Een bruid in de kerker krijgt Pandoeris zover dat hij de hoofdrol speelt in haar bevrijding en dan moet zijn hoofd rollen.

Na een overvloedig ontbijt en een roerend afscheid van Cornelis die op het eiland moest passen, gingen ze dan toch eindelijk op weg.
Pandoeris had nog even overwogen om tante Mollie onderweg gewoon ergens overboord te zetten maar kon dat toch niet over zijn hart verkrijgen.
Bovendien bleek het land van koning Oliebol op de route te liggen.
Bij de rederij van de veerman meldde hij nog even waar deze te vinden was, zodat ze hem op konden halen.
Tante Mollie kende deze veerman wel en had hem altijd al een onbehouwen vlegel gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nee, dan aan het hof van koning Oliebol!
Daar hadden ze smaak en goede manieren!
En smaak moest je dan wel letterlijk opvatten want uit de verhalen van tante Mollie begreep Pandoeris dat een groot deel van de dag met eten en drinken doorgebracht werd.
Ze verlieten het moeras en legden aan bij een prachtig versierde steiger.
Een dikke lakei hielp hen aan land en begeleidde hen naar een rijtuig met dikke paarden ervoor.
In het land van koning Oliebol krijgt dus echt iedereen goed te eten, dacht Pandoeris en keek naar een paar moddervette eenden en ganzen.
Of zouden de dieren vroeg of laat in de pan verdwijnen?
In het paleis van koning Oliebol was het een drukte van belang.
Lakeien liepen af en aan met eten en drinken en de overwegend dikke tot zeer dikke gasten lieten het zich goed smaken.
Midden in de feestelijk aangeklede zaal zat koning Oliebol op zijn enorme troon achter een tafel met eten, genoeg om een hongerig aangelegd gezin een week mee te kunnen voeden.
Tante omhelsde de koning.
Ze kenden elkaar blijkbaar goed.
”Hartelijk gefeliciteerd met het huwelijk van je zoon en aanstaande schoondochter. Waar zijn ze eigenlijk?”
”Mijn zoon is op zijn kamer en de bruid is in de kerker,” sprak de koning vermoeid.
Een heel dik meisje dat naast de koning zat en nog het meest weg had van een aangeklede suikerspin, begon plotseling hartverscheurend te huilen.
”Ach, toe nou, Truffeltje,” sprak koning Oliebol verstoord.
”Ga nou niet wéér huilen.”
Truffeltje liet zich niet van de wijs brengen en deed er nog een schepje bovenop.
”Nou, vooruit. Ga dan nog maar even naar Ollie toe. Maar denk erom: ik wil geen toestanden als ze gaan trouwen, hoor!”
Truffeltje stopte abrupt met het plengen van tranen, worstelde zich uit haar stoel en maakte zich waggelend uit de voeten.
Aan Pandoeris schonk verder niemand aandacht en, omdat hij toch wel nieuwsgierig begon te worden naar de bruid in de kerker, volgde hij het dikke wicht.
Hijgend beklom ze de trappen van het paleis tot ze bij een deur kwam waarachter werd geweend.
Ze klopte met bonzend hart aan.
”Ollie, ben je daar?”
De deur werd geopend door een wandelende vetklomp, waarna de twee kolossen elkaar snikkend in de armen vielen.
Pandoeris sloeg het tafereeltje gade en kuchte luid om te laten merken dat hij er was.

