Maaike en Johan waren de daarop volgende dag redelijk plezierig doorgekomen.
Ze hadden met een stevig Irish Breakfast een ideale basis gelegd voor een flinke ochtendwandeling door de omgeving.
Ze hadden genoten van de ruige uitgestrektheid van het land en van de woeste golven van de Atlantische Oceaan die tegen de weerbarstige kust beukten.
Toen de toch al hevige wind stormachtige vormen begon aan te nemen en ze terug naar het dorpje wilden gaan, kostte het hen zowaar nog de nodige moeite om het terug te vinden.
De weinige paadjes waren redelijk onbegaanbaar en slingerden er maar wat op los naar hun idee.
Het gaf hun echt het gevoel door het einde van de wereld te dwalen.
Ze hadden dan ook een stevige trek opgebouwd toen ze eindelijk min of meer per ongeluk weer in het dorpje belandden.
De plaatselijke pub bracht uitkomst en na een eenvoudige maar voedzame maaltijd en een guinness van de tap, zat de stemming er weer in.
Buiten gierde de wind door de smalle hoofdstraat en Maaike en Johan hadden het gevoel net op tijd binnen te zijn.
Voor hen als stadsmensen leek het niet eens ongevaarlijk als je in dat door God en alle mensen verlaten gebied van daarnet verdwaald zou zijn.
Een lodderige loomheid maakte zich sluipend van hen meester en ze besloten wat te rusten in de bed and breakfast van weduwe Bourke.
Na een hazenslaapje hadden ze thee gedronken met de weduwe, terwijl de storm de pannen van het dak leek te willen rukken.
Misschien kwam het daardoor wel dat de weduwe een onrustige indruk maakte.
Het gesprek wilde niet erg vlotten en Maaike en Johan kregen de indruk dat ze niet erg welkom meer waren, hoewel de weduwe haar best deed om het tegendeel te bewijzen.
Johan was blij dat hij het excuus had om bij de garagehouder te informeren hoe het met de onderdelen en de reparatie van de auto stond en Maaike was opgelucht dat ze naar haar
kamer kon gaan.
Meer en meer was er een raar soort spanning voelbaar geweest.
Buitengekomen, knoopte Johan zijn jas goed dicht en worstelde zich tegen de storm in naar de garage.
Bij toeval kwam hij de garagehouder tegen, die net terug was van zijn ritje naar de stad en op weg was naar de pub.
Nog voor Johan iets had kunnen zeggen, nam de garagehouder al het woord.
“Heb jij een afspraak met iemand van zo’n meter of twee en het gewicht van een olifant?”
Johan moest lachen.
“Ik heb inderdaad met mijn oom afgesproken.”
“Nou, dan is dat die lifter die ik meegenomen heb. Dat doe ik wel eens meer, een lifter meenemen. Dat is vaak gezellig op die stille wegen. Nou, deze zei dat hij hier een afspraak had en is vervolgens in een diepe slaap weggezakt. Echt gezellig was het niet. Maar je onderdelen heb ik wel. Morgen kan ik aan de slag.”
“Fijn,” zei Johan. “Waar is mijn oom nu?”
“Die is, nadat ik hem met moeite wakker gekregen heb, op een drafje naar de pub gegaan.”
“Dat komt goed uit,” zei Johan. “Ik was net op weg daarheen.”
“Ik ook,” zei de garagehouder. “Waar zou je met dit weer anders naar toe moeten gaan?”

In de pub was het onstuimige weer het gesprek van de dag.
Op de radio was zelfs voorspeld dat het orkaanachtige vormen zou kunnen gaan aannemen.
De band die ’s avonds zou optreden was nog steeds niet gearriveerd en de waard vroeg zich al af of de muzikanten nog wel zouden komen.
Johan trakteerde de garagehouder op een biertje en vond zijn oom, gezeten in een hoek, achter een ‘pint of guinness’ .
“Ha, die ome Barend! Je hebt ons toch gevonden, zie ik.”
Het kolossale lichaam van Barend kwam moeizaam overeind om Johan de hand te schudden.
“Wat dachten jullie? We zullen hem maar eens flink laten reizen voor zijn gratis
terugtochtje! Dit is zo’n beetje de meest achterlijke uithoek van het hele land, geloof ik.”
