>

Het regende nog steeds toen Johan voor de zoveelste maal die dag naar buiten keek.
Het weer zag er net zo troosteloos uit als de gezichten van zijn collega’s in de modern ingerichte kantoorruimte.
Het meubilair mocht dan enige tijd geleden vernieuwd zijn, de mensen zagen er nog net zo stoffig uit als vroeger.
Niets voor zo’n jonge vent als ik, dacht Johan en beroerde lusteloos met de vingers van zijn ene hand de toetsen van het toetsenbord, terwijl hij de vingers van zijn andere hand gebruikte om zijn hoofd te ondersteunen.
Twee jaar zit ik hier nu en ik ben al zo afgestompt dat ik niet eens de fut meer heb om te berekenen hoeveel jaar ik nog te gaan heb voor ik met pensioen mag.
Hij keek op zijn horloge en constateerde dat de werkdag er in ieder geval over tien minuten op zou zitten.
“Tijd om te gaan,” mompelde hij en kwam zuchtend overeind.
Hij wandelde zo onopvallend mogelijk naar de deur en verdween, zonder door zijn collega’s opgemerkt te worden.
Het is maar goed dat het weekend wordt, dacht Johan en trok zijn leren jack aan.
De lift zoefde naar beneden en Johan bekeek de sleutels van zijn ouwe trouwe MG.
“Toen werden er tenminste nog echte auto’s gemaakt,” mompelde hij tevreden en opende de deur van de lift.
De parkeergarage was snel bereikt en even later reed hij met zijn sportwagentje door drukke straten, omgeven door moderne kantoorkolossen.
Bij de afslag naar het winkelcentrum werd hij verrast door een met grote snelheid aanstormende Amerikaanse stationwagen.
Johan reageerde snel, week uit naar links en wist een botsing nog maar net te voorkomen.
De auto’s scheerden rakelings langs elkaar heen.
De verkeersdrempel, die voor het parkeerterrein aangelegd was, werd zodoende met veel te grote snelheid genomen en een ogenblik leek het of Johan en zijn auto gelanceerd werden.
Gelukkig liep alles nog goed af en Johan kon op zoek gaan naar een parkeerplaatsje, dat hij na enige tijd ook vond.
Wat rijden er af en toe toch een idioten op de weg, dacht Johan, terwijl hij met een grote boodschappentas een supermarkt binnenstapte.
En het gekke was dat het, te oordelen naar het model, een auto leek te zijn van een begrafenisonderneming.
En begrafenisondernemers staan over het algemeen toch niet bekend als wegpiraten, dacht Johan.
Nou ja, mij zijn ze daarnet als klant in ieder geval misgelopen.
Hij rekende af bij de kassa, deponeerde zijn volle boodschappentas in de MG en begaf zich even later rustig in het drukke stadsverkeer.
Thuisgekomen, toverde hij zijn kleine woning in de binnenstad om tot een plaats waar het ’s avonds aangenaam verpozen is.
Zijn vriendin Maaike zou een week op pad gaan voor haar werk als journaliste en daarom zouden ze het deze avond extra gezellig voor elkaar maken.
Hij vond het fijn voor haar dat ze zo’n leuke baan met veel afwisseling had, maar kon een gevoel van jaloezie toch niet helemaal onderdrukken.
Zijn eigen baan betaalde leuk maar schonk hem niet veel voldoening.
Hij rommelde wat in de keuken, keek een tijdje naar de televisie, bekeek nog eens wat papieren van zijn werk, bladerde in een tijdschrift over auto’s en begon zich steeds meer af te vragen waar Maaike toch bleef.
Eindelijk ging de deurbel.
Hij opende de deur en keek verbaasd naar het enigszins gehavende gezicht van Maaike.
“Wat is er met jou gebeurd?” vroeg hij geschrokken en keek naar een grote bult op haar voorhoofd en een schaafwond op haar wang.
“Ik ben aangereden door een auto,” zei Maaike met een beetje trillerige stem en gaf hem een vluchtige zoen.
“Kom gauw binnen,” zei Johan en begeleidde haar naar de bank.
“Wil je iets drinken?”
“Doe maar iets,” zei Maaike en betastte haar pijnlijke elleboog.