Geen van beiden reageerde.
Ze hadden alleen maar aandacht voor elkaar.
Pandoeris kuchte nog eens maar nu harder.
Weer geen reactie.
Na nog wat luidruchtig hoesten, gaf Pandoeris het op.
Dan maar recht op het doel af, dacht hij en richtte verlegen het woord tot hen.
”Goede middag. Weet u soms waar de trouwplechtigheid is?
Ik ben een beetje verdwaald, ziet u.”
De twee lieten elkaar los en keken hem verbaasd aan.
”Wie ben jij eigenlijk?” vroeg Ollie.
”Ik ben Pandoeris en ik ben hier min of meer per ongeluk terecht gekomen. Bent u het bruidspaar?”
”Was dat maar waar,” jammerde Truffeltje. ”Ollie is de bruidegom en ik had zo graag zijn lieve bruidje willen zijn.”
”Maar wie is het lieve bruidje dan?” vroeg Pandoeris.
”Dat skelet zit in de kerker,” antwoordde Ollie en trok een vies gezicht.
”Maar waarom zit ze in de kerker?”
”Omdat ze anders wegloopt natuurlijk.”
Ollie schudde zijn hoofd om zoveel onbenul.
”Wil ze dan niet met je trouwen?”
”Nee, natuurlijk niet. En ik niet met haar. Alleen ik loop niet weg omdat ik hier woon en nergens heen kan.”
”Maar waarom ga je dan trouwen met iemand waar je niet van houdt?”
”Omdat mijn vader vroeger met de vader van de bruid afgesproken heeft, dat wij zouden trouwen. En wil je ons nu alleen laten. Dan kunnen wij nog even aandacht aan elkaar schenken.”
Ollie nam vertederd het vette handje van Truffeltje in de zijne en na wat wrikken in de deuropening, verdwenen ze samen achter de dichte deur.
Pandoeris krabde zich eens achter de oren.
Als hij het dus goed begrepen had moest de bruid met geweld binnen de poorten gehouden worden en was de bruidegom een totale ineenstorting nabij, terwijl zijn geliefde er niet veel beter aan toe was.
Nou, die gingen dan een fijne toekomst tegemoet.
Hoofdschuddend ging hij de trappen af.
Beneden aangekomen, liep hij twee ruziemakende koks tegen het lijf.
”Ga jij maar,” zei de ene.
”Nee, het is jóuw beurt,” zei de andere.

”Wat vind jij daar nou van?” vroeg de ene kok onverwacht aan Pandoeris.
”Ja,” zei de andere. ”Geef jij je mening eens.”
”Waarover?” vroeg Pandoeris.
”Nou, elk uur moet de aanstaande bruid, prinses Tengeltje, haar eten krijgen volgens de voorschriften. Maar ze wil het niet. En het vervelende is dat ze elke keer het eten in ons gezicht smijt. En nou staat er gloeiend hete soep op het menu…”
Met dat soort dingen had Pandoeris geen moeite.
”Gewoon niet brengen. Ze eet het toch niet.”
”Dat kan niet. Een kok hoort zijn plicht te doen. Desnoods tot de dood erop volgt.”
”Laat de soep dan eerst afkoelen voor je hem brengt en over je heen krijgt,” verzon Pandoeris die niet voor één gat te vangen was.
”Of wacht. Weet je wat? Als ik jullie daar een plezier mee kan doen: ík zal de soep brengen.”
Dat was een mooie gelegenheid om die prinses Tengeltje eens te ontmoeten.
De koks maakten geen bezwaar en even later stond Pandoeris voor de tralies waarachter een prachtig aangeklede schoonheid gevangen zat.
”Ben jij nieuw hier?” vroeg de schoonheid. ”Of lijd jij aan een ernstige ziekte?”
”Hoezo?” vroeg Pandoeris.
”Omdat ik hier normaal gesproken alleen maar mensen zie die minstens honderd kilo wegen.”
Pandoeris legde uit dat hij hier min of meer per ongeluk terecht gekomen was en vroeg ’op de prinses af’ waarom ze niet wilde trouwen met Ollie.
”Wat heb jij voor smurrie in je ogen zitten? Heb jij die Ollie al eens goed bekeken? Daarbij vergeleken ben jij een knappe jongen.”
”Dank je,” zei Pandoeris gevleid.
”Het is krankzinnig allemaal! We moeten trouwen van onze ouders terwijl ze het zelf ook niet willen. En dat allemaal omdat het heel vroeger eens een keer afgesproken is.”
”Maar waarom maken ze dan geen andere afspraak?” vroeg Pandoeris die zelf bijna nooit een afspraak maakte en zich er in ieder geval niet aan hield, als het hem per vergissing eens overkomen was.
”Omdat het dan oorlog wordt tussen onze landen.
Zo’n belediging kan het andere land niet over zijn kant laten gaan.”
”Wat een onzin,” vond Pandoeris.
Prinses Tengeltje keek Pandoeris eens aan.
”Misschien zou jij me van die afschuwelijke vleesmassa kunnen redden.
Durf je dat?”
”Ik durf alles,” pochte Pandoeris die Tengeltje steeds leuker begon te vinden en graag een goede indruk wilde maken.
”Kom eens dichterbij,” wenkte Tengeltje hem.
Pandoeris zijn gezicht was nu vlakbij dat van haar en plotseling kreeg hij, tussen de tralies door, een zoen.

