Het legioen der Driehoekvrijstaat zoekt soldaten maar Pandoeris voelt zich niet geroepen.

Pandoeris wilde geen misbruik maken van de gastvrijheid van de familie Goedhals en had die nacht stiekem in de hooiberg van een boer geslapen.
Hij wilde zo snel mogelijk in Rotsberg zijn en ging er met een postkoets naar toe.
De reis verliep voorspoedig en ’s middags was hij al in het stadje boven op een berg aangekomen.
Het plaatsje, dat toch de hoofdstad was van een streek, was niet zo groot en de smederij was snel gevonden.
De smid had, bij navraag, inderdaad een klant met een kistje gehad maar hij had hem niet kunnen helpen.
Als Pandoeris geluk had, kon hij hem nog ontmoeten want hij had gezegd dat hij nog een paar dagen in Rotsberg zou blijven.
Pandoeris haastte zich naar de plaatselijke herberg want hij dacht dat hij hem daar wel zou vinden.
Het geluk was met hem.
Jerry zat verveeld en met een ontevreden gezicht aan een tafeltje.
Pandoeris schoof een stoel bij zonder iets te zeggen en was benieuwd naar zijn reactie.
Jerry leek niet eens geschrokken.
”Ben je daar eindelijk?” zei hij berustend.
”Had je me verwacht dan?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja natuurlijk. Mij lukt nooit iets. Nou, hier heb je je rugzak weer.
Alles zit er nog in, behalve een schriftje. Dat heeft mijn kleine zus.
Als die iets wil kan je haar beter maar haar zin geven want anders is het huis te klein.”
”Dat heb ik gemerkt,” zei Pandoeris. ”Maar ik heb het al terug.”
Hij controleerde zijn rugzak op de inhoud en tot zijn voldoening zat alles er nog in.
Ook het kistje en het bord en de lepel.
”Waarom heb je het gestolen?” vroeg hij want daar was hij toch wel nieuwsgierig naar.
Jerry zuchtte.
”Ik raakte zo onder de indruk van al je verhalen dat ik dacht: dat wil ik ook wel. Reizen en op avontuur gaan en zo. Maar dan wel met voldoende geld op zak. Dat kistje was een unieke mogelijkheid om aan geld te komen maar niemand kan het open krijgen. Nou ja, ik zal de rest van mijn leven wel slijten in dat saaie stadje van ons.”
”Het is maar wat je er zelf van maakt,” vond Pandoeris.
Jerry ging er niet op in en keek verveeld voor zich uit.
Pandoeris kreeg schoon genoeg van zijn gezelschap en verliet zonder verder iets te zeggen de herberg.
Buiten scheen de zon en Pandoeris hervatte in jubelstemming de terugreis.
Deze keer zou hij zich niet meer in de verleiding laten brengen.
Hij had zijn lesje wel geleerd!
Hij had voldoende voedsel ingekocht voor onderweg en daalde zingend de berg af.
Zijn stemming bleef vrolijk en opgeruimd hoewel het landschap waar hij door liep er steeds naargeestiger uit begon te zien.
Bomen en struiken maakten plaats voor kale rotspartijen met hier en daar wat lage begroeiing.

