Een schilder wordt uit zijn schilderij gered, dat hangt in het huis van een zielig oud vrouwtje dat het mooi voor elkaar heeft.

Het landschap was er in de drie dagen dat Pandoeris nu al weer onderweg was, niet gezelliger op geworden.
Hij volgde een kronkelig pad dat hem door een kaal bergachtig gebied voerde.
Zijn voorraad eten en drinken begon al aardig op te raken en hij was blij dat hij de laatste bergrug bereikt had.
Als hij die over was, zou hij weer in de bewoonde wereld zijn.
Misschien was het beter geweest als hij dezelfde weg als de heenreis genomen had maar hij liep liever niet de kans om die struikrovers weer te ontmoeten en ook koning Oliebol zou nog wel een appeltje met hem te schillen hebben.

Afijn, dit ongastvrij gedeelte van de reis zat er nu in elk geval bijna op.
In gedachten verzonken wandelde hij voort tot hij iets op het pad zag liggen.
Het leek wel het lichaam van een mens!
Hij versnelde zijn pas en zag hoe een oud vrouwtje moeizaam overeind probeerde te komen.
Het ’lichaam’ leefde in ieder geval dus nog wel.
Hij hielp het vrouwtje op haar dunne beentjes.
”Gaat het een beetje?” vroeg hij vriendelijk.
”Nee,” antwoordde het vrouwtje met zwakke stem.
”Heeft u zich pijn gedaan?” informeerde Pandoeris verder.
”Alles doet pijn,” klaagde ze zachtjes.
”Hoe komt u hier eigenlijk terecht?”
”Weet ik niet.”
”Waar komt u vandaan?”
Dat wist ze blijkbaar nog wel want meteen wees ze omhoog naar een huisje op een overhangende rotspunt.
”Zal ik u thuisbrengen?” vroeg Pandoeris behulpzaam.
”Ja,” zei het vrouwtje met beverige stem.
Pandoeris gaf haar een arm en begeleidde het moeizaam schuifelende vrouwtje naar boven.
Hij was blij dat ze bij het huisje aangekomen waren want het vrouwtje hing wel érg zwaar aan zijn arm.
De woning zag er overigens prima verzorgd uit.
Er stonden zelfs bakken met vrolijke bloemetjes voor de deur.

Het vrouwtje probeerde de sleutel van de deur in het sleutelgat te steken, wat even duurde omdat haar hand zo erg beefde.
Toen ze binnen waren, hielp Pandoeris haar naar een leunstoel in een prachtig ingerichte kamer.
”Zo,” zei hij gemaakt vrolijk. ”Nu bent u weer veilig thuis. Wanneer komen de anderen?”
”Weet ik niet,” jammerde het vrouwtje en er biggelde een traan over haar wang.
”U weet toch wel wanneer er iemand komt of woont u hier soms alleen?”
”Weet ik niet.”
Het vrouwtje sloot haar ogen en ademde zwaar.
Pandoeris schrok.
Ze zou toch niet doodgaan?
”Zal ik een kopje thee voor u zetten?” vroeg hij haastig op goed geluk.

Ze opende meteen haar ogen en wist een klaaglijk ”Ja-a-a” uit haar mond te krijgen.
Pandoeris liep naar een keurig opgeruimd keukentje en zette een ketel met water op het fornuis dat nog warm was.
Hij vond het maar vreemd.
Zou ze haar geheugen soms verloren hebben?
Hij wist dat dat wel eens voorkwam bij mensen die bijvoorbeeld heel hard op hun hoofd gevallen waren of zo.
Ze woonde hier vast niet alleen, anders zou alles er niet zo keurig verzorgd uit hebben gezien.
Hij keek vanuit zijn ooghoeken nog eens naar het wrakkige vrouwenlichaampje.
Nee, dat huis kon ze nooit helemaal alleen onderhouden.
Wat moest hij nou doen?
Zomaar weggaan, wat hij het liefste deed, vond hij toch wel érg harteloos.
Hij besloot te blijven tot er een van haar huisgenoten zou verschijnen en daarna zou hij zijn reis dan wel vervolgen.
Even later zaten ze naast elkaar op de bank aan een kopje thee met een koekje.
Pandoeris had er voor zichzelf als troost drie genomen.
Hij moest het vrouwtje helpen haar kopje met thee naar de mond te brengen anders ging alles er overheen.
Na de thee wist ze er met klaaglijke stem uit te brengen dat ze honger had.
Pandoeris zei dat hij wel een broodje voor haar zou smeren maar daar nam ze geen genoegen mee.
Huilend maakte ze hem duidelijk dat ze een warme maaltijd wilde hebben en Pandoeris wist niets beters te doen dan maar weer naar het keukentje te gaan om daar aan haar wensen te voldoen.