Barend ging zuchtend weer zitten, nam een enorme slok guinness en veegde met zijn grote hand het schuim uit zijn snor en baard.
“Nou ja, het doet me goed om je weer eens te zien. Waar is je vriendin eigenlijk?”
“Die is in de bed and breakfast waar we overnachten. Heb jij al een slaapplaats geregeld?”
Barend grijnsde gelaten.
“De enige bed and breakfast van het dorp was al vol. Met jullie dus. Maar ik mag van de waard op zolder slapen. Er schijnt een verloren plekje tussen de rommel te zijn waar ze een matras voor me zullen neerleggen. Nou ja, ik ben allang al blij dat ik met dit hondenweer een dak boven m’n hoofd heb. Als het er niet afwaait, tenminste.”
“Is het nog gelukt met de onderdelen van mijn MG?”
“Zeker wel. Ik heb alles apart laten leggen in een garage in Cork, waar we ook de boot terug nemen. Je kan nu weer jaren verder met je autootje.”
“Fantastisch,” zei Johan. “Wil je nog een guinness? Dan neem ik er ook een. Dan ga ik daarna Maaike halen.”
Barend sloeg het aanbod niet af en Johan ging met een opgeruimd gevoel naar de tap om het gewenste te bestellen.
Het was vandaag tot nu toe een gezellige dag geweest en als het aan hem lag, zou de dag ook in deze sfeer eindigen.

Ook Maaike was, na enig getuttel op haar kamer, in een beste stemming en kleedde zich warm aan om naar de pub te gaan.
Dat optreden van die Ierse folkgroup leek haar leuk en Johan had zich vandaag tenminste weer eens van zijn gezellige kant laten zien, zodat het een fijne avond leek te gaan worden.
Ze bekeek zich nog eens in de spiegel met haar nauw sluitende leren jack waar haar lange haren golvend overheen vielen en stelde tevreden vast dat ze er best mocht wezen.
Buiten kon je bijna tegen de storm aanleunen en even had ze het gevoel dat het herfst was in plaats van zomer.
De lucht was zo grauw dat het leek alsof elk ogenblik de duisternis kon invallen.
De straat lag er verlaten bij en alleen in de verte op de heuvel achter het dorp zag ze een spookachtige figuur, gehuld in een wapperende mantel met capuchon en een stormlantaarn in zijn hand.
Ook raar, dacht ze, zo donker is het nou toch ook weer niet dat je een stormlantaarn nodig hebt.
Ze bleef even staan en bekeek, door haar door de wind betraande ogen heen, naar de eigenaardige figuur.
Met die mantel of cape, wat was het, leek het wel een monnik of een kabouter.
Tot haar grote verbazing hoorde ze plotseling flarden muziek, die meegedragen werden door de wind.
Gedreven door nieuwsgierigheid wandelde ze het paadje op dat naar de heuvel leidde.
De flarden muziek regen nu aaneen tot een melodie die deed denken aan middeleeuwse koormuziek.
Maaike kon haar oren niet geloven en versnelde haar pas.
Ze onderscheidde nu duidelijk Gregoriaanse muziek, zoals die door monniken gezongen wordt.
Ze meende zelfs even het luiden van een kerkklok te horen.
Ondertussen bleef haar nadering niet onopgemerkt en haar ‘monnik’ keerde haar de rug toe en schreed over het paadje de heuvel op.
Maaike hield even halt om na te denken.
Ze keek achterom naar het dorp en vroeg zich af of het wel verstandig was om dat nu met dit slechte weer te verlaten.
Bovendien zou het binnen afzienbare tijd gaan schemeren en het was bij vol daglicht al zo moeilijk geweest om het dorp terug te vinden.
En dan natuurlijk niet te vergeten: was het wel verstandig om zo’n vreemde figuur te
volgen?
Ze keek de andere kant weer op maar de figuur die ze net nog gezien had, bleek spoorloos verdwenen.
Waar was die nou gebleven?
Hij kon toch niet zomaar plotseling verdwenen zijn?
Ze rende een stuk de heuvel op maar kon hem niet vinden.
Zou hij zich ergens verstopt hebben?
Het onherbergzame terrein leende zich daar wel voor maar waarom zou iemand zoiets doen?