Hij overnachtte in een grot en hervatte daarna de tocht heel wat minder vrolijk en opgeruimd.
Met de nachtelijke kou, was ook zijn stemming tot beneden het vriespunt gedaald.
Een paar uur later scheen de zon weer en ook Pandoeris’ humeur klaarde op.
Tegen de middag werd hij staande gehouden door een soort soldaat in een roze uniform met daarop een vierkant geborduurd.
Hij stond midden op de weg bij een gammel houten wachthuisje.
”Dit is de grens van de Driehoekvrijstaat!” sprak de soldaat met luide stem. ”Heeft u toestemming om de grens te passeren?”
”Nee,” zei Pandoeris. ”Maar die Driehoekvrijstaat staat ook helemaal niet op mijn kaart aangegeven en die is vrij nieuw, kan ik u verzekeren.”
”Onze Driehoekvrijstaat óók. Vorige maand is hij uitgeroepen onder de bezielende leiding van Grote Jul, onze fiere leider.”
De soldaat stampte drie maal met beide voeten op de grond, salueerde en riep: ”Leve Grote Jul, onze fiere leider!”
Bij de tweede stamp op de grond raakte een plank van het wachthuisje een beetje los en tot Pandoeris’ plezier kletterde die bij de derde stamp op de grond.
”Moet je daar om lachen?” vroeg de soldaat boos.
”Waarom?”
”Om die plank.”
”Nee,” zei Pandoeris geschrokken.
Op dat moment liet een tweede plank los die ook met het nodige kabaal op de rotsachtige bodem viel.
Pandoeris wist zijn lachen maar net in te houden.
”Denk erom,” dreigde de soldaat. ”Wij van het Driehoekvrijstaatlegioen laten niet met ons spotten. Wij hebben niet voor niets het teken van standvastigheid op ons uniform staan.”

”U bedoelt dat vierkant?”
”Die driehoek, ja!”
”Dat is toch een vierkant?”
”Dat is een driehoek!” schreeuwde de soldaat en stampvoette woedend op de grond.
Dat was teveel voor het wachthuisje.
De ene na de andere plank liet los, tot tenslotte het hele wachthuisje luidruchtig in elkaar stortte.
En dat was weer teveel voor Pandoeris.
Hij moest lachen of hij wilde of niet.
De soldaat richtte het geweer op Pandoeris en zei: ”Jij bent onze gevangene!”
”Waarom? Wat heb ik gedaan?” vroeg Pandoeris die meteen uitgelachen was.
”Dat zal ik je vertellen,” sprak de soldaat. ”Ten eerste: een poging om illegaal de grens te passeren. Ten tweede: het ontkennen van het bestaan van onze staat. Ten derde: het beledigen van Grote Jul, onze fiere leider en ten vierde: het vernielen van een staatseigendom.”

”Dat laatste heb je zélf gedaan, uitslover! Ik heb niets aangeraakt!”
”En ten vijfde: het beledigen van een ambtenaar in functie. Kom jij maar eens mee naar het hoofdkwartier.”
Pandoeris achtte het raadzamer om verder zijn mond maar te houden en ging mee in de richting die de soldaat aangaf door middel van prikken in zijn rug met het geweer.
Ze waren er met een kwartiertje.
Driehoekvrijstaat bleek niet zo groot te zijn.
Het hoofdkwartier was een klein bouwvallig kasteeltje met daaromheen een paar grote bouwketen, die op hun beurt weer omgeven waren door een muur van rotsblokjes.

Ze passeerden een paar soldaten in roze uniform, allen gewapend met een geweer waardoor Pandoeris geen lust tot ontsnappen had.
Hij werd binnengeleid in een ruime zaal, waar op een grote troon een oude man onderuitgezakt lag te slapen.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” riep de soldaat ter begroeting.
Hij stampte drie maal met beide voeten op de grond en salueerde er ook nog bij, maar Grote Jul sliep rustig door.
”Probeer het nog maar eens,” sprak de soldaat die naast Jul stond.
Onze fiere leider is in diepe gedachten verzonken. Hij heeft je vast niet gehoord.”
De soldaat waagde een tweede poging.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” schreeuwde hij zo hard hij kon.
De fiere leider bewoog onrustig in zijn slaap.
”Nog maar een keertje,” zei de soldaat. ”Driemaal recht is scheepsrecht, net als onze driehoek.”
Hij ging wat dichter bij een oor van Jul staan, haalde diep adem en schreeuwde met overslaande stem: ”Gegroet, o Grote Lul, onze fiere jeider!”
Jul werd inderdaad wakker en kwam zuchtend en steunend overeind op zijn troon.