Hij kon niet tegen huilende oude vrouwtjes die, op sterven na, dood waren.
Het eten ging haar beter af dan het theedrinken want haar bevende hand en hoofd beletten haar niet om haar bordje in minder dan geen tijd leeg te lepelen.
Alleen het inmiddels lege bord opscheppen ging niet zo goed.
Dat moest Pandoeris voor haar doen.
Na het eten en de afwas meende Pandoeris even tijd voor zichzelf te hebben maar dat had hij verkeerd ingeschat.
Ze had nog allerlei huishoudelijke karweitjes voor hem in petto en tussendoor vroeg ze telkens weer aandacht voor haar zwakke gezondheid.
”Wordt het niet eens tijd dat u lekker gaat slapen?” vroeg Pandoeris, niet zonder eigen belang.
Dan had hij tenminste ook even rust.
”Ik kan niet slapen zonder mijn drankje,” jammerde ze.
”En waar staat dat drankje?”
”In de grote kast in de keuken. Ik doe altijd drie kleine theelepeltjes in een beker met warme melk. Maar eerst moet je me nog even naar bed brengen. Dat kan ik niet alleen. Dat weet je.”
”Ja, dat weet ik zo langzamerhand wel,” gromde Pandoeris in zichzelf en hielp haar naar bed.
Vervolgens deed hij drie grote dessertlepels met slaapdrank in een beker met warme melk en hield die haar voor.
”Hier,” zei hij. ”Dat zal u goed doen.”
En mij ook, dacht hij bij zichzelf.
Ze viel inderdaad als een blok in slaap.
Alleen haar gesnurk zorgde ervoor dat hij haar niet vergeten zou.
Hij vond haar echt wel zielig maar kreeg desondanks een grondige hekel aan haar.
Er was iets aan de hele situatie wat niet klopte.
Hij ijsbeerde door de kamer en hield halt voor een groot schilderij waar een prachtig landschap op te zien was.
Plotseling hoorde hij heel uit de verte een stemmetje dat riep: ”Hé! Jij daar!”
Dat moet voor mij bestemd zijn , dacht Pandoeris. Maar waar komt dat geluid vandaan?
Verbaasd keek hij om zich heen.
Het snurken van het vrouwtje ging gewoon door.
”Hé! Hallo!” klonk het opnieuw. ”Ik zit hier! In het schilderij!”
In het schilderij?
Pandoeris keek ongelovig naar het geschilderde landschap.
”Ja, nu kijk je in de goede richting,” klonk het. ”Luister, ik heb nu geen tijd om alles uit te leggen maar ik zit in mijn eigen schilderij en ik heb je hulp nodig om eruit te komen. Wil je me helpen?”