Ze besefte plotseling dat de Gregoriaanse muziek ook verdwenen was.
Alleen het naargeestig huilen van de wind was nog te horen.
Maaike begon zich bijna af te vragen of ze het zich misschien verbeeld had maar daarvoor had ze alles toch te scherp waargenomen.
Of zou ze getuige geweest zijn van een van die geheimzinnige gebeurtenissen waarover je in Ierland wel meer hoorde vertellen?
In gedachten verzonken daalde ze de heuvel weer af naar het dorp.
Plotseling kreeg ze het idee dat ze bekeken werd van achteren en ze draaide zich met een ruk om.
Daar stond warempel de monniksfiguur met de cape en de stormlantaarn weer.
Hij keek haar aan maar zijn gezicht was door de capuchon niet te zien.
Langzaam draaide hij zich om en vervolgde rustig zijn weg de heuvel op.
Maaike keek hem na, terwijl haar hart in haar keel bonsde.
Wat was dat toch voor iemand?
Als hij iets kwaads in de zin gehad had en zich daarnet inderdaad verstopt had, zou hij haar hebben kunnen aanvallen toen ze daar was.
En aan de andere kant: als hij niet gezien wilde worden, had hij beter kunnen wachten tot ze terug in het dorp was om daarna ongezien te verdwijnen.
Daar hoorde ze die Gregoriaanse koormuziek ook al weer!
Met een gezicht vol ongeloof keek ze naar de zich traag voortbewegende figuur die inmiddels al bijna de top van de heuvel bereikt had.
Bovengekomen, draaide hij zich om, hief de stormlantaarn en wenkte haar met de vrije hand.
Vervolgens verdween hij, zonder verder acht op haar te slaan over de top van de heuvel en was niet meer te zien.
Maaike nam snel de beslissing dat ze in ieder geval naar de top van de heuvel zou rennen en voegde de daad bij het woord.
Bovengekomen, bereidde ze zich er op voor dat ze de monnik bijna ingehaald zou hebben maar tot haar verbazing stond deze al op de top van de volgende heuvel naar haar te wenken.
Dit was onmogelijk!
Deze afstand was lopend niet in zo’n korte tijd te overbruggen.
Zelfs een getrainde sportman zou dat niet gehaald hebben.
Maaike begon werkelijk te geloven in iets bovennatuurlijks, hoewel dat tegen haar nuchtere geest inging.
Een vaag geloven in leven na de dood, wilde nog niet zeggen dat ze de vertegenwoordigers daarvan op aarde verwachtte te ontmoeten.
De muziek was overigens weer verdwenen of in ieder geval volledig overstemd door het bulderen van de storm.
Het leek of de geest, of wat het dan ook was, op haar wachtte want hij liep pas verder toen Maaike een eindje zijn richting opgegaan was.
Bij de volgende heuveltop was de afstand tussen hen aanzienlijk afgenomen maar hij had wel het pad verlaten om het dal schuin over te steken.
Maaike keek achter zich om een paar herkenningspunten in haar geheugen te prenten en bleef hem op afstand volgen.
Na een kwartiertje was hij plotseling verdwenen in het niets.
Maaike had hem wel eens meer even niet gezien omdat een rotsblok of een struik het zicht op hem benam, maar deze keer leek hij echt verdwenen.
Of zou hij haar soms opwachten tussen de overblijfselen van het huis dat ze nu voor zich zag liggen?
Angstig en nieuwsgierig tegelijk sloop ze naar het huis.
Een stevige tak die ze zag, raapte ze op in de hoop dat die haar angst een beetje zou verminderen, wat maar zeer gedeeltelijk het geval bleek te zijn.
Langzaam naderde ze de ruïne, elke spier gespannen om bij het minste of geringste weg te vluchten of een klap met die tak uit te delen.
Ze was nu bij de opening waar eerst de voordeur had gezeten, aangekomen en weifelde of ze die zou doorgaan.
Ze had het gevoel dat haar hoofd, als ze dat voorzichtig om de hoek zou steken, afgehakt zou worden.
Belachelijk misschien, maar ze besloot voor een andere tactiek te kiezen.
Ze telde in stilte tot drie en sprong toen als een felle kat door de deuropening.
Ze gaf spontaan een gil door wat ze daar zag.