Hij keek vermoeid naar de soldaat en toen naar Pandoeris.
”Schuldig,” mompelde hij alleen maar en deed zijn ogen weer dicht.
”Je hoort het,” zei de soldaat tegen Pandoeris. ”Dat betekent dat je wordt ingelijfd bij ons Driehoekvrijstaatlegioen.”
Pandoeris werd naar een van de bouwketen afgevoerd.
De soldaat opende een gammele deur en zei plechtig: ”Welkom bij ons legioen.”
Daarna duwde hij hem naar binnen en deed de deur heel voorzichtig achter hem dicht om de bouwvallige bouwkeet niet te beschadigen.
De mensen die binnen waren, zagen er allemaal ziek, zwak of misselijk uit.
Ook de roze uniformen met het geborduurde vierkant daarop, droegen niet bij tot een beeld van heldhaftigheid.
Waarschijnlijk was er maar één maat beschikbaar want niemand had een uniform dat paste.
Een oude dikke man in een veel te krap uniform slofte naar Pandoeris toe.
”Ik ben helaas soldaat der eerste klasse dus ik moet je een plaatsje geven. Dat bed daar is vrij en dat apenpakkie dat erop ligt moet je aantrekken.”
Pandoeris keek de soldaat der eerste klasse aan en vroeg wat dit toch allemaal te betekenen had.
De soldaat der eerste klasse legde uit dat ze eigenlijk allemaal arme boeren waren die zich door Jul in de luren hadden laten leggen.
Jul had van hun ontevredenheid gebruik gemaakt om leider te worden in dit vergeten stukje land.
Hij wilde een opstand organiseren maar dan moesten ze zich éérst aanmelden bij het legioen.
Als ze genoeg geoefend waren als soldaat, zouden ze de hoofdplaats Rotsberg aanvallen en de macht overnemen.


Omdat ze zich erg achtergesteld voelden bij de Rotsbergers, leek het ze eerst wel wat.
Nu hadden ze pas door dat die Jul een seniele oude man was die een groot deel van de dag slapend doorbracht.
Ze hadden allang met die onzin willen stoppen maar de handlangers van Jul hadden geweren en genoten van hun nieuwe macht die ze niet wilden opgeven.
”Maar jullie hebben als soldaat toch ook geweren?” vroeg Pandoeris.
”Ja. Van hout,” zuchtte de soldaat der eerste klasse. ”Net als onze zwaarden. En de pijlen van onze bogen hebben rubberen ploppertjes in plaats van ijzeren punten. Zelfs onze paarden zijn van hout.”
”Paarden van hout?” vroeg Pandoeris ongelovig.
”Ja. Daar staan ze.”
Pandoeris keek in de aangegeven richting en zag een paar stokken tegen de muur staan met een lappen paardenhoofd eraan bevestigd.
Pandoeris barstte in lachen uit.
”Ja, lach nog maar eens flink. Dat doe je over een paar dagen ook niet meer,” smaalde de soldaat der eerste klasse.
”En wie heeft die belachelijke kleur roze voor dat uniform uitgezocht?”
vroeg Pandoeris die er nog steeds de humor van inzag.
”Jul,” sprak de soldaat der eerste klasse met een grafstem.
”Hij is kleurenblind en dacht dat het bruin was.”
Pandoeris gierde het uit.
”En waarom zegt iedereen ’driehoek’ tegen een vierkant?”
”Omdat het opstandig gebied Driehoekvrijstaat heet en Jul het verschil niet weet tussen een driehoek en een vierkant.”
Pandoeris dacht even dat hij er in blééf!
Buiten klonk het geluid van een gescheurde trompet en de meute kwam in beweging, gewapend met bord en bestek.
Zelfs de soldaat der eerste klasse vertoonde enige levendigheid.
”Etenstijd,” sprak hij gejaagd.
Pandoeris trok snel zijn roze uniform aan, pakte bord en bestek en sloot achter in de rij aan.
Het eten zag er niet slecht uit en Pandoeris wilde al aan een van de lange eettafels plaatsnemen.
”Even wachten,” zei de soldaat der eerste klasse. ”We krijgen eerst de etensgroet.”
Het legioen stond zwijgend opgesteld achter de lange tafels.
De trompetter probeerde een toonladdertje uit zijn instrument te halen maar stopte na de derde poging.
De soldaten stampten driemaal met beide voeten op de grond, salueerden en riepen in koor: ”Gegroet, o eten van Grote Jul, onze fiere leider!”
De trompetter haalde adem voor wéér een toonladder en na een langgerekte piep ging iedereen zitten en toog aan het eten.
Na de maaltijd herhaalde de ceremonie zich en daarna trokken de soldaten zich terug in de ’kazerne’.
”Direct gaan we oefenen,” zei de soldaat der eerste klasse.
”Ons peloton vormt de cavalerie dus wij moeten onze houten paarden meenemen. O ja. Voor ik het vergeet: als de officier zegt ’links’ dan ga je rechts en als hij zegt ’rechts’ dan ga je…Nou ja, je begrijpt het wel, hè.”
Pandoeris’ mond viel open.
”En als hij ’halt’ zegt, moeten we zeker aanvallen?”
”Pak je paard nou maar, grapjas,” mopperde de soldaat der eerste klasse.
Even later stonden alle pelotons opgesteld op het oefenterrein.
Grote Jul hadden ze wakker gekregen en hij mompelde, gezeten op een echt paard dat door vier mensen vastgehouden werd, een korte toespraak.
De cavalerie kreeg de opdracht om als eerste de denkbeeldige vijand aan te vallen.
”Cavalerie! Ten aanval!” brulde een officier.
De cavaleristen namen het stokpaardje tussen de benen, trokken hun houten zwaard en galoppeerden er op los.
Pandoeris hinnikte er nog wat bij om het echter te laten lijken.
Al na een paar meter vielen de eerste cavaleristen af.
De een struikelde over zijn stokpaard, een ander verzwikte zijn enkel, een derde en een vierde botsten tegen elkaar aan, een vijfde vloog uit de bocht en ramde een bouwkeet die daarop half instortte en een zesde zakte gewoon van pure lamlendigheid in elkaar.
De eerste hindernis waar ze overheen moesten springen kostte een groter aantal uitvallers en tenslotte was Pandoeris de enige die de overkant van het terrein haalde.
De oefeningen van de andere pelotons verliepen niet veel beter en Pandoeris kon zich niet voorstellen dat dit leger ooit een bedreiging voor wie dan ook zou kunnen vormen.
Jul was ondertussen weer in slaap gevallen en werd met zachte hand weggeleid door handlangers die er voor zorgden dat het niet al te veel opviel.

