Een paar maanden na mijn scheiding had ik woonruimte gevonden in een voormalige bejaardenflat.
Ruim was het niet maar dat was geen probleem, zeker in het begin.
Behalve mijn oude vertrouwde houten bureau en twee boekenkasten had ik geen meubels meegenomen.
De ijzeren ladenkast met de honderden schilderijen en tekeningen van mijn vader waar ik de zorg voor had, paste in de inpandige bergruimte van 2 x 2 meter.
Meubilair, zoals bijvoorbeeld stoelen en bedden en ook andere spulletjes die ik nodig had, scharrelde ik bij elkaar in het kringloopcircuit of kreeg ik van iemand.
Al vrij snel had ik het gevoel ‘thuis’ te zijn.
Mijn kinderen Amber en Brontë, 11 en 4 jaar, waren doordeweeks bij mama en in de weekends en vakanties bij mij.
Vrijdag, vroeg in de avond, haalde ik ze op en zondag, vroeg in de avond, bracht ik ze terug.
Dat was voor iedereen duidelijk en ik genoot van hun aanwezigheid.
Financieel was het niet makkelijk.
Na aftrek van de alimentatie, vaste lasten en uitgaven voor mijn kinderen, bleef er niet veel  over om van te leven.
Vaak vulde ik het ene gat met de inhoud van het andere.
Bij familie en vrienden kon ik geld lenen maar dat wilde ik niet.
Naar Nederlandse maatstaven leidde ik een armoedig bestaan maar ik troostte me met de gedachte dat ik in mijn situatie door een groot deel van de wereldbevolking als rijk of minstens welvarend beschouwd werd.
Uitgaan deed ik met de band als er af en toe een optreden was en verder leidde ik het leven van een huismus.
Toch een fijne tijd als ik er op terug kijk.
Af en toe was het geld echt op, zoals die keer vlak voor kerstmis.
Ik wilde wat leuks doen met de kinderen en besloot om met de auto naar de plaats Bergen te gaan.
Dat moest met de voorraad benzine in de tank nog lukken.
Spectaculair was het natuurlijk niet maar we waren er wel even uit, o.a. ook door dat stukje weg met aan weerszijden bomen en struiken dat wij met veel fantasie Klein-Frankrijk noemden.
Ik parkeerde de auto gratis buiten de bebouwde kom en we wandelden hand in hand naar het centrum van Bergen.
Daar trakteerde ik de kinderen op een patatje.
Zelf nam ik niets want met het geld dat ik zo uitspaarde, kocht ik bij een supermarkt enige kartonnetjes drinken en een pak koek.
Toen we na een uurtje dwalen door het centrum alle plekjes minstens één keer aangedaan hadden, vonden we een leeg bankje aan het plein, waar we ons installeerden.
Ook zonder sneeuw vormde de sfeervolle bedrijvigheid waar we op uit keken een aardig kersttableau.
Het begon inmiddels te schemeren en de lantaarns gingen aan, wat alles er nóg gezelliger uit deed zien.
Wij zaten, dik ingepakt, tegen elkaar aan, dronken van ons vruchtensapje, namen af en toe een koekje, kletsten wat en voelden ons geborgen.
Wat een rijkdom!

Reacties mogelijk in het gastenboek.