Ik heb altijd te doen gehad met kwetsbare kinderen.
Vooral in mijn baan als onderwijzer had ik letterlijk en figuurlijk met hen te doen.
Figuurlijk gezien, omdat ik het erg vond als kwetsbare kinderen gekwetst werden en dat worden zij door hun kwetsbaarheid natuurlijk regelmatig.
En in letterlijke zin omdat ik probeerde iets aan het jennen en pesten te doen als het af en toe de kop opstak.
Zelf behoorde ik in mijn jeugd trouwens ook tot die kwetsbare categorie.
Ik was overgevoelig, onzeker en vond alles en iedereen zielig.
Bovendien was ik dik.
Tegenwoordig zou ik met dat postuur tussen de andere kinderen niet opgevallen zijn, maar in de vijftiger- en zestiger jaren van de vorige eeuw waren alle kinderen mager, in vergelijking met nu.
Toch ben ik nooit gepest.
Waarschijnlijk kwam dat omdat ik met iedereen wel op kon schieten en vaak met leuke ideeën aan kwam zetten.
Bovendien was ik loeisterk.
Met stoeien won ik meestal en de weinige keren dat er écht gevochten werd, was ik door al mijn opgekropte frustraties zó boos, dat ik in staat was om iemand te slopen.
Die vaardigheid zal er mede voor gezorgd hebben dat de lust om mij te kleineren niet groot was.
Tijdens de middelbare schooltijd werd die lichamelijke dreiging vervangen door een verbale variant.
Ik zorgde ervoor dat ik bij potentiële pestkoppen van tevoren al bedacht had welke tekortkomingen ze zélf hadden.
Als iemand dan een rotopmerking maakte, kon ik dermate grappig en gemeen uit de hoek komen, dat ík het was die de lachers op zijn hand had.
Dat dik en onzeker zijn werd in mijn puberteit overigens wél een probleem in de omgang met meisjes.
Eigenlijk is dat begonnen nadat ik eens een keer met een meisje in het zwembad aan het zwemmen geraakt was.
Toen ik uit het water kwam zei ze, toen ze me voor het eerst in vol ornaat zag: “Jee, wat ben jij dik zeg!”
Vanaf dat moment kon ik me moeilijk voorstellen dat een meisje verliefd op mij zou worden.
Zelf ben ik trouwens bijna nooit verliefd geweest maar de eerste keer dat het dan toch gebeurde, was het op een meisje uit de eerste klas van de HBS.
Ze heette Joke Hagenaars en werd door iedereen als het stuk van de klas beschouwd.
Dat alleen al was voor mij reden genoeg om vast te stellen dat ik geen schijn van kans bij haar zou maken.
Toch deed Joke altijd aardig tegen me en een klasgenoot wist me zelfs te vertellen dat ze gezegd had dat ze me leuk vond.
Ik geloofde daar natuurlijk niets van en, uit angst om voor gek te staan, wist ik elke keer als Joke een gesprekje met me begon, mijn blijheid daarover te verbergen achter een muur van afstandelijkheid.
Pas veel later wist er af en toe een meisje door mijn pantser heen te breken.
De grote verandering kwam nóg weer later toen ik tijdens het uitgaansleven ontdekte dat mijn stevige eetlust verdween als ik maar genoeg berenburg dronk.
De kilo’s vlogen eraf en ik begon me eindelijk écht aantrekkelijk te voelen voor het andere geslacht.
Het probleem leek opgelost; ik hoorde nu bij de mooie jongens.
Maar helaas diende het volgende probleem zich al weer aan.
Omdat ik niemand wilde kwetsen en ik het idee had dat je dat zou doen als je vrijde met een meisje zonder serieuze bedoelingen, bleef ik op mijn hoede en was ik moeilijk te benaderen.
De weinige meisjes die wat met mij gehad hebben, mogen echt wel tot de taaie doorzetters gerekend worden.
Mijn ongelukkige liefdesleven ligt gelukkig ver achter me en ik hoef me in ieder geval niet schuldig te voelen dat ik met de gevoelens van kwetsbare meisjes gespeeld heb.
Maar als ik die meisjes juist verdriet gedaan heb met mijn afstandelijke en onverschillige houding, zou dat toch wel heel treurig zijn.

Reacties mogelijk in het gastenboek.