Kwaggel

Kwaggel heb ik geschreven toen mijn broer Matthijs bezig was ons prentenboek ‘ Op avontuur met Kapitein Krijn’ te illustreren.
Elke maandagochtend om half 11 fietste ik naar het huis van Matthijs om daar een hoofdstukje of een aanzet tot een hoofdstukje te schrijven als hij aan het aquarelleren was.
Ondertussen praatten we over van alles en nog wat en zo wilde het schrijven niet altijd vlotten maar dat gaf niet want in de week die daarop volgde maakte ik het af.
De maandag daarop kwam er weer een nieuw hoofdstuk tot Matthijs klaar was met illustreren en ik ook zo’n beetje met het verhaal van ons volgende boek.
De bedoeling is om het nog eens uit te geven maar voorlopig zit dat er niet in dus daarom zet ik het alvast maar op mijn site.
De bedoeling is om tussen de tekst door, de tekeningen van Matthijs te zetten.
Van twee hoofdstukken heb ik tekeningen die ik er nu maar even apart, los van de tekst dus, bijzet.

Hoofdstuk 1

Het was een vroege morgen in mei.
Kwaggel stak zijn hoofd buiten de deur en zag dat het wel eens een mooie dag zou kunnen gaan worden.
Hij rook de frisse lentegeur en voelde de warmte van de zon al op zijn bol.
Tijd om eens kennis met de bewoners van Het Grote Bos te maken, vond Kwaggel.
Het was al weer een tijdje geleden dat hij hier was komen wonen en tot nu toe had hij nog niemand van de bosbewoners gesproken.
Af en toe had hij wel eens iemand in de verte langs zien lopen, maar bij langslopen was het gebleven.
Hij had het trouwens veel te druk gehad met het gezellig maken van zijn huisje.
Kwaggel keek tevreden naar zijn woninkje waar hij zich nu toch al een beetje thuis voelde.
Hij rekte zich eens lekker uit in de zon en besloot om eerst nog wat te eten.
Hij dacht dat het wel beter was om gegeten te hebben voordat je ging kennismaken.
Het zou een beetje ongepast zijn om je met een knorrende maag aan iemand voor te stellen.
Net alsof je zou zeggen: “Hallo, ik ben Kwaggel en ik heb honger.”
Hij glimlachte in zichzelf en opende zijn goed gevulde provisiekast.
Hij stapelde een  bord vol met lekkers en zette zich aan de kleine keukentafel.
Tevreden snoepte hij zijn bord leeg, veegde zijn lippen af en voelde zich slaperig worden.
Dat komt natuurlijk van het eten, dacht Kwaggel.
Hij nestelde zich in zijn luie stoel en sloot zijn ogen.
Heel even maar, dacht hij. En dan ga ik.
Twee uur later kwam hij uit zijn stoel, opende de deur van zijn huisje en voelde een heerlijk lentezonnetje op zijn bol schijnen.
Voor alle zekerheid nam Kwaggel nog wat lekkers uit de provisiekast voor onderweg.
Hij stopte een deel van het lekkers in zijn broekzak, de rest in zijn mond en daarna ging hij welgemoed op pad.

Hoofdstuk 2

Na een kwartiertje wandelen kwam hij bij een rivier.
In die rivier zwom van alles rond en Kwaggel vroeg zich af met wie hij kennis zou kunnen maken.
Hij koos voor twee eenden die dicht in de buurt ronddobberden.
“Hallo!” riep Kwaggel. “Ik ben Kwaggel.”
De twee eenden keken hem eens aan.
“Oh,” zei de ene.
“Zo,” zei de andere.
“Ik kom eigenlijk om kennis met jullie te maken.”
“Oh,” zei de ene.
“Zo,” zei de andere.
“Aangenaam. Nou, ik ben dus Kwaggel.”
“Oh,” zei de ene.
“Zo,” zei de andere.
De kennismaking wilde niet erg vlotten.
Kwaggel dacht dat dat misschien kwam omdat hij op het land stond en de eenden in het water lagen.
Dat schept toch een afstand.
Misschien zou de kennismaking ín het water beter gaan.
Hij trok zijn broek en schoenen uit en stak voorzichtig een teen in het water.
Hm, toch wel koud, dacht hij. Nou ja, doorzetten dan maar.
Hij ging op de kant zitten , liet eerst zijn ene been in het water zakken en daarna zijn andere.
Hij kneep met één hand zijn neus dicht en zette met de andere af.
Na een flinke plons ging hij kopje onder.
De twee eenden keken elkaar eens aan en staken daarna hun kop onder water om te kijken of
ze hem zo ergens konden zien.
Kwaggel kwam net boven en keek tegen twee eendenachterwerken aan.
Dat is de verkeerde kant, dacht hij en draaide zich zó om dat zijn kop nu ook onder water stak.
Daar zagen ze elkaar weer, de eenden en Kwaggel.
“Hallo, ik ben Kwaggel,” probeerde Kwaggel te zeggen maar er kwamen alleen maar luchtbelletjes uit zijn  mond.
De eenden keken elkaar eens aan en draaiden zich om zodat hun koppen weer boven water staken.
Kwaggel wilde dat ook doen, verslikte zich en kwam proestend boven.
Toen hij eindelijk bij adem was en zijn ogen weer goed kon openen, zag hij dat de eenden weggezwommen waren.
Nou ja, er zijn nog heel veel andere dieren waar ik kennis mee kan maken, dacht hij.
Hij klom op de kant en schudde zich eens goed uit.
De zon scheen op zijn bol en hij voelde zich weer lekker warm worden.