Johan schonk een glaasje in en ging naast haar zitten.
“Wat is er precies gebeurd?” vroeg hij en vulde voor zichzelf ook een glas.
“Nou, ik fietste van de redactie naar huis om me even op te frissen, toen er van rechts zo’n grote Amerikaanse slee kwam aanscheuren. Hij had natuurlijk voorrang maar omdat hij zo snel aan kwam zetten, had ik hem gewoon te laat gezien.”
“Heeft hij je echt aangereden?” vroeg Johan en nam snel een slok.
Nou, ik reed meer tegen hem aan. Ik raakte zijn zijkant en viel op straat. Verbogen voorvork!
Ik heb mijn fiets maar daar gelaten en ben naar jou gewandeld.”
Maaike stond op en begaf zich naar de badkamer.
“Even mijn gezicht verzorgen.”
“Het verbandtrommeltje staat in het kastje naast de spiegel!” riep Johan haar na.
Maaike was even bezig maar stak toen haar hoofd om de deur.
“Weet je wat trouwens raar was? Het leek wel een begrafeniswagen. Ik vond het al gek dat hij zo hard reed maar dat hij, nadat ik op de grond gevallen was, gewoon doorreed is natuurlijk helemaal vreemd. Dat zou je van zo’n begrafenisonderneming toch niet verwachten.”
Johan keek peinzend voor zich uit.
“Het zal natuurlijk wel toeval zijn, maar ik had vanmiddag ook bijna een aanrijding met zo’n wagen.”
Maaike kwam weer naast hem op de bank zitten en dronk haar glas leeg.
“Ik voel me niet helemaal lekker. Zou je me naar mijn eigen huis willen rijden?”
Johan keek haar aan met een mengeling van teleurstelling en bezorgdheid.
“Het is niet ernstig hoor. Maar morgen moet ik op reis en het lijkt me beter dat ik me vanavond even rustig houd.”
“Ik breng je wel thuis,” zei Johan en probeerde vergeefs zijn teleurstelling te verbergen.
“En als je me vertelt waar je fiets staat, zal ik die morgen wel ophalen en naar de fietsenmaker brengen.”
Maaike gaf hem een zoen en streek hem door zijn haar.
“Lief van je dat je zo begripvol bent. En ik beloof je dat ik, als ik over een weekje weer terug ben, het dubbel en dwars zal goedmaken.”
Maar toen Johan haar thuis had afgezet, kon die belofte hem niet echt opbeuren.
Hij startte de MG en vroeg zich mismoedig af wat er op tv zou zijn.
Op dat moment werd hij ingehaald door een keihard rijdende begrafenisauto.
Dat leek wel die auto waarmee hij bijna een botsing had gehad en misschien ook wel de auto die Maaike had aangereden.
Zonder echt te weten waarom, volgde hij op enige afstand de auto.
Al vrij snel verlieten ze de buitenwijken van de stad en volgden ze een weg die door een bos voerde.
Hij kende deze omgeving wel.
Hij had er als kind wel gespeeld met zijn vriendjes.
Deed hij dat eigenlijk nu ook weer niet: spelen?
Hoe zou je deze achtervolging anders moeten noemen?
Net doen of je een stelletje boeven op het spoor bent.
Kinderachtig eigenlijk!
Hij begon zich een beetje belachelijk te voelen.
De auto vóór hem reed een oprijlaantje in maar Johan ging de afslag voorbij.
Hij wist namelijk dat dat oprijlaantje eindigde bij een oud landhuis en, of het nu wel of niet boeven waren, ze zaten daar in ieder geval niet op hém te wachten.
Hij parkeerde zijn auto een klein eindje verderop langs de kant van de weg en vroeg zich af wat hij zou doen.
Hij stapte uit, bedacht zich, stapte weer in, bedacht zich weer, stapte uit en bleef besluiteloos staan.
Om hem heen heerste een serene rust.
Hij hoorde slechts het geritsel van blaadjes van bomen en struiken en het geluid van een enkel nachtdier en hij rook een heerlijke bosgeur.
De regen van overdag had zijn verkwikkende werk gedaan.
Plotseling nam hij een besluit en sloop door het door de maan verlichte bos, in de richting van het landhuis.
