Verteller:  In het boek van Charles de Coster trekt Tijl door het ganse land. Hij is zelfs nog een periode soldaat in het leger van de prins van Oranje en maakt spannende en gruwelijke dingen mee. Wij laten, voor de gezelligheid natuurlijk, alles in dezelfde stad afspelen. De scènes die wij spelen komen eigenlijk terloops in het oorspronkelijke verhaal voor. In de meeste boeken, en ook in ons stuk, vormen ze echter de hoofdmoot. Nou, laten we maar verder gaan met het toneel.

 

 

 

Tijl als wonderdokter.

 

 

De waard is in de herberg bezig met het omspoelen van glazen. Allerlei patiënten van het ziekenhuis zitten gezellig aan tafeltjes.

Tijl komt binnen.

 

 

TIJL: Waard, mag ik van u een biertje?

WAARD: Natuurlijk, meneer.

TIJL: (kijkt met verbazing naar de zieken) Dank u. (krijgt biertje) Zeg eens, u heeft wel veel zieke mensen in uw zaak. Dat komt toch niet van uw bier, hoop ik?

WAARD: Nee hoor. Maar het ziekenhuis hiernaast is helemaal vol dus nu heb ik er ook een paar patiënten bij gekregen tot er weer plaats is daar.

TIJL: Zijn die doktoren hier dan zo slecht dat er zoveel zieken zijn?

WAARD: Nee hoor. Zal ik u eens wat zeggen? De verzorging is zó goed dat ze volgens mij gewoon niet weg willen. Ze hoeven niet te werken zolang ze ziek zijn en ze krijgen goed te eten en te drinken. Daarom proberen ze hun verblijf zo lang mogelijk te rekken. Het is hier net luilekkerland voor ze. O kijk, daar komt toevallig net de dokter aan.

DOKTER: En hoe gaat het met uw been meneer van Breukelen?

VAN BREUKELEN:  Slecht, dokter. Slecht. Mijn been doet zo’n pijn!

DOKTER: Maar de breuk is prachtig genezen zo te zien. Ik zal…

VAN BREUKELEN: Au! Niet aankomen! Au! U zei toch zelf het been met rust moet genezen?

DOKTER: Probeert u eens te staan op dat been.

VAN BREUKELEN: Au! Vreselijk!  Ik kan het écht niet, dokter. Heb medelijden!

DOKTER: Nou ja, morgen zal ik u wel verder onderzoeken.

VAN  BREUKELEN: Dank u, dokter.

DOKTER: En hoe gaat het met uw longen, meneer van Puffelen? Is dat hoesten nu eindelijk eens over?

VAN PUFFELEN: (veel gerochel en gehoest)

DOKTER: Hm, nog niet helemaal, geloof ik. U neemt uw hoestdrankje nog steeds trouw in?

VAN PUFFELEN: (veel gehoest, gerochel en ook ‘ja’ geknik)

DOKTER: Hm, morgen kijken we verder. En u, meneer Blind. Laat uw ogen eens zien. Nou, de zweren zijn helemaal weg.

BLIND: Maar ik zie nog zo slecht, dokter.

DOKTER: Hoeveel vingers steek ik op?

BLIND: Dat weet ik niet want ik kan uw hand niet zien. Waar is die?

DOKTER: Hier, Vlak voor u.

BLIND: O ja. Eh, ik zie zeven vingers. Klopt dat?

DOKTER: Nee. Blijf goed insmeren met die zalf die ik u gegeven heb.

BLIND: Ja dokter.

DOKTER: Wel meneer Toeter. Hoe gaat het met uw oren?

TOETER: …

DOKTER: Uw oren! Hoort u al wat?!

TOETER: …

DOKTER: Hé! Ik praat- wat zeg ik- ik schreeuw tegen u!

TOETER: O, dag dokter. Wilt u nog eens naar mijn oren kijken? Ik hoor zo slecht, ziet u.

DOKTER: Morgen bent u de eerste. En hoe is het met uw buik, meneer Kringspier?

KNARS: Dat gaat wel goed.

DOKTER: Wát zegt u?

KNARS: Het gaat wel goed met mijn buik.

DOKTER: Dus u kunt naar huis?

KNARS: Nee, want het is mijn hoofd dat zo’n pijn doet. Ik ben meneer Knars. Dát daar is meneer Kringspier. Ik heb zo’n enorme pijn in mijn hoofd. Ondraaglijk gewoon!