Aan een balk van het half vergane plafond bungelde een gehangene zachtjes heen en weer in de wind.
Een ogenblik leek het erop alsof ze alle controle over zichzelf zou verliezen en in hysterie zou losbarsten.
Ze dwong zichzelf rustig te blijven.
Met haar tak vast omklemd, naderde ze de gehangene en herkende de dronkaard uit de pub.
Het verband van de dokter zat nog om zijn hoofd.
Aan zijn jas was een briefje bevestigd en Maaike kwam iets dichterbij om het te kunnen lezen.
In sierlijke letters stond geschreven:
“Het uur van de wraak is aangebroken. Niemand zal het dorp levend verlaten tot de schuldigen gestraft zijn.
Getekend: de geest van Sean Bourke.”
Maaike voelde zich misselijk worden en verliet kokhalzend de ruïne
Buitengekomen, probeerde ze zich te oriënteren om de weg naar het dorp terug te vinden, terwijl de storm zijn onheilspellende gehuil liet horen.

Johan was erg geschrokken toen hij Maaike wilde ophalen en van weduwe Bourke te horen had gekregen dat ze het pad naar de heuvels opgegaan was.
Het vrouwtje vertelde dat ze haar weg had zien gaan toen ze toevallig door het raam naar buiten had gekeken.
Ze had er geen idee van waarom Maaike dat gedaan had en het ook niet kunnen vragen omdat ze slecht ter been was en haar nooit had kunnen inhalen, als ze dat eventueel gewild had.
Johan begreep er niets van.
Dit was niets voor Maaike om er zomaar vandoor te gaan.
Ze hadden duidelijk afgesproken dat ze naar de pub zouden gaan.
Hij maakte zich ongerust.
Er moest iets gebeurd zijn waardoor ze die beslissing genomen had.
Maar wat?
Hij was de eerste heuvel nog opgerend maar begreep, toen hij haar daar niet zag, dat het onverstandig was om op goed geluk verder te gaan.
Hij kende de omgeving niet en bovendien zou het over niet al te lange tijd donker worden.
Daarom snelde hij terug naar de pub om hulp te halen.
Niemand voelde er veel voor om er met deze storm op uit te trekken.
Eigenlijk was alleen Barend meteen bereid om met hem mee te gaan.
Ze kregen van de kastelein een zaklantaarn mee en het advies om niet van de paden af te wijken.
“Volgens mij zijn ze gewoon te bang om mee te gaan,” mopperde Barend.
Johan kon zich daar wel iets bij voorstellen en was in ieder geval blij de vertrouwenwekkende gestalte van de kolossaal groot uitgevallen Barend naast zich te hebben.
Het nadeel was alleen dat Barend met zijn logge lichaam niet zo snel kon lopen als Johan wel zou willen.
En er was hem alles aan gelegen om Maaike zo snel mogelijk te vinden.
Er werd niet veel gezegd onderweg.
Johan piekerde zich suf over wat Maaike er toe bewogen kon hebben om hier naar toe te gaan en Barend had gewoon al zijn adem nodig om Johan bij te houden.
Plotseling bleef Johan staan omdat hij meende in de verte iets te zien.
Barend tuurde ook in de aangegeven richting maar zag niets.
“Kijk dan!” riep Johan en wees nogmaals voor zich uit.
“Nou, ik zie niets hoor,” bromde Barend.
“Ik ren er in ieder geval naar toe,” sprak Johan gejaagd. “Als het inderdaad niets is, dan vind je me terug als je gewoon dit pad volgt en anders is het de moeite waard geweest om van dat pad af te wijken. Tot zo!”
En weg was Johan.
Barend bleef verbluft achter en vroeg zich af of het nog wel zin had om de rennende Johan te volgen.
Hij keek eens om zich heen.
De storm joeg over het verlaten land en rukte aan de struiken en een enkele boom.
De intredende duisternis gaf er een extra spookachtige dimensie aan.
In spoken geloofde Barend absoluut niet, maar het idee dat er nu twee jonge mensen ronddoolden die onbekend waren met de omgeving zat hem niet lekker.
Mopperend zette hij zich weer in beweging en volgde met zware tred het slecht begaanbare pad.
Johan was intussen al aardig opgeschoten en zag tot zijn vreugde inderdaad een gestalte voor zich die geheel in het zwart gekleed ging.