Hoofdstuk 3

Na een tijdje wandelen kwam hij bij een dam in de rivier.
Er heerste een grote bedrijvigheid.
Bevers liepen af en aan met takken of zetten hun tanden in een brok hout.
Ze waren allemaal druk bezig en hadden daardoor geen aandacht voor Kwaggel, die juist probeerde aandacht te krijgen.
Hij klom op de dam en wilde iets tegen een tegemoetkomende bever zeggen maar die was hem al vóór.
“Opzij, dikke!”
Kwaggel stapte iets opzij maar bleek nu weer iemand anders te hinderen.
“Ga ergens anders in de weg staan, wil je!”
Kwaggel deed gauw nóg een stap opzij maar dat was er één te veel.
Er was geen tak meer om op te staan.
Hij zwaaide nog even met zijn armen in een poging om zijn evenwicht te bewaren, gaf het op en viel met een luide plons in het water.
Hij had daardoor wél de aandacht op zich gevestigd.
Eén bever richtte zelfs het woord tot hem.
“Hé, nou je er tóch in ligt, breng die boomstam achter je gelijk even aan de kant.”
Boomstam achter me? dacht Kwaggel.
Meteen daarop knalde de bedoelde boomstam tegen zijn achterhoofd en begreep Kwaggel waar de bever het over had.
Hij draaide zich om en duwde het brok hout naar de kant.
Drie bevers namen de boomstam van hem over.
“Bedankt maatje!” riep een van hen nog en wég waren ze met de boomstam.
Toch aardig van hem dat hij me bedankte, vond Kwaggel toen hij aan de kant van de rivier zat en de beurse plek op zijn achterhoofd betastte.
Misschien kan ik beter maar eens langskomen als ze het minder druk hebben, dacht hij.
Kwaggel stond op, schudde het water van zich af en voelde de weldadige warmte van de zon.
Nou, dan probeer ik het maar eens verderop, dacht Kwaggel.
Hij begon te wandelen terwijl de zon vrolijk op zijn bult scheen.

Hoofdstuk 4

Kwaggel kreeg het een beetje warm van het wandelen in de zon en zocht de schaduw van een grote dennenboom op.
Puffend ging hij zitten en leunde achterover tegen de stam van de boom.
Op het moment dat hij een ogenblik zijn ogen wilde sluiten, hoorde hij een zachte plof op het mos naast zich.
Hij keek in de richting vanwaar het geluid vandaan kwam.
Het bleek een dennenappel te zijn.
Waar zou die vandaan komen?
Automatisch keek hij omhoog en zag een eekhoorn.
“Is die dennenappel van u?” vroeg Kwaggel.
“Die wás van mij. Ik heb al een andere,” antwoordde de eekhoorn.
“Anders wil ik hem wel even bovenbrengen hoor,” stelde Kwaggel voor. “Dan kom ik gelijk even kennismaken.”
“Niet nodig. Ik heb al een andere,” sprak de eekhoorn knorrig.
“Dan kom ik alleen even kennismaken.”
“Dat is ook niet nodig.”
“Maar dat vind ik leuk,” zei Kwaggel en kwam overeind.
Misschien dat de eekhoorn nog wat wilde zeggen maar hij had zijn mond vol met de inhoud van een dennenappel.
Kwaggel was ondertussen bezig met klimmen.
Dat viel nog niet mee.
Met zijn armen omklemde hij de stam en met zijn voeten probeerde hij af te zetten.
Elke keer als hij tien centimeter hoger was, zakte hij er minstens vijftien naar beneden tot hij tenslotte weer op de grond belandde met zijn armen nog om de boom geslagen.
Nou, dacht Kwaggel. Dat ga ik dus anders aanpakken. Ik ga niet klimmen maar springen. Als ik op die onderste tak weet te komen, kan ik vandaar via die andere takken omhoog klauteren.
Maar hoe hij ook sprong, het lukte hem niet om die onderste tak vast te pakken.
Misschien lukt het met een aanloop, dacht Kwaggel.
Hij mat de afstand tot de boom en de tak, zette af en rende zo hard hij kon erop af.
Toen nam hij een enorme sprong en vloog op volle snelheid onder de tak door, pal tegen een andere boom aan.
De klap kwam zo hard aan dat de takken van de boom heen en weer zwiepten en er een hele lading dennenappels op de grond viel.
“Ik zei toch dat ik al een andere dennenappel had,” mopperde de eekhoorn en sprong van tak tot tak tot hij uit het gezicht verdwenen was.
Kwaggel wachtte even tot de sterretjes voor zijn ogen verdwenen waren en pakte een van de dennenappels.
Hij peuterde er een paar zaadjes uit en proefde die in zijn mond.
“Niet lekker,” oordeelde hij en nam iets lekkers uit zijn eigen voorraad.
Dat smaakt veel beter, dacht Kwaggel en vervolgde smikkelend zijn weg.

