maar dan in een andere klas.
Meneer Beekman had afgesproken dat ze, net als twee jaar daarvoor, bij ons in Monampteuil langs zouden komen.
“We hebben dus geluk gehad dat jullie er nog zijn,” zei hij, toen we in onze stacaravan aan de koffie met lekkers zaten. “Ik had begrepen dat jullie later terug zouden gaan.”
“Nee, wij gaan morgen weer naar huis,” zei mijn vader.
“Ja, jammer,” moest ik even kwijt. “Wat mij betreft had ik nog wel langer willen blijven.”
Meneer Beekman keek even naar Michel, die onderuitgezakt over een stoeltje hing en toen naar mij.
“Als je wilt kun je bij ons logeren. Wij blijven tot het einde van de zomervakantie. Dat zou ook leuk zijn voor Michel want dan heeft die ook eens een leeftijdgenoot om mee te praten.”
Michel kwam een beetje overeind.
“Ik vind het best want ik verveel me zo langzamerhand te pletter daar,” zei deze.
“Nou Jeroen,” zei mijn vader. “Dit is je kans om langer in Frankrijk te blijven.”
Iedereen leek het plotseling een geweldig plan te vinden maar ik begon me zorgen te maken over het acclimatiseren waar ik moeite mee scheen te hebben.
Michel zat nu recht overeind op zijn stoeltje.
“Er is daar een mooi zwembad en ook een tennisbaan. Ik zou het leuk vinden als je met ons mee gaat,” zei hij wervend.
“Dat is dan afgesproken,” besliste meneer Beekman. “Jij gaat gezellig met ons mee!”
Behalve problemen met ‘acclimatiseren’ bleek ik nu ook problemen met ‘onverwachte wendingen in mijn bestaan’ te hebben maar ik durfde niet te zeggen dat ik bij nader inzien toch maar liever met mijn ouders mee terug naar huis ging.
En zo stapte ik een uur later met een tas kleren en een tandenborstel in het DAFje.
“Als ik thuis ben, zal ik je meteen een brief schrijven,” beloofde mijn moeder me bij het afscheid.
“Geef het even een kans en dan zal je zien hoe leuk het is,” zei mijn vader bemoedigend.
Waarschijnlijk hadden ze wel in de gaten dat ik zo mijn bedenkingen had over dit onverwachte buitenkansje.
En ik bleek gelijk te hebben!
Michel was, na vier weken intensief vervelen, niet vooruit te branden en was met moeite ergens toe aan te zetten.
Als ik niet dwingend voorstelde iets te gaan doen, gebeurde er gewoon niets.
Ondanks een bezoek aan het zwembad en een rondrit door de omgeving, kroop de eerste dag voorbij en was ik in gedachten constant bij het gezin waar ik deel van uitmaakte en dat nu, zonder mij, lekker naar huis ging.
Wat ik ook erg vond was, dat ik geen afscheid genomen had van de Fransen op de camping.
Wat moesten die wel niet van mij denken.
En dat allemaal door die stomme opmerking dat ik nog wel wat langer had willen blijven.
Ik voelde me doodongelukkig maar kon dat natuurlijk niet laten blijken.
De tweede dag bespeurde ik enige levendigheid bij Michel en hoefde ik wat minder aan hem te trekken om iets te gaan ondernemen.
’s Avonds zaten we onverwacht gezellig te kletsen bij het licht van een olielampje en rookte ik een pijp en hij een sigaar.
De dag daarop vroeg ik aan zijn ouders of het mogelijk was om een paar dagen eerder dan zij met de trein naar huis te gaan zodat ik de reparatie van mijn brommer af kon maken vóór ik weer naar school moest.
Waarschijnlijk hadden zij ook wel in de gaten dat er bij mij iets speelde dus ze vonden het
geen enkel probleem.
Toen er ook nog een brief van mijn moeder kwam waarin zij schreef dat mijn vader aan de Fransen uitgelegd had waarom ik geen afscheid genomen had, was ik helemaal gerustgesteld.
Wat volgden waren gezellige dagen waarin Michel zich ontpopte tot een leuke metgezel.
Overdag amuseerden we ons met van alles en nog wat en ’s avonds waren we vaak tot diep in de nacht, onder het genot van een pijp en een sigaar bij het schijnsel van een olielamp, aan het kletsen en filosoferen over zaken die belangrijk waren in ons toenmalige leven.
Toen we op het station op de trein wachtten die mij terug naar Nederland zou brengen, moest ik tot mijn ongenoegen constateren dat ik helemaal niet naar huis wilde.
Maar, eenmaal thuis in mijn vertrouwde omgeving, hoefde ik niet te acclimatiseren en kon het gevoel van een groot gemis over wat geweest was, beginnen.