Misschien zou die persoon hem kunnen helpen of…
Ja, wat eigenlijk? Hij wist eigenlijk niet eens waarmee hij zou kunnen helpen.
Met zoeken misschien?
Hij zou waarschijnlijk de omgeving kennen en dat zou natuurlijk een voordeel zijn.
Johan rende naar de man toe tot deze zich plotseling omdraaide.
Geschrokken zag Johan dat het gezicht van de man schuilging achter een bivakmuts.
De man zei niets maar zette het op een lopen.
Johan aarzelde niet en zette de achtervolging in.
Hij was dan wel geschrokken van die bivakmuts, wat weinig goeds voorspelde, maar misschien had dat juist wel iets met de verdwijning van Maaike te maken.
Barend was in geen velden of wegen te bekennen maar ze renden nog steeds over het pad, dus uiteindelijk zou hij wel komen en dat stelde hem gerust.
Bovendien, als de man in het bezit van een vuurwapen zou zijn, dan zou hij dat wel gebruikt hebben en als het op vechten aankwam stond Johan met al zijn karatelessen, zijn mannetje.
Langzaam maar zeker haalde hij hem in.
De man, die blijkbaar merkte dat hij terrein verloor en dat verder rennen op den duur geen zin had, stopte en draaide zich om.
Hij haalde een mes tevoorschijn en wachtte in dreigende houding Johan op.
Deze zag het en minderde vaart.
“Ik heb geen kwade bedoelingen,” sprak Johan bezwerend. Ik heb juist je hulp nodig. Ik zoek mijn vriendin die verdwaald is. Heb je haar misschien gezien?”
De man dacht even na voor hij antwoord gaf.
“Donder op als je leven je lief is,” zei hij toen.
Johan kwam een stap naar voren en de man zwaaide dreigend met zijn mes.
“Nogmaals: ik vraag alleen je hulp. Ik heb geen wapens bij me. Kunnen we niet gewoon praten?”
De man kwam dreigend met zijn mes naar voren.
“Donder op of ik vermoord je!”
Op de een of andere manier had Johan het idee dat deze gemaskerde iets met Maaike te maken had en zelfs als dat niet het geval zou zijn, dan liet hij zich toch niet op deze wijze afschepen.
Onverwacht stootte de man met zijn mes naar voren.
Johan ontweek de aanval ternauwernood door opzij te springen en begreep dat het menens was.
Hij nam een aanvallende houding aan en draaide om de man heen in de hoop een aanval uit te lokken die hij zou kunnen afslaan, om dan een tegenaanval in te zetten.
De man tastte zijn tegenstander af met enkele korte schijnbewegingen.
Johan liet zich daardoor niet van de wijs brengen en wachtte zijn kans af.
Een plotselinge aanval deed hem opzij springen en hij wist in het voorbijgaan een gevoelige klap op de arm van de man te geven.
Johan kon door die bivakmuts het gezicht van zijn tegenstander niet zien maar hoorde aan een zacht gekreun dat het pijn gedaan moest hebben.
Het vervelende was alleen, dat de man het initiatief nu aan Johan overliet.
Deze bewoog wat met zijn armen en maakte af en toe een korte schopbeweging.
De man werd onzeker maar stak onverwacht in de richting van Johans buik.
Snel stapte hij opzij en weerde met een zijwaartse slag de arm met het mes af.
Met zijn andere arm verkocht hij een klap op het gezicht van de man.
De klap kwam niet helemaal goed aan maar de man verloor zijn evenwicht en viel op de grond.
Johan aarzelde niet en sprong boven op hem.
Hij greep de arm met het mes en duwde die tegen de grond.
Met de knokkels van zijn vrije vuist sloeg hij zo hard hij kon op de arm van de man.
Met een schreeuw van pijn liet deze het mes los.
Johan wou het pakken, lette daardoor even niet op en kreeg een knietje in de buik.
Snel rolde Johan opzij en wachtte, liggend op zijn rug, een eventuele aanval af.
Maar de man krabbelde overeind en rende weg, zo snel als hij kon.
Johan kwam met een van pijn vertrokken gezicht overeind en zette de achtervolging weer in.
De man verliet nu het pad en rende naar een omgevallen boom die over een beekje lag en klauterde daar overheen.