”Jij bent mijn held.”
”W- w- wat moet ik doen?” stamelde Pandoeris.
”Luister goed. Er is één mogelijkheid om mij te helpen. Op een gegeven ogenblik vraagt de ceremoniemeester officieel of er iemand bezwaar heeft tegen het huwelijk. Het klinkt belachelijk maar als jij dan zegt dat je er tegen bent, gaat het huwelijk niet door. Er staat namelijk in de wet dat iedereen die aanwezig is, het met het huwelijk eens moet zijn. Anders gaat het niet door. En omdat niemand het huwelijk eigenlijk wil, is iedereen je nog dankbaar ook. En ik natuurlijk het meest.”
Tengeltje keek Pandoeris op zo’n manier aan, dat hij het er warm van kreeg.
”Maar waarom doet niemand dat dan, als het zo eenvoudig is?”
Pandoeris vond het maar raar. Daar stak beslist méér achter.
Hij kreeg echter geen gelegenheid om verder te vragen want de prinses werd door enige hofdames en soldaten opgehaald.
”Doe je het?” vroeg prinses Tengeltje nog, toen ze meegesleurd werd.
”Ik zal je redden!” riep Pandoeris haar stoer na.
Maar toen de plechtigheid in de Grote Zaal begon, voelde hij zich heel wat minder flink en hij werd hoe langer hoe zenuwachtiger.
Op een gegeven moment kwam de langverwachte vraag van de ceremoniemeester.
”Als er iemand tegen het huwelijk is, moet hij dit nu kenbaar maken!”
Het was muisstil in de Grote Zaal.
Je kon een speld horen vallen.
Alle aanwezigen keken somber voor zich uit.
Alleen prinses Tengeltje keek Pandoeris smekend aan met haar mooie grote ogen.
”Ik ben tegen!” schreeuwde Pandoeris plotseling met overslaande stem.
Een oorverdovend gejuich brak los.
Mensen vielen elkaar huilend en lachend van geluk in de armen en de beide koningen kwamen Pandoeris zelfs persoonlijk bedanken, gevolgd door Ollie, Truffeltje en Tengeltje.
”Eén hoeraatje voor onze held!” riep koning Oliebol.
De andere koning speldde Pandoeris zelfs een medaille op wegens bijzondere verdiensten voor zijn land.
”En laten we dan nu verder gaan met het feest!” riep koning Oliebol.
Pandoeris wilde al aan de feestelijk gedekte tafel naast Tengeltje gaan zitten maar werd tegengehouden door een woest uitziende schildwacht.

”Meegaan jij!” baste de schildwacht en greep Pandoeris stevig vast.
”Iemand die de huwelijksplechtigheid verstoort, wordt de volgende dag bij zonsopgang onthoofd. Zo staat het in de wet!”
Pandoeris werd onder luide toejuichingen van de feestgangers meegesleurd en koning Oliebol riep hem troostend na dat zijn hoofd een mooie plaats zou krijgen in de eregalerij van het paleis.
Pandoeris kon zich wel voor zijn hoofd slaan dat hij zo stom was geweest om er in te tuinen.
Maar hij besefte dat het nu te laat was en dat hij zelfs dát binnenkort niet meer kon doen…

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.