Pandoeris laat het Verloren Oord achter zich en is blij als hij vloekend en tierend verwelkomd wordt.

Pandoeris had zich zo goed mogelijk gewassen en opgeknapt bij een rivier maar het bleef bij een schamel resultaat.
Echt schoon was hij niet geworden.
Op zijn gezicht en handen zaten schrammen die licht ontstoken waren en zijn kleren zaten vol vlekken en waren op een aantal plaatsen gescheurd.
Hij leek eerder op een landloper dan op een toekomstig eigenaar van een bedrijf.
Toch voelde hij zich dat laatste wél en hij liep dan ook trots, met opgeheven hoofd op de weg die hem langs een rivier voerde.
De weg werd steeds smaller, de rivier werd steeds breder en de omgeving werd steeds moerassiger.
Pandoeris voelde aan zijn water dat hij bij de grens van het Verloren Oord aanbeland moest zijn en keek uit naar een herberg, die hij even later inderdaad ook vond.
Hij ging naar binnen en groette de waard veelbetekenend.
Deze keek hem eerst verbaasd aan en even later met een zekere afkeuring.
Pandoeris was ondertussen aan een tafel gaan zitten, zette zijn bord erop en legde de lepel ernaast Verwachtingsvol bestelde hij een soep en keek samenzweerderig naar de waard alsof die wel zou begrijpen wat hij daarmee bedoelde.
Dat scheen echter niet het geval te zijn.
De waard ging breeduit voor hem staan en richtte argwanend het woord tot hem.
”Vóór ik die soep ga bereiden, wil ik éérst geld zien.”
Pandoeris legde daarop zijn laatste geldstukken op tafel.
De houding van de waard veranderde op slag.
”Neem me niet kwalijk maar ik zag uw kleren en dacht…”
”Niet altijd meteen op het uiterlijk afgaan,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nogmaals mijn excuses. U kunt kiezen uit erwtensoep, tomatensoep, uiensoep en de specialiteit van het huis is champignonsoep. Ik mag wel zeggen dat ik daarmee veel succes heb bij de plaatselijke roeivereniging. Terwijl u uw keuze maakt, zal ik ondertussen even een schoon bord en een schone lepel halen.”
”Ik heb mijn eigen bord en mijn eigen lepel al meegenomen,” zei Pandoeris en knipoogde naar de waard.
Deze keek hem geïrriteerd aan.
”Wat wilt u toch van me?”
”Hoe bedoelt u?”
”U zit me steeds maar zo raar aan te kijken. En nou weer dat geknipoog. Net alsof u iets van me wilt. Daar ben ik niet van gediend, hoor!”
Pandoeris kreeg een hoofd als een boei.
”Ik …eh…ik doe dat in de hoop dat u begrijpt dat ik hier weg wil.”
De waard keek Pandoeris aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen.
”Als u weg wilt dan gaat u toch gewoon. Dáár is het gat van de deur!”
sprak de waard geprikkeld.
”Ja maar u moet me daar bij helpen,” probeerde Pandoeris en keek de waard hoopvol aan.
”Dat kan,” zei de waard alleen maar en vóór Pandoeris goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, werd hij opgepakt en naar buiten gegooid.



Het bord en de lepel werden hem nagesmeten.
”Is er verder nog iets van uw dienst?” vroeg de waard gemaakt vriendelijk.
”Mijn geld ligt nog op tafel,” sprak Pandoeris ijzig.
De waard verdween weer naar binnen en smeet het geld naar buiten.
”Een klein bedrag heb ik afgehouden voor de bediening. En nou wegwezen vóór ik echt boos word. Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die gekken zoals jij!”
Pandoeris sloeg de aangegeven richting in en kwam inderdaad aan bij een herberg genaamd ’de Laatste Post’.
Dit moest dan de bewuste herberg zijn!
Dat kon niet missen.
Hij wilde de deur openen maar dat werd al voor hem gedaan.
De deur zwiepte open en iemand vloog met flinke vaart langs hem heen.
Een boos uitziende waard verscheen in de deuropening.
”Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die bedriegers zoals jij!”
De ongelukkige krabbelde overeind en maakte dat hij wegkwam.
Een bord en lepel werden hem nog nagesmeten.
”En neem die namaaktroep ook mee!” brulde de waard hem na.
Pandoeris was ondertussen naar binnen geglipt en had zijn bord en lepel weer op tafel gelegd.
De waard zei niets maar vulde het bord met iets dat voor soep moest doorgaan.
”Goede reis,” zei hij alleen maar en verdween weer in de keuken.
Pandoeris haalde een paar maal diep adem en werkte zo snel als hij kon de soep naar binnen.
Weldra was hij gehuld in nevel en kwade dampen en de grond onder hem begon te bewegen.
Hij hield zijn bord en zijn lepel goed vast.
Na een tijdje kon hij weer zien waar hij was en het schudden van de grond was opgehouden.
Nieuwsgierig keek hij om zich heen of hij iets bekends zag.
Dat was niet het geval maar hij hóórde wel iets bekends.
Boven het geluid van een aankomende postkoets uit, hoorde hij het vloeken en tieren van een koetsier.
Het klonk hem als muziek in de oren.
Zo beroerd als hij op de heenreis in het moeras terecht was gekomen met een bedrieglijke veerman, zo gunstig stond hij er nu voor.
Hij hield de postkoets aan en liet zich glimlachend door de onbehouwen koetsier naar zijn plaats brullen.
Hij knikte vriendelijk naar een medereiziger die hem verstoord aankeek en zakte achterover in de kussens.
Hij hield de rugzak met daarin het kostbare kistje goed vast en sloot tevreden de ogen.
Hij was er bijna en droomde van een glorieuze thuiskomst.

Reacties mogelijk in het gastenboek.