Hoofdstuk 5

Het paadje waarop Kwaggel wandelde, verliet het bos en voerde nu door de weilanden.
Wat een mooi uitzicht, dacht Kwaggel. Je kunt hier heel ver kijken.
Hij zette zijn handen in zijn zij en keek tot aan de verre horizon
Wat dichterbij zag hij een aantal koeien in het gras liggen.
Daar ga ik eens even mee kennismaken, dacht hij en sprong over het smalle slootje om op het weiland te komen.
Geen nat pak deze keer, dacht hij tevreden en stapte vervolgens in een grote koeienvlaai.
Kwaggel keek naar de groenbruine smurrie op zijn schoen en besloot om toch eerst maar te gaan kennismaken.
Hij stapte op een groepje koeien af dat gezellig bij elkaar lag te herkauwen.
“Hallo dames,” groette Kwaggel joviaal.
De dames zeiden niets en herkauwden onverstoorbaar verder.
Toch zijn het vriendelijke dieren, dacht Kwaggel.
De koe die het dichtst bij Kwaggel lag, hield haar hoofd in zijn richting maar het leek wel of zij langs hem heen keek.
Vriendelijk, dat wel.
Hij groette een andere koe maar die kéék niet eens in zijn richting.
Kwaggel krabde zich eens achter de oren.
“Het lijkt wel of ik niet voor ze besta,” mompelde hij.
Hij richtte zich weer tot een andere koe maar die draaide zich, al herkauwend, op haar andere zijde.
Eén koe was opgestaan en liet van achteren een flinke hoeveelheid smurrie naar beneden vallen.
Kwaggel stond erbij en keek ernaar.
Het wordt tijd dat ik mijn schoen maar eens ga schoonmaken, besloot hij.
“Dag dames,” zei hij beleefd en wandelde terug naar het slootje.
De koeien bleven vriendelijk voor zich uitstaren en herkauwden er lustig op los.

Hoofdstuk 6

Het paadje voerde nog steeds langs de weilanden toen Kwaggel ontdekte dat er aan de andere kant van de sloot iets pluizigs naast hem liep.
Hij keek naar links en zag een schaap
En toen hij eens goed keek, zag hij dat het niet bij één bleef.
Het bleek een hele kudde te zijn!
Kwaggel hield halt en de kudde ook.
De schapen keken hem allemaal aan.
Zoveel aandacht had Kwaggel nog niet meegemaakt en hij werd er een beetje verlegen van.
“Hallo allemaal. Ik ben Kwaggel,” stelde hij zichzelf voor.
De schapen keken hem schaapachtig aan.
“Hoe heet u?” vroeg hij en keek naar niemand in het bijzonder.
Niemand in het bijzonder keek terug.
Alle op Kwaggel gerichte ogen leken samen wel één groot schaap te vormen.
Kwaggel kreeg een idee.
“Lopen jullie gezellig even een eindje met me mee?”
De schapen zeiden geen ‘ja’ maar ook geen ‘nee’.
“Nou, dan gaan we maar,” zei Kwaggel en begon te lopen.
Alle schapen volgden hem.
“Lekker weertje, hè,” probeerde Kwaggel nog eens.
Geen reactie.
“Hé, wat is dat daar?” vroeg Kwaggel en hield stil om goed in de verte te kijken.
De schapen stopten ook en keken goed naar Kwaggel.
“Het lijkt wel een hond. Zien jullie dat?”
Een schaapachtige blik als antwoord.
“Nou, laten we maar weer verder gaan,” zei Kwaggel en deed een paar stappen.
“Gezellig hè, dat met z’n allen wandelen!”
Kwaggel keek nog eens naar links en zag geen schapen die volgden maar een grote boze herdershond die aan kwam zetten.
“Wat moet dat met onze schapen!” riep de grote boze herdershond.
“Niets meneer. Ze liepen gewoon met me mee.”
“Dat doen schapen altijd, sufferd. Je moet ervoor zorgen dat ze dat níet doen.”
“O, nou, ik zal het niet meer doen.”
“Je moet het juist wél doen!”
Kwaggel keek hem niet begrijpend aan.
“Ervoor zorgen dat ze het níet doen. Dat ze je volgen, bedoel ik,” legde de hond uit.
“Nee meneer. Of : ja meneer, bedoel ik. Of …eh nee, eh…”
De hond liep hoofdschuddend van Kwaggel weg, gevolgd door de hele kudde schapen.
Kwaggel keek de meute na.
Nou ja, het was daarnet toch even gezellig, dacht hij.

Hoofdstuk 7

Een eindje verderop zag Kwaggel langs de kant van de sloot een reiger staan.
De reiger stond stokstijf stil en staarde in het water.
Kwaggel minderde ogenblikkelijk vaart omdat de reiger eruit zag als iemand die je hierbij niet moest storen.
Langzaam, op zijn tenen lopend, naderde Kwaggel de reiger, die onafgebroken in het water bleef staren.
Kwaggel stond nu ook stil en staarde op zijn beurt naar de reiger.
Hij wilde graag kennismaken maar durfde iemand die zó geconcentreerd bezig was, niet te storen.
Niets wees erop dat de reiger behoefte had om met Kwaggel in contact te komen.
Zo stonden ze een tijdje zwijgend naast elkaar.
Zou de reiger eigenlijk wel weten dat Kwaggel naast hem stond?
Kwaggel kon aan niets merken dat dat het geval was.
De reiger bleef maar in het water staren.
Kwaggel vroeg zich af hoe hij de aandacht op zich kon vestigen zonder de reiger te laten schrikken.
Hij wiegde heen en weer, van zijn ene been op zijn andere been, in de hoop dat de reiger hem zo zou opmerken.
Maar dat bleek niet het geval.
Kwaggel wisselde het heen en weer bewegen nu af met van voor naar achteren bewegen.
Maar de reiger gaf geen krimp en bleef in het water staren.
Kwaggel bewoog steeds heftiger heen en weer en van voor naar achteren en begon daarbij ook nog een melodietje te neuriën.
Zó moest de reiger hem toch wel opmerken, zou je denken.
En inderdaad!
“Stop daarmee, zenuwenpees.” snauwde de reiger zachtjes, terwijl hij geconcentreerd in het water bleef staren.
Geschrokken stond Kwaggel meteen stijf en stil.
Misschien was het maar beter om een andere keer kennis te maken.
Hij sloop bij de reiger vandaan en was blij dat hij weer zichzelf kon zijn.
De reiger stak zijn kop onverwacht snel in het water en haalde triomfantelijk een vis tevoorschijn.
Maar dat zag Kwaggel niet meer.