”Dat wil ik wel,” zei Pandoeris. ”Maar hoe?”
”Je stapt gewoon in het schilderij en…”
”Ik stap gewoon in het schilderij? Ik ben niet achterlijk,hoor,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nee, het kan écht. Het schilderij is betoverend mooi geschilderd dus dat kan. Nou, je stapt dus in het schilderij en je neemt het palet met verf mee en een paar kwasten die je in de grote keukenkast kan vinden.
Ik zal je verder wel zeggen hoe je bij me kunt komen. Ik weet de weg want ik heb alles tenslotte zelf geschilderd. Wil je dat voor me doen?” Pandoeris aarzelde.
Nou was er wéér iemand die zijn hulp nodig had.
Waarom lieten ze hem nou niet gewoon eens met rust?
”Je laat me toch niet in de steek, hè,” smeekte de stem.
Zie je wel, dacht Pandoeris. Ik ben er weer ingetrapt.
”Ja, ja, ik kom eraan,” mopperde hij.
Hij zette het schilderij op de grond en pakte alles bij elkaar wat hij nodig had.
Vervolgens haalde hij diep adem alsof hij een duik in troebel water ging nemen en trad het schilderij binnen.
Even werd alles donker om hem heen en leek het of hij bewusteloos zou raken.
Het was een heel akelig gevoel dat gelukkig niet lang duurde.
Al vrij snel werd het weer licht en bevond hij zich in een lenteweide waar konijntjes huppelden en allerlei bloemetjes bloeiden.
”Ha, daar ben je dan,” zei de stem. ”Zie je die berg in de verte? Daar moet je naar toe.”
Pandoeris zag de berg maar ook het dichtbegroeide bos ervóór waar hij doorheen moest om er te kunnen komen.
”Het kost me een alleen al een dag om door dat bos heen te komen,” mopperde Pandoeris. ”Zoveel tijd heb ik niet, hoor. Er is er hier nog een die mijn hulp nodig heeft.”
”Daarom heb ik je die verf ook mee laten nemen,” sprak de stem.
”Je gaat gewoon een leuk bospaadje schilderen.”
”Een leuk bospaadje schilderen?”
Pandoeris dacht even dat hij het niet goed gehoord had.
”Ja, dat kan. Je kiest een mooie kleur uit, je zorgt ervoor dat je een beetje vaste hand hebt en hup: schilderen maar!”
Pandoeris deed wat hem gezegd werd en trok een rechte lijn dwars door het bos heen.
Tot zijn verbazing lukte het ook nog.
”He! Wat doe je nou?! Ik had het over een leuk bospaadje! Dit lijkt wel op een dubbele hoofdweg. Dat is toch geen schilderen meer!”
”Ja, hoor eens, dan had je je maar moeten laten helpen door een echte kunstenaar.Ik kan het niet beter. Bovendien heb ik haast.”
Pandoeris liep in een snel tempo over zijn zelf geschilderde weg.
Een half uurtje later was hij het bos door en stond hij voor een brede rivier die met flinke snelheid door een dal stroomde.
”Probeer nu een leuke brug te schilderen,” zei de stem. ”Persoonlijk zou ik kiezen voor een leuk boogbruggetje. Misschien kun je…”
Pandoeris luisterde niet eens en trok een brede streep dwars door de rivier heen.
”O nee!” riep de stem ontzet. ”Dat is een dam! Zo hou je de rivier tegen! Alles zal overstromen!”
Inderdaad zocht de rivier een nieuwe weg en het water stroomde om de door Pandoeris per ongeluk geschilderde dam heen, zó het dal in.
Pandoeris schilderde snel de dam langer en hoger en rende eroverheen.
”Hoe moet ik nou lopen?” vroeg hij zenuwachtig terwijl hij al natte voeten begon te krijgen.
”Je moet het dal door,” zei de stem droog.
”Maar dat stroomt nu net vol met water. Wacht, ik zal de dam een beetje langer maken.”
En nog vóór de stem heel hard ’nee’ had kunnen roepen, trok hij met de grootste kwast die hij bij zich had een dikke streep dwars door het dal heen tot aan de berg op de achtergrond.
”Wat heb je nou weer gedaan?!” gilde de stem ontzet.
”Ik heb een dijk geschilderd zodat het water voorlopig tegengehouden wordt,” antwoordde Pandoeris.
”Je hebt zo mijn hele schilderij verpest,” mopperde de stem.
”Dat weet ik nou wel, dat ik niet kan schilderen,” mopperde Pandoeris op zijn beurt.”Dus nu moet ik het dal door?”
”Blijf maar daar. Ik kom wel naar jou toe over die dijk van je.
Die eindigt toevallig vlak bij de rotspunt waar ik eerst niet vanaf kon komen maar nu wél.”
En maar klagen over mijn schilderkunst, dacht Pandoeris.