DOKTER: Ik zal zorgen dat u nieuwe hoofdpijntabletten krijgt, meneer Knars.

KRINGSPIER: Dokter, mijn buik die…

DOKTER: Hou maar op. Ik weet genoeg. Uw buik is nog niet in orde. Morgen zal ik u verder onderzoeken.

 

De dokter gaat moedeloos bij Tijl en de waard zitten terwijl de patiënten elkaar veelbetekenend aankijken.

 

DOKTER: Waard, geef mij maar een dubbele dosis van mijn eigen medicijn. Daar ben ik wel aan toe momenteel.

TIJL: Het gaat niet zo goed met uw patiënten, hè?

DOKTER: Wie bent u eigenlijk?

TIJL: Ik ben Tijl Uilenspiegel, de wonderdokter.

DOKTER: Nou, wij kunnen hier wel een paar wondertjes gebruiken.

TIJL: Hoeveel is het u waard als ik er voor zorg dat uw ziekenhuis en deze dependance binnen een uur leeg is?

DOKTER: Dat lukt u toch niet.

TIJL: Ik zeg u dat het me wél lukt! Ik ben niet voor niets wonderdokter.

DOKTER: Als het u lukt krijgt u van mij honderd florijnen.

TIJL: Voor honderdvijftig florijnen doe ik het.

DOKTER: Ach, wat maakt het uit. Honderdvijftig florijnen is ook goed. Het lukt u toch niet.

TIJL: Dan ga ik nu eerst even naar het ziekenhuis hiernaast. Daarna doe ik deze dependance wel.

 

Tijl gaat weg. De dokter drinkt mismoedig van zijn drankje. De  “zieken” hebben het naar hun zin, behalve als de dokter af en toe even hun richting uit kijkt. Dan trekken ze meteen een smartelijk gezicht. Even later komt Tijl weer binnen.

 

TIJL: Zo, het is voor elkaar hoor. Alle zieken zijn genezen en naar huis. Gaat u maar kijken en neemt u gelijk die honderdvijftig florijnen mee. Dan zal ik het intussen hier even voor u leeg maken.

DOKTER: U maakt een grapje.

TIJL: Nee hoor. Gaat u maar kijken.

 

De dokter staat op en als hij verdwenen is, loopt Tijl een paar maal dreigend om de zieken heen.

 

 

TIJL: Zo, geachte patiënten. En nu wij even. Luister goed. Ik ben de wereldberoemde wonderdokter Tijl Uilenspiegel en ik kan u allemaal genezen. Ik ga direct dat toverdrankje maken waarmee ik dat zal doen. Maar daarvoor heb ik wél de hulp van één van u nodig. De allerziekste zal ik gebruiken om mijn drankje te brouwen. Het is misschien niet leuk maar deze zieke, die waarschijnlijk tóch niet meer te redden is, zal ik verbranden en met zijn of haar as kan ik mijn drankje bereiden dat u zal genezen. Dus diegenen die grotendeels beter zijn, gaan direct weg en uit de overblijvers  zal ik de allerziekste kiezen die zich opoffert voor de anderen. Een beetje solidariteit is nodig in het leven!

Hebt u het ook begrepen meneer Toeter?

TOETER: Ja dokter. Helemaal.

 

De dokter komt binnen stuiven.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Er is geen zieke meer in het ziekenhuis te bekennen!

TIJL: Ziet u wel. Welnu: Iedereen die beter is, kan nú weggaan en die wil ik voorlopig niet meer terug zien!

 

Alle zieken springen overeind en rennen weg, de dokter en de waard omver duwend.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Dit is een wonder!

TIJL: Ik zei u toch dat ik een wónderdokter ben.

DOKTER: Hier is uw geld. Wilt u niet in dienst van het ziekenhuis blijven?

TIJL: Nee dokter. Dat is niet goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik moet écht weer gaan. Het ga u goed!

DOKTER: Wacht, ik zal u uitlaten.

 

De dokter en Tijl verlaten de herberg. De waard kijkt peinzend voor zich uit.

 

WAARD: Daar gaan mijn klanten! Ik zou eigenlijk zo’n middeltje moeten hebben om klanten binnen te halen.

 

De waard gaat sloffend af.

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.