Pandoeris organiseert zijn eigen bevrijding en ontsnapt met pratend vlees.

 

Als de nood het hoogst is, is de redding nabij, luidt een bekend spreekwoord.
Maar Pandoeris had daar geen boodschap aan.
Van wie in dit achterlijke koninkrijk kon hij nog hulp verwachten?
Voor die domme inwoners was hij de held die zich opgeofferd had en een held die zich opoffert, heeft geen hulp nodig.
Nee, hij moest het zélf doen.
Maar hoe?
Eerst had hij nog gezocht naar losse stenen in de muur die hij eruit zou kunnen trekken en toen hij die niet vinden kon en hij aan de tralies begon te trekken om te kijken of er daar soms een van loszat, verrekte hij nog een nekspier ook.
Vervolgens had hij allerlei plannetjes bedacht om de bewakers te overmeesteren als ze hem eten zouden komen brengen maar een blik op hun enorme  spierbundels deed hem daar toch maar weer vanaf zien.
Kon hij ze maar omkopen of zo.
Maar waarmee?
Tegen beter weten in, keek hij in zijn rugzak om te zien wat daar eventueel voor waardevols in zou zitten.
Het was trouwens nog een geluk dat ze hem die nagesmeten hadden, al was het dan bijna tegen zijn hoofd.
Immers, zonder die lepel en dat bord die erin zaten, zou hij nooit meer terug naar huis kunnen.
Natuurlijk, dat was het!
Die lepel en dat bord!
Hij dacht terug aan de veerman die die dingen zo graag had willen hebben.
Nou, die zou vast wel niet de enige zijn met belangstelling daarvoor.
Maar ja, die lepel en dat bord was hij natuurlijk liever niet kwijt.
Hij kon zich vaag nog herinneren dat hij op school eens een toverformule had moeten leren om kleine voorwerpen te vermenigvuldigen.
Die formule had hij, lui als hij was, natuurlijk niet geleerd maar hij had hem wel in zijn toverschriftje moeten opschrijven.
Zenuwachtig bladerde hij in zijn schriftje en warempel: hij vond hem nog ook.
Jammer alleen dat hij uit verveling dwars door de formule heen had zitten tekenen.
Nou ja, het was het proberen waard.
Eens kijken of hij van één lepel méér lepels kon toveren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dan zou hij daarna het bord proberen.
Hij legde het ding keurig in een hoek van de kerker, ging zelf zo dicht mogelijk tegen de muur staan om zich tegen vallende stenen te beschermen en begon de spreuk op te zeggen.
Behalve dat er inderdaad een paar stenen naar beneden kwamen, gebeurde er verder niets.
De lepel bleef keurig in de hoek liggen maar het bleef er één.
Mismoedig raapte hij hem op en besefte opeens dat hij eigenlijk niet eens wist wat hij met die lepel en dat bord moest doen om terug te komen.
Het laatste restje hoop zonk hem in de schoenen.
Wat was hij toch een vreselijke onbenul!
Iedereen die hem ooit een domme slapjanus had genoemd, had helemaal gelijk.
Het rinkelen van een sleutelbos deed hem uit zijn sombere overpeinzingen ontwaken.
De deur van de kerker zwaaide open en twee geschrokken bewakers stoven binnen.
”Wat is hier gebeurd?” vroeg de een.
”Waar komen die stenen vandaan?” vroeg de ander.
Pandoeris wees naar het plafond van de kerker.
”Van boven, denk ik.”
De twee keken automatisch omhoog en Pandoeris greep de onverwachte kans die hem zo geboden werd.
Hij greep zijn rugzak, nam een snoekduik tussen de bewakers door en voor ze goed en wel in de gaten hadden wat er gebeurde, rende Pandoeris de trap al op.
Sterk was hij dan misschien niet maar snel wél.


Hij zou zijn voorsprong op de bewakers dan ook zeker vergroot hebben, als hij boven aan de trap Ollie niet tegen het dikke lijf was gelopen.
”Ha, daar is mijn held!” riep Ollie ontroerd. ”Kom in mijn armen!”
Pandoeris werd bijna gesmoord in het vet en kon pas weer adem halen toen er bij Ollie iets begon te dagen en hij hem losliet.
”Jij hoort toch in de kerker?” vroeg hij achterdochtig.
Pandoeris antwoordde niet maar gaf Ollie onverwacht een zet zodat deze achterover de trap afrolde, de bewakers die net boven waren gekomen, met zich meesleurend.
En voort rende Pandoeris, de gang in.
Hij moest zich zo gauw mogelijk zien te vermommen.
Zo werd hij door iedereen herkend.
De deur van de paleiskeuken stond open en voorzichtig keek hij om het hoekje.
In de keuken heerste paniek.
”Waar zijn alle lepels gebleven?” donderde de chef-kok.
”Ik weet het echt niet,” zei de eerste assistent.
”Ik ook niet,” mompelde de tweede assistent.
”Wij weten nergens van,” zei de rest van het personeel in koor.
Iedereen keek tegelijk naar het jongste hulpje.
”Waar heb jij die lepels gelaten?!” bulderde de chef-kok.
Het jochie zei niets maar maakte dat hij wegkwam, gevolgd door het voltallige personeel dat blij was dat er iemand anders de schuld had gekregen.
Die toverspreuk moet ik toch nog eens doornemen, dacht Pandoeris die wel begreep dat die lepels door zijn getover verdwenen waren.
Snel pakte hij een kokspak van de kapstok en trok dat aan.
Onopvallend wist hij de feestzaal te bereiken maar daar bleef hij niet onopgemerkt.
”Kom jij eens hier,” beval de koning. ”Haal je baas, de chef-kok en vraag hem twee dingen.
Ten eerste: wat doet die baksteen in de soep en ten tweede: waarom hebben wij geen lepels? Of moeten wij die soep soms met mes en vork naar binnen werken? Zeg maar dat hij, als hij onderweg hierheen geen oplossing heeft gevonden, wij de soep overslaan en aan hém beginnen. En nou wegwezen!”
Dat liet Pandoeris zich geen twee keer zeggen en hij zette het op een lopen.
Buiten adem bereikte hij de binnenplaats waar een kar vol met etensafval klaarstond om door de zwaarbewaakte poort te vertrekken.
Pandoeris aarzelde niet, klom ongezien op de kar en bedekte zich zo goed en zo kwaad als het ging met de meurende etensresten.
In het donker zag hij niet zo goed wat hij deed en hij schrok dan ook hevig toen hij iets vlezigs over zich heen wilde leggen dat begon te praten.
”Blijf van me af,” siste het vlees hem zachtjes toe.
Pandoeris was verstijfd van schrik en dat was maar goed ook want anders hadden de poortwachters hem zeker zien bewegen toen de voerman het paard en de wagen door de poort loodste.

Reacties mogelijk in het gastenboek.