Hoofdstuk 8

Tijd voor wat lekkers, dacht Kwaggel en ging op een grote kei zitten.
Hij haalde een flinke chocoladereep tevoorschijn en begon de wikkel eraf te peuteren.
In de verte zag hij een stipje naderen dat snel naderbij kwam.
En wel héél snel ook!
Kwaggel deed zijn mond al open om de aansnellende hardloper te begroeten.
Maar de haas, want dat was het, stoof al voorbij nog voordat Kwaggel iets had kunnen zeggen.
Kwaggel stopte toen maar een brok chocola in zijn nog geopende mond.
Hij kauwde de chocola tevreden tot moes en genoot van de heerlijke smaak.
Hé, kwam die haas er nu alweer aan?
Kwaggel zag een stipje snel groter worden en inderdaad;  het was de haas.
Deze keer was de haas al voorbij nog voordat Kwaggel zijn mond zelfs maar open had kunnen doen.
Dat deed hij daarna dan maar, om er een tweede brok chocola in te stoppen.
Wat was dat toch lekker!
Nou zeg, kwam die haas daar nu alweer aan?
Kwaggel stond op om deze keer niet te laat te zijn om kennis te maken.
“Hallo, ik ben…,” begon Kwaggel en zag hoe de haas langs zoefde en al snel uit het zicht verdween.
“Kwaggel,” maakte hij de zin af en ging vervolgens weer op de kei zitten.
Tot zijn verbazing zag hij dat stipje weer aankomen.
Ik blijf zitten, dacht Kwaggel. Die komt toch alleen maar langs rennen.
Maar nee, de haas kwam gierend van het remmen met zijn lange voeten tot stilstand.
“Was er wat?” vroeg de haas aan de verblufte Kwaggel.
Kwaggel kwam overeind en wist even niet goed hoe hij moest beginnen.
“Schiet op,” sprak de haas gejaagd. “Wat is er?”
“Eh, ik ben Kwaggel,” sprak Kwaggel aarzelend.
“Ja, en?”
Kwaggel zocht naar de juiste woorden om uit te leggen dat hij graag wilde kennismaken maar dat duurde de haas blijkbaar te lang.
“Ik spreek je nog wel eens,” sloot de haas kort af en spurtte weg.
Kwaggel ging weer op de kei zitten en stak het laatste stuk reep in zijn mond.
Wat was die chocola toch heerlijk!

Hoofdstuk 9

Kwaggel mijmerde nog wat na in het zonnetje toen hij een zucht meende te horen.
Verbaasd keek hij om zich heen.
Waar kwam dat nou vandaan?
Hij hoorde wéér een zucht maar nu duidelijk onder zich; uit de kei leek het wel.
Hij keek naar beneden en zag een soort grote kiezelsteen uit de kei tevoorschijn komen.
De kiezel had twee oogjes die hem verwijtend aankeken en een mond die langzaam open ging.
“Ga eens van me af,” sprak die mond.
Eigenlijk klonk het als ‘Gggaaa- eeeeeennnsss- vvvaaannn- mmmeee- aaafff’  want alles kwam er heel langzaam uit.
Kwaggel stond gauw op en zag dat hij al die tijd op een schildpad had gezeten.
“Neem me niet kwalijk,” verontschuldigde hij zich. “Ik dacht dat u een steen was.”
“Mooi- is- dat.   Kijk- liever- uit- je- doppen- vóór- je- ergens- gaat- zitten.   Ik- ga- toch- ook- niet- op- jou- zitten,”  mopperde de schildpad.
Het duurde lang voordat hij deze lap tekst er eindelijk uit had weten te krijgen, dus Kwaggel had alle tijd gehad om na te denken.
Het was duidelijk dat dit op deze manier wel eens een zeer langdurige kennismaking zou kunnen gaan worden.
Als Kwaggel nog meer ontmoetingen wilde hebben, moest hij zorgen dat dit niet te lang zou gaan duren.
“Ik ben Kwaggel,” sprak Kwaggel dus vlug toen de schildpad eindelijk uitgesproken was.
“Wie- zei- je?” vroeg de schildpad.
“Kwaggel,” herhaalde Kwaggel.
“Wat?”
“Kwaggel!” riep Kwaggel tegen de schildpad die wel doof leek.
De schildpad schudde langzaam zijn hoofd.
“Nee,   die- ken- ik- niet.”
Kwaggel wilde gaan uitleggen dat dit nou juist de reden was dat hij wilde kennismaken maar bedacht zich, toen hij eraan dacht hoeveel tijd dit zou gaan kosten.
“Nou, dan ga ik maar weer eens.”
“Wat- zeg- je?”
“Ik ga maar weer eens!”
“Zal- wel,” mompelde de schildpad en trok langzaam zijn kop naar binnen.
Kwaggel zei niets, wuifde even met zijn hand ten afscheid en ging er welgemoed vandoor.