Behalve de begrafenisauto, die daar inderdaad geparkeerd was, stond er nog een oude bestelwagen bij het schuurtje naast het huis.
Johan sloop tot dichtbij een openstaand raam waarachter licht brandde en, vóór hij het goed en wel in de gaten had, was hij getuige van een gesprek.
Hij kon zelfs een van de twee in het zwart geklede heren zien.
“Hou nou toch eens op met dat gezeur,” zei de ene heer, die hij niet kon zien, in het Duits.
“Ik weet ook wel dat dat ongelukje slecht uitkomt. Maar er is toch verder niets aan de hand. Die meid mankeert waarschijnlijk niets en heeft de politie heus niet verder kunnen helpen. Waar maak je je nou druk over?”
“Ja, maar als ze nou tóch een onderzoek gaan instellen?”
“Dan zijn ze te laat. Alles is al lang geregeld en voor je het weet zitten we weer veilig en wel thuis in ‘ het Arendsnest’.
“Ik help het je hopen! Ik ben in ieder geval blij dat dit het laatste vrachtje is en dan hoop ik maar dat ik Luxemburg voorlopig niet meer uit hoef.”
“Dat denk ik niet want…”
Johan wachtte het einde van het gesprek niet af.
Het gevoel van kinderlijke sensatie dat hij even voelde, maakte plotseling plaats voor angst.
Stel je voor dat ze hem zouden ontdekken!
Nu pas viel het hem op dat de parkeerplaats goed verlicht werd door het schijnsel van de maan en dat hij wel heel veel geluk had gehad dat niemand hem daar had zien rondsluipen.
Het leek hem verstandig om niet dezelfde weg terug te nemen en hij schoof zo voorzichtig mogelijk langs de muur in de richting van het schuurtje.
Daar aangekomen, was het maar een kleine afstand tot het bos, dat hij opgelucht in dook.
Hij kwam bij de weg, volgde deze een eindje, zag zijn ouwe trouwe MG en stapte vlug in.
Hij zuchtte diep en keek eens om zich heen.
Alles was goed afgelopen en een veilig, bijna knus gevoel, kwam over hem door het vertrouwde interieur van de auto en door het idee dat hij bij onraad direct weg kon scheuren.
Hij wilde nog niet zo ver gaan dat hij moest lachen om de angst van daarnet maar hij nam er wel duidelijk afstand van.
Dat een mens zich zo kan laten gaan, dacht hij.
Dat zou hem geen tweede keer gebeuren!
Even later draaide een bestelwagen vanuit de oprijlaan de weg op.
Johan kon het niet laten.
Hij startte de auto en zette de achtervolging in.
Het duurde niet lang voor ze de buitenwijken van de stad weer bereikt hadden.
Daar reden nog een paar auto’s, zodat het voor Johan makkelijker was om onopvallend te volgen.
Bij een oude kroeg in het centrum van de stad werd gestopt en Johan, die iets verder tot stilstand kwam, kon in zijn achteruitkijkspiegeltje zien hoe de bestuurder uitstapte.
Kwam het nu doordat het spiegeltje het beeld enigszins vertekende of was die vent die uitstapte werkelijk zo groot?
Johan draaide zich half om en zag dat het spiegeltje alles natuurgetrouw had weergegeven.
Een kolossale gestalte begaf zich met zware tred in de richting van de kroeg.
Hij moest zelfs bukken om door de deuropening te kunnen.
Johan vond iets verderop een parkeerplaatsje en stapte uit.
Het zou niet moeilijk zijn om die reus tussen de andere bezoekers van de kroeg te herkennen.
Deze enorme figuur deed hem toch wel heel sterk denken aan iemand die hij nog kende uit zijn jeugd.
Hij stapte nieuwsgierig de wereld van drankgeur, tabaksrook en geroezemoes binnen.
De grote, ouderwets ingerichte zaak was goed gevuld met mensen van allerlei leeftijden, rangen en standen.
Hij liep naar de bar, bestelde een alcoholvrij biertje en keek om zich heen.
Waar zat die kerel nou toch?
Als het inderdaad degene was die hij dacht dat het was, zou alles wat hij vanavond gezien en gehoord had, waarschijnlijk ook wel duidelijker worden.
