Ik wandel door het winkelcentrum van het dorp.
Een pril lentezonnetje maakt dat alles er redelijk vrolijk uitziet en hier en daar zijn er al mensen op een terrasje neergestreken voor een kopje koffie of een andere versnapering.
“Hoi Jeroen!” klinkt het onverwacht achter me.
Ik draai me om en zie een vriendin die er behoorlijk gehavend uitziet.
Over haar handen lopen roodachtige krassen en een pleister bedekt haar wang.
“Hai Joke,” groet ik terug. “Wat zie jij eruit. Heb je gevochten?”
“Nee, ik heb de planten water gegeven.”
“Vleesetende planten zeker,” veronderstel ik, in een flauwe poging om grappig te zijn.
“Heb je trek in een bakkie koffie?” voeg ik er snel aan toe.
 “Waarom niet,” antwoordt ze.
We kiezen een tafeltje en bestellen koffie met appelgebak.
“Nou moet je me toch eens vertellen hoe je aan die schrammen gekomen bent,” stel ik voor en neem een eerste hap appelgebak. 
Joke gaat er eens goed voor zitten.
“Mijn schoonouders zijn een paar weken op vakantie en mijn schoonzusje zou voor de planten en de huisdieren zorgen. Een paar dagen geleden kon ze niet en vroeg ze of ik dat een keer wilde doen. Nou, ik loop dus met mijn gietertje dat lege huis binnen en ik wil net een of andere grote stekelplant water geven als ik plotseling een knijterhard “HALLO!” achter me hoor. Ik schrik me te pletter en val van pure schrik voorover in die rotplant. Blijkt er een papegaai in huis te zijn…”
Ik knik meelevend maar moet toch een beetje grinniken.
We kletsen nog wat en gaan vervolgens ieder ons weegs.
Ik heb nu haast en besluit via een plantsoentje een stukje af te snijden.
Plotseling hoor ik achter me mijn naam roepen.
Ik kijk achterom en struikel over het lage hekje rond het plantsoentje.
Net vóór ik languit in een partij prikkelstruiken val, herken ik het lachende gezicht van een vriend.
Hém hoef ik in ieder geval niet te vertellen hoe ik aan al die schrammen zal komen.

Reacties mogelijk in het gastenboek.