Johan had de boom bereikt nog voor de ander aan de overkant was.
Ook hij begon aan de oversteek, hoewel de boom vervaarlijk wiebelde.
Plotseling kantelde de boom een halve slag waardoor Johan zijn evenwicht verloor en op de een of andere manier raakte zijn been beklemd tussen de boom en de stenen langs het beekje.
In de boom was meteen geen beweging meer te krijgen.
Kennelijk had het zwaartepunt zich zo verplaatst dat de boom nu muurvast lag.
Geschrokken keek Johan of de ander hem misschien in deze weerloze houding zou aanvallen maar die had zich al uit de voeten gemaakt.
Johan probeerde zijn been los te krijgen maar dat lukte niet.
Zijn voet bleef ergens achter steken.
Het begon nu echt donker te worden en hij vroeg zich al af hoe hij de aandacht van Barend kon trekken als deze, het pad volgend, hem zou bereiken.
Gelukkig lag hij niet ver van het pad af en zou de storm zijn hulpgeroep in de richting van Barend blazen als deze langskwam.
Het duurde nog geruime tijd voor het schijnsel van een zaklantaarn de komst van Barend aankondigde.
Johan vertelde in het kort wat er gebeurd was.
Barend schudde alleen zijn hoofd en keek naar het been van Johan en naar de boom.
Hij duwde en trok even aan de boom en schudde weer zijn hoofd.
“Dat zal niet meevallen om je hier onder vandaan te krijgen,” sprak hij somber.
“Je bent vreselijk sterk dus ik heb er alle vertrouwen in,” moedigde Johan hem aan.
Hij had absoluut geen zin om hier een hele tijd op hulp te liggen wachten.
“Luister,” zei Barend. “Ik tel tot drie en zal dan uit alle macht tegen die boom duwen. Jij moet dan op de derde tel je voet wegtrekken. Maar doe het wel snel want ik kan hem waarschijnlijk niet houden.”
Barend zette zich schrap, telde tot drie en duwde toen uit alle macht.
De boom kwam in beweging maar niet genoeg.
Ook de poging daarna mislukte.
“Je geeft het toch niet op, hè,” vroeg Johan toen Barend er even bij ging zitten om uit te blazen.
Barend bescheen met de zaklantaarn de plek waar Johans been vast zat.
“Het is een kwestie van millimeters. Stom dat ik daar niet eerder aan gedacht heb.”
Hij boog zich voorover en frummelde aan Johans voet.
“Wat ben je aan het doen?” vroeg Johan.
“Ik probeer je schoen uit te trekken.”
“Au! Je trekt momenteel mijn voet eraf.”
“Ik krijg je schoen niet uit maar hij zit nu wel los om je voet. We proberen het nog eens.”
Barend installeerde zich weer bij de boom en concentreerde zich.
“Ik tel niet meer tot drie. Zodra je beweging in de boom voelt, trek je je been naar je toe.”
Johan keek naar Barend die een paar maal zachtjes tegen de boom duwde.
Plotseling stiet hij een soort oerkreet uit en beukte met alle kracht die hij bezat zijn lichaam tegen de boom.
Johan aarzelde niet en trok, ondanks de pijn, zijn been tussen de boom en de keien vandaan.
Net op tijd want de boom viel weer terug in zijn oude stand.
“Het is je gelukt!” juichte Johan. “Geweldig!”
Hij viste zijn schoen uit het ondiepe water bij de oever van de beek en gaf Barend daarna een dankbare klap op de schouder.
“We moeten terug naar de pub,” sprak deze. “Verder gaan heeft geen zin. En wie weet: misschien is ze daar al weer.”
“Je hebt gelijk. Laten we gaan. Bovendien: als Maaike er dan nog niet is, moet de politie wel op onderzoek uit gaan.”
De twee mannen volgden in het schijnsel van de zaklamp het pad terug naar de pub.
De storm gierde door de donkere avond en ze waren blij toen ze na geruime tijd het dorp weer bereikten.
Alleen, de opluchting over de goede afloop kon bij Johan de ongerustheid over Maaike niet wegnemen.
Zijn hart bonsde dan ook in zijn keel toen ze bij de ingang van de pub aankwamen.

Reacties mogelijk in het gastenboek.