Hij zag een ober achter de bar vandaan komen met een dienblad vol belegde broodjes, een halve kip en een paar pilsjes.
De ober verdween achter een paar gokautomaten en Johan begreep dat daarachter nog een vertrek moest zijn.
Dat verklaarde natuurlijk waarom hij hem nog niet ontdekt had.
Hij bestelde nog een biertje en passeerde ter hoogte van de gokautomaten de ober die met een inmiddels leeg dienblad terugkwam.
Het vertrek dat Johan nu betrad was meer een afdeling met tafeltjes, waar je ook kon eten.
Aan een van die tafeltjes zat de bewuste figuur te schrokken van het eten dat de ober hem net gebracht had.
Eén bierglas was al leeg, de halve kip was nogmaals gehalveerd en, naar het tempo van eten te oordelen, zouden de broodjes het ook niet lang meer maken.
Deze man kende Johan uit zijn kindertijd.
In zijn herinnering zag hij weer die reusachtig sterke oom die als grapje zijn moeder met kruk en al op de piano zette omdat haar pianospel hem zogenaamd niet beviel.
En toen zijn vader lachend protesteerde, zette hij hem ernaast.
Het was diezelfde oom die hem wel eens meegenomen had de bossen in, op strooptocht.
In die tijd had hij ook een bootje waarmee hij uit vissen ging.
Johan mocht een keertje met hem mee het meer op, terwijl zijn vader dat niet wilde vanwege de slechte weersvooruitzichten.
Het bootje was absoluut niet bestand geweest tegen de opkomende storm en ze waren bijna verdronken.
Zijn ouders waren vreselijk ongerust geweest en zijn vader had zijn oom toen uitgemaakt voor alles wat maar lelijk was.
En toen deze zei dat hij zich niet zo moest aanstellen, verloor zijn vader alle zelfbeheersing en wilde met hem op de vuist.
Zijn oom was zonder verder iets te zeggen vertrokken en Johan had hem nooit meer teruggezien, tot nu dan.
Hij was niet eens zoveel veranderd.
Zijn kortgeknipte baard was nu iets woester en ook zijn hoofdhaar was langer en grijzer maar zijn gezicht had toch iets jongensachtig behouden.
Hij was alleen veel dikker geworden.
Om de enorme spierbundels zat nu een behoorlijke laag vet, die hem er nog kolossaler uit deed zien.
Een beetje verlegen drentelde Johan naar de tafel.
“Hallo ome Barend. Kent u me nog?”
Ome Barend keek op, terwijl zijn kaken doormaalden.
Hij slikte het gekauwde door, leegde in één teug zijn glas en glimlachte.
“Ik denk het wel,” zei hij. “Maar om te voorkomen dat ik een misser maak, mag je het me zelf vertellen.”
“Ik ben Johan,” zei Johan en schoof een stoel bij.
“Dat is lang geleden,” zei Barend en keek hem onderzoekend aan.
“U bent niet zoveel veranderd,” zei Johan om maar iets te zeggen.
Jij wél,” zei Barend en toen viel er een stilte.
“Nou ja, ik ben natuurlijk geen kind meer,” vervolgde Johan, in de hoop dat zijn oom iets toeschietelijker zou worden.
Deze begon een pijp te stoppen en keek hem nu toch iets vriendelijker aan.
“Ik vond je vroeger best een aardige knul. En wie weet, misschien ben je dat nog steeds. Wat wil je drinken?”
Johan zei dat hij best een pilsje lustte en Barend bestelde drie bier bij een juist langskomende ober.
Op Barends vraag wat hij zoal deed, vertelde Johan over zijn kantoorbaan met goede carrièremogelijkheden maar dat hij dat leven toch ook niet alles vond.
Barend ontdooide en zei dat dat misschien maar goed was ook.
Persoonlijk hield hij meer van barkrukken dan van kantoorkrukken.
Over zijn eigen werkzaamheden was hij niet erg mededeelzaam.
Hij kwam niet veel verder dan: “Ach, van alles en nog wat.”
Toch hadden ze geen onaardig gesprek en, na het volgende pilsje begon het bijna gezellig te worden.
Mede daarom vond Johan het vervelend om met zijn vraag te komen.
“U zult het misschien een beetje raar van me vinden maar ik ben u daarnet een tijdje gevolgd.”
