Tijl geneest een luie vrouw en vraagt een eigenaardig loon.

 

 

 

 

Tijl stapt de herberg binnen en loopt rechtstreeks op een deftig geklede heer af.

 

 

TIJL: Dag directeur. Ik zocht u al. Ik wou nog eens even terugkomen op die lening die ik bij uw bank afgesloten heb.

DIRECTEUR: Geen sprake van, Tijl. Betaal eerst maar eens een gedeelte terug. Zo’n beste naam heb je niet opgebouwd in onze stad. Je doet je voor als wonderdokter maar veel van jouw genezen patiënten in dat ziekenhuis laatst, zijn al weer terug.

TIJL: Maar het ziekenhuis zit niet zo vol als eerst.

DIRECTEUR: Dat mag dan wel zo zijn maar dat is nog geen reden om je meer geld te lenen. Zoek eerst maar eens een baantje waarmee je weer eens geld verdient. En betaal me van je eerste loon alvast maar eens de helft. Dan spreken we wel weer verder. (directeur stapt op en gaat weg)

TIJL: De helft van mijn loon…Nou ja! Waard, mag ik nog een biertje?

WAARD: Dat is goed, Tijl. Maar dat is wel de laatste. Ik wil nu eerst wel weer eens geld zien.

 

 

Twee boeren komen binnen en gaan bij Tijl aan tafel zitten.

 

 

BOER 1: Het is wat met mijn vrouw, hoor! Ze doet nou helemáál niets meer. Ze is zó ziek dat ze alleen nog maar in de stoel kan zitten.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: En ik snap het niet want ze heeft een flinke eetlust. En dat eten moet ik nota bene zélf nog klaarmaken ook!

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Nee, dat kan je wel zeggen! Hele dagen werk ik op het land en dan kan ik daarna thuis nog eens aan de gang.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Als je haar zo ziet, zou je zeggen dat ze kerngezond is maar ze zegt dat ze te ziek is om uit haar stoel te komen.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: De ziekte begon eigenlijk vlak na ons huwelijk. Eerst was ze alleen maar moe of had een beetje hoofdpijn. Maar nu zit ze dus alleen nog maar in die stoel.

BOER 2: Dat is niet best.

TIJL: Mag ik even onderbreken? Ik ben Tijl Uilenspiegel, de beroemde wonderdokter. Ik denk dat ik uw vrouw kan genezen. En het kost u geen geld. Ik laat mij in natura uitbetalen.

BOER 1: Dat klinkt interessant.

BOER 2: Dat klinkt best.

TIJL: Breng me naar uw vrouw en laat me met haar alleen. Ik geef u de garantie dat ze snel genezen is.

BOER !: Nou, kom maar mee dan.

 

 

 

De boeren en Tijl verlaten het toneel. Even later staan ze voor een huiskamer waar een vrouw met een nors gezicht in een stoel zit.

 

 

BOER !:  Nou Tijl. Daar zit ze dan. Veel succes. (boer gaat af)

Tijl: Goedendag. Mijn naam is Tijl Uilenspiegel.

VROUW: Het interesseert me geen fluit hoe je heet.

TIJL: Maar ik weet wel iets anders dat u zal interesseren.

VROUW: Ik betwijfel het.

TIJL: Er gaan namelijk geruchten dat uw man stinkend rijk is.

VROUW: Die geruchten had ik ook gehoord vóór ik ging trouwen. Nou, ik kan je vertellen dat die rijkdom me lelijk tegengevallen is. Zíek ben ik er van geworden.

TIJL: Uw man is een beetje gierig, hè.

VROUW: Een beetje gierig? Een regelrechte kniert is het!

TIJL: Ik weet waar hij zijn geld verstopt heeft. Vannacht om twaalf uur als het goed donker is, moet je buiten komen bij het muurtje. Daar zal ik je vertellen waar de schat is. Maar denk erom: precies om twaalf uur,hè.

 

 

Tijl verlaat de kamer en niet lang daarna komt de boer binnen.

 

 

 

BOER: Hé, is het bezoek al weg?

VROUW: Nee, dat hangt op mijn rug.

BOER 1: Gaat het al een beetje?

VROUW: Nee, het gaat niet! Ik kan niet lopen, dus ook niet werken. Ik zou maar eens naar de keuken gaan als ik jou was. Ik neem tenminste aan dat je wilt eten vanavond.

 

De boer sloft mismoedig weg, de vrouw wacht. Na een tijdje kijkt ze op de klok.

 

VROUW: Zo, het is twaalf uur, die kerel van me is naar bed dus de kust is vrij. Nou, ik ben benieuwd…

 

De vrouw sluipt naar buiten.

 

VROUW: Hier moet het toch ergens zijn. Waar blijft die Uilenspiegel nou?

TIJL:  Hier ben ik.

VROUW: Waar is de schat?

TIJL: Dat weet ik niet maar ik weet wél waar die schat van een man van je is. Die is hier!

BOER 1: Ha, lief vrouwtje van me! Ik zie dat je weer kunt lopen dus je kunt ook weer werken. Ik spreek jou zó binnen nog wél!

 

De vrouw gaat huilend af.

 

BOER1 : En jij, Tijl. Je wou in natura betaald worden zei je. Wat wil je hebben?

TIJL: Ik wou graag tien stokslagen.

BOER1: Tien stokslagen?

TIJL: Ja en een beetje flink hard ook.

BOER1: Meen je dat echt?
TIJL: Ja écht. Doe nou maar.

 

De boer schudt niet begrijpend zijn hoofd maar geeft Tijl zijn slagen tot hij bij de vijfde slag ”Ho!” roept.

 

TIJL: Ho! Stop! De andere helft is voor de bankdirecteur waar ik geld geleend heb. Hij wou de helft van mijn loon vóór hij verder met me wil praten. Ik zal hem hierheen sturen en reken erop dat jij hem de andere helft van mijn loon geeft, zoals afgesproken.

BOER1: Het stuit me een beetje tegen de borst maar eerlijk is eerlijk: het is de helft van je loon. Ik zal de stok klaar houden voor als hij komt.

TIJL: Bedankt, ik reken op je.

 

Tijl en de boer schudden elkaar de hand en gaan af. 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.