Hoofdstuk 10

Kwaggel genoot van de geluiden om zich heen toen hij het kronkelige paadje volgde dat hem door het bos voerde.
Het viel hem wel op dat het paadje niet alleen kronkelde maar ook behoorlijk ongelijk lag.
Zijn linkerbeen zakte ver weg naar beneden, in vergelijking met zijn rechterbeen, als hij een stap zette.
Nou ja, alles went.
Zijn blik viel op een hoopje zand vóór zich dat groter en groter werd.
Raar, dacht Kwaggel en bleef staan om te zien of er verder nog wat met het hoopje zou gebeuren.
Dat was inderdaad het geval.
Eerst kwam er een snuit uit tevoorschijn en daarna de helft van wat een boze mol bleek te zijn.
De mol kruiste zijn grote graafarmen over elkaar en keek misprijzend naar Kwaggel.
“Vind je dat leuk, andermans gang intrappen?”
“Hoe bedoelt u?” vroeg Kwaggel onzeker.
“Zoals ik het zeg: je trapt mijn gang kapot.”
“Neem me niet kwalijk. Ik had dat niet in de gaten.”
“Nou, dan hoop ik dat je vanaf nu uitkijkt waar je die platvoeten van je neerzet,” besloot de mol.
“Dat zal ik doen, meneer. Ik ben trouwens Kwaggel.”
“Ik niet,” sprak de mol kortaf en verdween razendsnel onder de grond, door met zijn sterke graafarmen het zand opzij te werken.
Kwaggel keek er met bewondering naar.
Daarna bekeek hij zijn eigen armpjes en vroeg zich af of hij daarmee ook zou kunnen graven.
Eerst maar eens een beetje oefenen in die zandhoop, dacht hij. Eigenlijk zit daar al een gat, dus dat is een mooie oefenplek.
Het leverde Kwaggel een paar vermoeide armen en vieze vingers op maar hij had inmiddels wél een opening in de grond.
Nieuwsgierig stak hij zijn hoofd in het gat dat naar de onderaardse gang leidde.
Wat was het donker hier!
“Hallo! Is daar iemand?!” riep hij in de donkere gang.
Geen antwoord.
Kwaggel trok zijn hoofd weer uit het gat en veegde het zand van zich af.
Hij keek nog eens naar zijn handen en zag wel in dat die niet geschikt waren om te graven.
Maar ja, waarom zou je graven om in een donkere gang terecht te komen?
Hier boven was alles toch veel mooier!
Kwaggel keek tevreden om zich heen en vervolgde, vrolijk een deuntje fluitend, zijn weg.
Hij zorgde er wél voor om uit de buurt van de mollengang te blijven.

Hoofdstuk 11

Terwijl Kwaggel zo over het paadje wandelde, vroeg hij zich af waarom sommige dieren onder de grond wonen en weer andere op de grond en sommige zelfs boven de grond.
Onwillekeurig keek hij naar boven en zag daar iets grijs op een tak zitten.
Ik zou het kunnen vragen, dacht hij.
Op de grond, daar weet ik alles van, dat doe ik zelf, maar bóven de grond, waarom zou iemand dat doen?
Hij wandelde naar de boom waar een uil in zat te slapen.
“Dag meneer, ik ben Kwaggel. Mag ik vragen waarom u bóven de grond leeft?”
Er kwam geen antwoord.
Het lijkt wel of hij slaapt, dacht Kwaggel.
“Hallo meneer! Mag ik u wat vragen?”
Geen antwoord.
Hij zal toch niet dood zijn, dacht Kwaggel.
Kwaggel liep om de boom heen en bekeek de uil van alle kanten.
Hij zat wel héél stil op die tak, doodstil werkelijk.
“Hallo meneer!” probeerde Kwaggel nog eens.
Geen enkele reactie.
Kwaggel raapte een dennenappel van de grond, mikte op de boom vlak naast de uil en gooide ver naast.
Dat kan beter, dacht Kwaggel en deed een tweede poging.
Deze keer gooide hij raak.
Dat wil zeggen: hij raakte de uil.
Deze bleek in ieder geval niet dood te zijn.
“Wie deed dat?!” riep de uil boos.
“Ik, meneer, Kwaggel. Neem me niet kwalijk maar ik dacht dat u misschien dood was.”
“Ben jij soms niet goed bij je hoofd, om iemand bijna uit een boom te kogelen omdat je denkt dat hij dood is, terwijl hij gewoon zit te slapen!”
“Was u aan het slapen?”
“Ja,” sprak de uil afgemeten. “Heb je daar iets op tegen?”
“Nee hoor,” zei Kwaggel snel. “Maar het is toch dag…”
“Ja, en?”
“Nou ja, slapen doe je toch ’s nachts?”
“Niet als je ’s nachts op jacht gaat.”
“Jaagt u ’s nachts?”
“Ja, maar als je nou niet gauw maakt dat je weg komt en mij rustig laat slapen, wil ik bij uitzondering wel eens overdag gaan jagen. Op jou!”
Kwaggel schrok en liep gauw van de boom weg.
Ik heb weer een hoop geleerd, dacht hij. Je kunt dus op, onder en boven de grond leven en dan ook nog overdag en ’s nachts.
Kwaggel was blij dat de uil de moeite genomen had om hem dat uit te leggen.
Tevreden vervolgde hij zijn weg.