Een voorzichtig begin kan geen kwaad, dacht Johan en ging verder.
“Eigenlijk is het toeval dat ik u op het spoor kwam want ik volgde eerst iemand anders.”
“Ik wist niet dat jij zo’n volgzaam type bent,” vulde Barend de stilte op, die ontstond omdat Johan naar de juiste toonzetting voor zijn gesprek zocht.
“De lui die ik achtervolgde vond ik nogal verdacht en dat gesprek dat ik afluisterde bevestigde dat nog eens. En toen zag ik tot mijn verbazing u daar wegrijden.”
“Zo. En nu vind je mij dus ook verdacht?”
Johan vertelde in het kort wat er daarvóór gebeurd was.
“Nou, ik kan je geruststellen: ik heb met die lui niets te maken.”
“Maar wat deed u daar dan?”
“Ik leverde een bestelling af.”
“Een bestelling?”
“Ja. Een bestelling.”
“Wat voor een bestelling?”
“Jij vindt me echt verdacht, he?”
“Welnee. Ik wil alleen maar weten wat u met die lui te maken heeft.”
“Dat zeg ik je toch: een bestelling afleveren. Ik heb een soort ‘doe het zelf zaak’ alleen ik zelf ben meestal degene die het doet. Ik doe loodgieterswerk, timmerwerk, een beetje rommelen met elektriciteit en je kunt bij mij natuurlijk ook gewoon materialen bestellen. Over bestellen gesproken: wil je nog een pilsje?”
“Nee, dank u. Ik moet nog rijden,” zei Johan, die er wel steeds meer behoefte aan begon te krijgen. Hij wist niet wat hij ervan moest denken.
“Waarom vertelt u me nou niet gewoon wat voor bestelling u afgeleverd heeft?”
Even leek het of Barend boos zou worden maar al snel verscheen er een glimlach op zijn gezicht.
“Omdat je me met dat doordrammerige gevraag aan vroeger deed denken. Toen ging je ook altijd maar door. Daarom wou ik je even laten zweten, snap je?”
“Dat snap ik. Maar ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag gekregen.”
“Zie je: dat bedoel ik nou! Gewoon doordrammen! Nou ja, als ik je er een plezier mee kan doen: doodskisten.”
“Doodskisten?”
“Ja, doodskisten! Ga je nou net zo doorzeuren over die doodskisten als over die bestelling van daarnet?”
“Wat moeten die lui nou met doodskisten?”
“Weet ik veel! Vraag jij je bij elk papiertje dat je op kantoor invult af wat ze daarmee moeten of doe je gewoon je werk?” “Maar waarom laten ze die doodskisten speciaal bij u maken? Die kan je toch overal gewoon kant en klaar kopen?”
“Ja, maar niet met dubbele bodem.”
“Dubbele bodem?”
“Ja, dubbele bodem!”
Barend klopte geïrriteerd zijn pijp uit op de rand van de asbak.
“Dat kan toch geen zuivere koffie zijn! Ze gebruiken die kisten van u vast om iets uit het land te smokkelen.”
“Daar heb ik dan niets mee te maken.”
“Als u dat weet, bent u medeplichtig.”
“En wat moet ik dan volgens jou doen?”
“De politie waarschuwen.”
“Dat mag jij dan doen. Maar wacht even tot morgenmiddag. Ik heb alleen nog maar een voorschot gehad. De rest van het geld krijg ik morgenochtend.”
“Dat valt me lelijk van u tegen.”
“Jammer. Ik hoop dat ik er vannacht nog maar van slapen kan.”
Johan voelde een flinke boosheid in zich opkomen en was teleurgesteld dat het weerzien met zijn oom op deze manier gelopen was.
“Weet u wat ik ga doen? Ik ga nu weg en ik denk er hard over om even langs de politie te gaan om ze te waarschuwen. En als ik dat gedaan heb, is de kans dat u morgen uw geld nog krijgt, heel klein. Misschien is dát dan iets waar u vannacht wel wakker van ligt. Welterusten!”
Johan stond resoluut op, liep zonder om te kijken naar de uitgang, stapte in zijn auto en reed rechtstreeks door naar huis.

Reacties mogelijk in het gastenboek.