Na de oefeningen was er weer een goede maaltijd en Pandoeris dacht wel dat dat een van de redenen was dat er nog geen muiterij onder de namaaksoldaten uitgebroken was.
Een andere reden was dan wel die strakke discipline met die overdreven rare gewoontes, zoals het groeten bijvoorbeeld.
Hoe dan ook: Pandoeris was van plan om zo snel mogelijk deze domme namaakwereld te verlaten.
Diezelfde nacht nog, toen het kamp in diepe rust verzonken was, wandelde hij alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, regelrecht naar de wachtpost toe.
Hij stampte driemaal zachtjes met beide voeten op de grond, salueerde en sprak op gedempte toon: ”Gegroet o Grote Jul, onze fiere leider.”
De wachtpost deed hetzelfde en vroeg wat hij kwam doen.
Pandoeris legde uit dat hij met een buitengewoon geheime opdracht op pad werd gestuurd en toonde als bewijs een door hemzelf geschreven brief in geheimtaal met daaronder een vierkant als handtekening.
De wachtpost deed alsof hij de brief las en knikte begrijpend.
”Je begrijpt het: mondje dicht, hè,” fluisterde Pandoeris samenzweerderig.
”Komt in orde,” beloofde de wachtpost.
Beiden stampten zachtjes driemaal op de grond, salueerden en fluisterden: ”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider.”
Pandoeris liep opgelucht de heldere nacht in.
Het zou wel weer een nachtje zonder slaap worden maar dat had hij er graag voor over.
Hij keek naar de ontelbare sterren die aan de heldere hemel stonden.
De onafzienbare uitgestrektheid van het heelal deed hem goed na de enge bekrompenheid van het legioen der Driehoekvrijstaat.

Reacties mogelijk in het gastenboek.