Hoofdstuk 12

Tijd voor wat lekkers, dacht Kwaggel en keek om zich heen of hij iets zag waarop hij lekker kon gaan zitten.
Die boomstronk daar leek hem wel wat.
Kwaggel controleerde eerst nog even of het echt wel een boomstronk was en niet een of ander dier want die geschiedenis met de schildpad lag hem nog vers in het geheugen.
Na controle ging hij zitten en zocht naar wat lekkers in zijn broekzak.
Het werd een zuurtje deze keer.
Heerlijk, dacht Kwaggel en keek tevreden sabbelend om zich heen.
Vlak vóór zich zag hij een muisje rondscharrelen, waarschijnlijk op zoek naar eten.
“Wilt u soms een beetje eten van mij?” vroeg Kwaggel vriendelijk.
“Wat eet u zoal? Toch geen muis hoop ik,” antwoordde de muis.
“Nee hoor!” lachte Kwaggel. Wie eet er nou muis?”
“Je zal ze de kost moeten geven die muis eten,” sprak de muis bitter.
Op het moment dat Kwaggel voorover boog om de muis een paar kruimels toe te steken, kwam er iets met een enorme snelheid naar beneden suizen.
Het bleek een buizerd te zijn, die het inderdaad op het muisje gemunt had.
Doordat Kwaggel onverwacht tussen de muis en de buizerd terecht gekomen was en de klauwen van de buizerd nog in ‘grijpstand’ stonden, werd Kwaggel opgetild in plaats van de muis.
Kwaggel was natuurlijk veel zwaarder dan het muisje en de buizerd kwam nauwelijks omhoog met zijn gewichtige prooi.
Kwaggel wilde vragen of de buizerd hem los wilde laten maar dat hoefde al niet meer.
Om een botsing met een hoge struik te voorkomen, liet de buizerd Kwaggel uit zichzelf al los.
Die zwiepte daarop tegen de struik aan en de struik zwiepte hem vervolgens terug naar de grond.
Toen Kwaggel, nog duizelig van de klap, zijn ogen open deed, zag hij twee muisjes aan komen lopen.
“Dank je wel,” zei een stem van ver. “Je hebt mijn leven gered.”
Kwaggel keek nog eens goed en zag dat het om één muis ging die bedankte.
“Ik ga maar gauw weer weg,” zei de muis. “Want die moordenaar komt vast snel weer terug.”
“Groot gelijk,” zei Kwaggel en stopte een grote droptoffee in zijn mond.

Hoofdstuk 13

Kwaggel kwam langzaam overeind en vroeg zich af wat hij zou doen.
Hij keek eens om zich heen en wist niet welke kant hij op zou gaan.
Tot nu toe had hij altijd gewoon maar doorgelopen maar dat wilde hij nu liever niet meer doen.
Want dat betekende dat hij dat hele eind ook weer terug zou moeten als hij weer naar huis wilde en hij voelde toch wel een lichte vermoeidheid opkomen.
Links achter zich hoorde hij een geluid dat klonk als een soort ‘roepen’.
Kwaggel wist nu meteen welke kant hij op wilde.
Nieuwsgierig wandelde hij in de richting van het geluid.
Het leek inderdaad alsof iemand hem riep.
Leuk!
Kwaggel verheugde zich al op een enthousiaste kennismaking.
Nog even langs een paar struiken en dan was hij er.
Midden op een open plek in het bos stond een pauw in al zijn statigheid te pronken met een prachtig uitwaaierende staart.
“Wat bent u mooi!” sprak Kwaggel vol bewondering.
De pauw keek naar Kwaggel op een manier die er geen twijfel over liet bestaan dat hij dat zelf ook wel wist.
“Had u mij geroepen?” vroeg Kwaggel.
De pauw keek naar Kwaggel op een manier die er geen twijfel over liet bestaan dat dat absoluut niet het geval was.
Kwaggel voelde zich onzeker worden.
“Ik ben Kwaggel,” stelde hij zich dapper voor. “Ik dacht dat u iemand riep.”
“Dat klopt,” sprak de pauw afgemeten.
“U riep zeker om iemand anders,” raadde Kwaggel.
“Dat kan je wel zeggen, ja! Ik riep om iets moois en dan kom jij aanzetten.”
“Sorry,” verontschuldigde Kwaggel zich. “Ik zal maar weer eens gaan.”
“Ja, doe dat. Je lelijkheid is stuitend. Ach, daar zal je haar hebben,” zei de pauw plotseling enthousiast en keek naar iets achter Kwaggel.
Kwaggel keek achterom en zag een vrouwtjespauw aan komen schrijden.
Ze liep Kwaggel voorbij alsof hij niet bestond.
De pauwen gaven elkaar een korte stijve groet en stonden vervolgens zwijgend naast elkaar, mooi te wezen.
Kwaggel stond erbij en keek ernaar.
Gezellig zal het hier niet worden, dacht Kwaggel. Aan alleen maar mooi zijn heb je ook niets. Tijd om een beetje gezelligheid op te zoeken.
Kwaggel ging opgelucht terug in de richting van zijn huis en werd zwijgend nagekeken door twee schoonheden.

Hoofdstuk 14

Kwaggel was niet zo tevreden over de dag, zoals die tot nu toe verlopen was.
Hij had zich veel voorgesteld van de kennismaking met de dieren van het bos.
En tot nu toe was het niet wat hij ervan verwacht had.
Kwaggel schopte tegen een steentje dat midden op het bospad lag.
Voor het eerst voelde hij zich niet meer zo vrolijk en blij.
Als het zo doorging werd hij nog somber.
Kwaggel schopte een harde kluit van het pad af.
Nee, dat zou hij niet laten gebeuren!
Hij haalde zijn been uit voor weer een schop tegen een kluit maar tot zijn stomme verbazing ging die kluit er uit zichzelf vandoor.
Kwaggel was zó verbaasd dat hij vergat te schoppen en daardoor viel hij voorover op zijn snuit, vlak naast de kluit.
“Heb je nou je zin!” bitste de kluit.
Kwaggel keek eens goed en vond dat de kluit veel van een kikker weg had.
“Neem me niet kwalijk. Ik dacht dat u een kluit was,” verontschuldigde Kwaggel zich. “Maar u bent natuurlijk een kikker.”
“Nee!”
“Nee?”
“Nee, ik ben geen kikker. Ik ben een pad.”
“Een pad?”
“Een pad, ja! Nog nooit van gehoord?”
“Ja, wel hoor,” haastte Kwaggel zich te zeggen. “Een pad is een soort dikke kikker met wratten op zijn lijf,” vulde Kwaggel aan, om te laten zien dat hij toch echt wel wist waar hij het over had.
“Zo, een dikke kikker met wratten op zijn lijf,” herhaalde de pad smalend. “Jij weet wel hoe je vrienden moet maken, hè!”
“Wil je vrienden met me worden dan?”
Kwaggel keek blij naar de pad.
Zou het nu dan eindelijk gaan gebeuren?
“Nee, natuurlijk niet,” snauwde de pad. “Jij volgt de verkeerde volgorde. Jij beledigt éérst en wilt daarna vrienden worden. De goede volgorde is: éérst vrienden zijn en dan ga je beledigen.”
“Doe je dat altijd, je vrienden beledigen?” vroeg Kwaggel.
“Ja,” knikte de pad.
“Nou, dan denk ik niet dat ik vrienden met jou wil worden,” besloot Kwaggel.
“Dacht jij dan dat ik vrienden zou willen zijn met zo’n dikke duffe domkop als jij!”
“Je haalt de volgorde door elkaar,” zei Kwaggel. “Je mag volgens jou pas beledigen als je vrienden bent. Nou, ik ben absoluut je vriend niet. Vaarwel!”
Kwaggel draaide zich resoluut om en liep, zeer tevreden over zichzelf, verder over het bospad.