De dankbaarheid is weer eens ver te zoeken.
Heel in de verte zag hij inderdaad een stipje over de dijk dichterbij komen.
Een uurtje later stond hij oog in oog met de kunstenaar die hem vriendelijk de hand schudde.
”Neem me niet kwalijk dat ik daarnet zo ondankbaar was. Je hebt me gered en dat is het belangrijkste. Kom, laten we maar gauw teruggaan over die mooie hoofdweg van je.”
Pandoeris keek voor het eerst eens achter zich en zag in de verte een grote rechthoek met uitzicht op de kamer waar hij vandaan kwam.
Hij kon het vrouwtje zelfs in haar bed zien liggen.
Samen liepen ze er in een snel tempo naar toe.
”Hoe ben je toch in vredesnaam in je eigen schilderij terechtgekomen?” vroeg Pandoeris.
”Dat is een heel verhaal maar ik zal proberen je het in het kort uit te leggen. Ik kom uit een tovenaarsfamilie maar ik heb gekozen voor de kunst. Mijn schilderijen zijn van zulk een betoverende schoonheid dat je er als het ware ’in kunt treden’. Dat doe ik meestal niet want het kan heel gevaarlijk zijn als je niet oppast. Deze keer had ik het gedaan om even van dat vreselijke mens verlost te zijn.”
”Welk vreselijk mens?” vroeg Pandoeris die wel vermoedde om wie het ging.
”Dat mens dat jij daarnet óók geholpen hebt,” antwoordde de kunstenaar. ”Dat kreng weet iedereen die toevallig langskomt voor haar aan het werk te krijgen. En ze doet dat op een heel gemene manier: ze wekt je medelijden op zodat je je verplicht voelt om haar te helpen.
Vóór je het weet ben je dan haar huissloofje. Op een gegeven moment komt er dan wel weer iemand langs die er ook intrapt en die het uit medelijden met haar van je overneemt. Zo ben ik daar ook terechtgekomen. Ik ben alleen zo stom geweest om haar de waarheid te vertellen en te zeggen dat ik de mensen voor haar zou waarschuwen.
En toen ze begon te gillen en te krijsen, heb ik me in mijn schilderij teruggetrokken om even rust en stilte om me heen te hebben. Daarvan heeft zij gebruik gemaakt om een paar rotsen weg te schilderen zodat ik er niet meer vanaf kon.”
”Zou ze je daar hebben laten zitten, denk je?”
”Ik kan het me eerlijk gezegd niet voorstellen. Het is een sluw misbaksel maar geen moordenares. Ze zou me wel omgepraat hebben om het niet door te vertellen en daarna zou ze me wel hebben laten gaan, denk ik. Weet je trouwens dat ze heel gezond is en loopt als een kievit? Dat heb ik gezien toen ik in mijn schilderij zat en zij nog niet wist dát ik er zat.”
”Wat zullen we met haar doen?” vroeg Pandoeris toen ze uit het schilderij getreden waren.
Ze stonden inmiddels bij het bed en keken naar het onrustig slapende wijvie.
Ze murmelde met haar tandenloze bekkie in haar slaap en je kon aan alles zien dat ze een enge droom had.
”Als je haar zo ziet, zou je bijna wéér medelijden met haar krijgen, hè,” peinsde de kunstenaar.
”Tja,” filosofeerde Pandoeris. ”Sommige mensen stralen het uit, hè. Ik zou zo toch niet willen leven, hoor.”
”Ik ook niet,” beaamde de kunstenaar. ”Zullen we haar maar met rust laten? Wat schieten we er eigenlijk mee op als we haar straffen? Trouwens, wat voor straf zouden we haar moeten geven?”
”Je hebt gelijk,” zei Pandoeris. ”We doen het tegenovergestelde: we geven haar de kans om het góed te maken.”
”Hoe dan?” vroeg de kunstenaar nieuwsgierig.
”Ik heb gezien dat er boven een paar logeerbedden staan. Wat zou je ervan zeggen als we van een goede nachtrust gaan genieten en een briefje voor haar klaarleggen waarop staat wat we morgen als ontbijt  willen hebben. Wacht eens. Dan kan ze gelijk onze kleren en zo even wassen.”
”O,” zei de kunstenaar. ”Dan weet ik ook nog wel wat. Ze kan dan ook alvast het water verwarmen voor een lekker bad.”
”Ja, dat is een goed idee. Er schiet me nóg iets te binnen wat ze kan doen.”
Ze gingen er eens lekker voor zitten met potlood en papier.
Ze waren blij voor het vrouwtje dat ze haar zo een kans konden biedenom het weer een beetje goed te maken.
Voorlopig waren ze nog niet klaar met hun lijst van werkzaamheden.

Reacties mogelijk in het gastenboek.