Hoofdstuk 15

Kwaggel, die nog steeds het paadje volgde, verliet het bos en wandelde nu door een groot veld met hier en daar een paar struiken, maar ook prachtige bloemenvelden.
Bij zo’n veldje met prachtige bloemen ging hij heerlijk in het gras zitten.
Kwaggel zocht naar wat lekkers in zijn broekzak en haalde er een grote honingkoek uit te voorschijn.
Tevreden keek hij om zich heen.
Even lekker bijkomen met dat lekkers en dan bedenken wat hij zou gaan doen.
Kwaggel wilde in ieder geval terug naar huis want hij vond dat hij nu wel lang genoeg op pad was geweest.
Een bij kwam zoemend aangevlogen, kringelde enige malen om Kwaggel heen en landde toen op een bloem.
“Dag,” zei Kwaggel. “Ik ben Kwaggel. Wie bent u?”
“Ik ben een bij,” antwoordde de bij.
“En hoe heet u?” vroeg Kwaggel.
“Ik heet niet. Ik ben één van de velen. Samen vormen wij een volk: het bijenvolk.”
“Maar u bent toch ook een aparte bij. Een andere bij is toch weer anders,” meende Kwaggel.
“Nee, we zijn allemaal gelijk. Behalve de koningin. Die is de leider van ons volk.”
“O,” zei Kwaggel. “En hoe heet die leider?”
“Koningin natuurlijk”
Er viel een stilte.
Kwaggel dacht na over wat hij verder zou kunnen zeggen of vragen want hij vond het leuk dat er eindelijk eens kans op een echte kennismaking was.
“Vindt u die bloemen ook zo mooi?” probeerde hij.
“Ik vind ze vooral nuttig door de nectar die er in zit.”
“Nectar?”
“Ja, daar maken wij bijen dan weer honing van.”
“En wat doet u dan met die honing?”
“Daar leven we van. Helaas wordt er ook veel van ons gestolen door luilakken die er zelf niet voor willen werken. Wat hebben we aan die lui een hekel!”
De bij keek boos voor zich uit.
Kwaggel keek eens naar zijn honingkoek en het leek hem verstandig om die een beetje uit het zicht te houden.
Hij propte hem dus maar in één keer in zijn mond.
Op dat moment kwamen er van alle kanten bijen aangevlogen.
Het gezoem was oorverdovend.
“Mwou, mwan mwga mwik mwaar mweer mweens,” wist Kwaggel er met volle mond uit te brengen.
Hij stond op en wandelde, zo onopvallend mogelijk, tussen de bijen door die om hem en de bloemen zwermden.
Maar niemand lette op hem want ze waren allemaal al weer druk aan het werk.

Hoofdstuk 16

Kwaggel, die steeds meer naar zijn huisje terug verlangde, begon ongemerkt sneller te lopen.
Hij schrok zich een ongeluk toen hij plotseling iemand heel hard “Stop!” hoorde roepen.
Hij stond meteen stokstijf stil en keek geschrokken om zich heen.
Kwaggel kon niemand ontdekken tot hij boven zich iets aan een draad naar omlaag zag komen.
Het bleek een spin te zijn die zich tot vlak voor Kwaggels neus liet zakken en hem spinnijdig aankeek.
Kwaggel keek enigszins scheel terug om de spin, die heel dichtbij hing, goed te kunnen zien.
“Ook al heb je haast, je mag even goed wel uitkijken waar je loopt,” mopperde de spin.
“Maar ik liep toch netjes op het pad?”
“Ja, maar ondertussen liep je wel bijna dwars door een draad die ik gesponnen had om een web te maken,” snauwde de spin.
“Ik heb die draad niet gezien,” verontschuldigde Kwaggel zich. “Als ik die draad gezien zou hebben, had ik heus wel opgepast. Misschien kunt u beter die draden wat zichtbaarder maken, dan loopt er niemand meer per ongeluk doorheen.”
De spin keek vol ongeloof naar Kwaggel.
“Ben jij wel goed bij je hoofd? Als ik dat doe, vliegt er toch niemand meer in mijn web!”
Op dat moment vloog er een vlieg langs.
“Pas op hoor!” waarschuwde de vlieg. “Die spin is niet te vertrouwen. Vóór je het weet zit je vast in…”
Er gebeurde waar de vlieg voor had willen waarschuwen.
Hij was tegen een van de draden aangevlogen die de spin al gesponnen had en zat inmiddels vast.
De spin ging razendsnel via de spindraad omhoog naar de arme vlieg die wanhopig probeerde los te komen.
Kwaggel pakte een tak van de grond en sloeg de draad waar de vlieg aan hing, doormidden.
De draad bleef plakken met de vlieg eraan vast en Kwaggel ging er als een haas vandoor, de tak als een majorettestokje omhoog houdend.
“Stop maar hoor!” riep de vlieg. “Ik ben al los gewaaid.”
Kwaggel stopte met rennen en keek enigszins scheel naar de vlieg, die vlak vóór zijn neus, rondjes vloog.
“Dank je wel,” zei de vlieg. “Kom even met me mee. Dan zal ik je aan de andere vliegen voorstellen.”
Tot zijn verbazing hoorde Kwaggel zichzelf zeggen dat hij geen tijd had omdat hij naar huis moest.
Ze namen afscheid van elkaar en Kwaggel zag zichzelf in gedachten al in zijn luie stoel bij de kachel zitten.
De kachel brandde  natuurlijk niet in deze tijd van het jaar maar Kwaggel vond het daar altijd zo gezellig, vooral met wat lekkers erbij.
Fluitend zette hij de pas erin.

Hoofdstuk 17

Kwaggel liep nu door een dichtbegroeid gedeelte van het bos en doordat het een beetje begon te schemeren, zag alles er nog donkerder uit dan anders.
Tussen de toppen van de bomen door zag Kwaggel hoe donkere wolken zich samenpakten.
Dat voorspelde weinig goeds en hij voelde zich dan ook niet helemaal op zijn gemak.
De dag, die zo zonnig en vrolijk begonnen was, werd nu toch een beetje duister en somber.
Kwaggel verlangde nu écht terug naar zijn huisje.
Achter zich hoorde hij een angstaanjagend geluid dat nog het meeste weg had van het huilen van een wolf.
Sterker nog: het wás een wolf.
En het ergste was dat het geluid snel dichterbij kwam en de wolf die daar bij hoorde dus ook.
Kwaggel zette het op een rennen maar de wolf had de achtervolging ingezet en haalde hem zienderogen in.
Kwaggel rende zoals hij  nog nooit gerend had!
Plotseling hoorde hij iemand roepen.
“Hé! Hierheen!”
Kwaggel keek in de richting van het geluid en zag een das voor zijn hol naar hem zwaaien.
“Kom hierheen! In mijn burcht ben je veilig!”
Kwaggel perste alles wat hij nog aan kracht bezat eruit en, net vóór de wolf hem wilde grijpen, nam hij een snoekduik en verdween in het hol.
“Gauw! Verder de burcht in! Daar kan de wolf niet komen,” zei de das.
“Dank je wel,” hijgde Kwaggel. “Dat je me hebt willen redden, bedoel ik.”
“Natuurlijk,” sprak de das. “Ik kan je toch niet zomaar laten opvreten. Volg me maar, dan kun je er aan de achterkant weer uit.”
Kwaggel, die liever nog wat gebleven was om nader kennis te maken en te rusten, volgde de das gedwee.
“Zo, hier kan je er weer veilig uit,” zei de das toen ze de achteruitgang bereikt hadden. “Je moet het me maar niet kwalijk nemen maar wij dassen houden nu eenmaal niet zo van vreemdelingen over de vloer. Het ga je goed!”
De das gaf Kwaggel een duwtje in de rug en hij stond weer in het bos.
“Nog bedankt voor…” begon Kwaggel.
“Ja ja. Ga nou maar,” onderbrak de das hem en verdween weer in zijn burcht.
De wolf was nergens te bekennen en Kwaggel ging er snel vandoor.

Hoofdstuk 18

Het was al bijna donker toen Kwaggel eindelijk weer bij zijn huisje was.
Hij stak een kaars aan en plofte met een glas limonade en een zak pinda’s in zijn luie stoel.
Hij zuchtte diep.
Het was een vermoeiende dag geweest.
Kwaggel had heel wat dieren in het bos ontmoet, maar ook gemerkt dat ze weinig interesse in hem hadden.
Raar eigenlijk dat je zin hebt om de wijde wereld in te trekken, maar dat je uiteindelijk blij bent als je weer thuis bent.
En dan was dit eigenlijk nog niet eens zijn echte thuis.
Kwaggel wilde nog over een heleboel dingen nadenken maar was zó moe, dat zijn ogen dichtvielen en hij in een diepe slaap weg zonk.
Kwaggel was zó diep in slaap, dat hij niet eens merkte dat hij opgetild werd door een meisje dat in het grote huis verderop woonde.
“Kom jij maar mee lieverd,” zei het meisje. ”Ik heb je al veel te lang in het tuinhuisje gelaten. Het wordt tijd dat je weer gezellig bij mij komt.”
Het meisje nam Kwaggel mee naar het grote huis en zette hem naast de andere knuffels op het bed van haar slaapkamer.
Ze keek glimlachend naar haar speelgoedbeesten.
Eigenlijk ben ik er te groot voor geworden, dacht het meisje. Maar ik wil ze niet kwijt. Ik ben blij dat ik ze allemaal weer teruggehaald heb.
Ze trok haar nachtpon aan, poetste haar tanden en kroop onder de dekens.
“En jij bent de liefste,” zei ze en legde Kwaggel naast zich onder de dekens. ”Dit is waar je hoort: bij mij.”
Ze drukte even haar wang tegen Kwaggel aan.
En Kwaggel?
Die was nu écht thuis!