De aula van onze school stroomde vol met kinderen, ouders, grootouders, oud-leerlingen, omwonenden en familie en kennissen van eerder genoemden.
Wij, de toneelspelers van die avond, vulden het kamertje van de school.
Ons amateurtoneelgezelschap bestond uit enige leerkrachten en een aantal leden van de oudercommissie.
Een van de souffleurs stak haar hoofd om de hoek van de deur en meldde dat de aula echt bomvol afgeladen met mensen was en dat we er misschien beter aan deden om maar eens te gaan beginnen.
We hadden dit jaar twee souffleurs, een voor elke kant van het toneel, omdat onze tekstvastheid dit jaar, door te weinig voorbereidingstijd, nog beroerder was dan andere jaren.
Die teksten waren overigens onverminderd oubollig en de aantrekkelijkheid van de jaarlijkse toneelavond bestond er voornamelijk uit dat leerkrachten en meeacterende ouders allerlei domme personages uitbeeldden en in eigenaardige situaties belandden.
Het Swiebertjegehalte was hoog, het scriptniveau laag.
“Laten we inderdaad maar beginnen,” sprak het hoofd der school en vanaf dat moment waren we de personen die we zouden uitbeelden.
De toegangsdeuren naar de aula werden gesloten en de toneelspelers verzamelden zich, onzichtbaar voor het publiek, bij de toneelopgang.
Bakker Bloem liep alvast met een hamer het podium op en ging op het laddertje staan om zogenaamd de nieuwe prijslijst op te hangen.
De toneelgordijnen gingen open en bakkersleerling Kokkie meldde zich bij zijn baas Bakker Bloem, die met een ferme klap op de bordkartonnen muur de prijslijst op zijn plaats hing.
Tot groot vermaak van het publiek viel daardoor een iets verderop hangend schilderijtje met een even harde klap op de toneelvloer.
Kokkie deed net of dat zo gepland was en hing het gehavende schilderijtje weer op zijn plaats.
Al vrij snel kwamen er enige klanten in de bakkerswinkel en er volgden een aantal grappig bedoelde gesprekjes.
Men maakte zich zorgen over een geheimzinnige figuur die in het vervallen kasteel net buiten het dorp was komen wonen.
Er deden vreemde verhalen over hem de ronde.
Tenslotte stapte Stram, de plaatselijke veldwachter, de winkel binnen.
Deze boomlange en dito brede muiter in zijn veel te krappe uniform was de enige die zijn tekst tot in de finesses beheerste.
Nadeel was wél dat hij zich altijd precies aan de tekst hield en niet van improviseren wilde weten.
Hij wendde zich tot Kokkie, die net even de greep op zijn tekst kwijt was.
“Dag veldwachter. Lekker weertje, hè,” zei hij dus maar op goed geluk.
“Nee hoor Kokkie. Ik kom alleen maar om enige inlichtingen omtrent die nieuwe bewoner van het kasteel,” sprak Stram onverstoorbaar.
Kokkie herinnerde zich weer hoe hij verder moest en na een kort gesprekje hadden alle klanten en Stram de winkel verlaten.
“Zo,” zei Bakker Bloem. “En dan is het nu tijd voor een lekker gebakje met slagroom. Wat jij, Kokkie.”
Daar had Kokkie wel oren naar en beiden namen plaats aan een tafeltje  waarop inderdaad twee gebakjes te zien waren, rijkelijk voorzien van slagroom.
Een van de souffleurs kon haar lachen niet houden en al spoedig zou blijken waarom.
Bakker Bloem nam een enorme hap van het gebak, vertrok zijn gezicht tot een grimas, spuugde de helft van het gebak uit, verslikte zich in de andere helft en wist, terwijl hij zich van het podium afhaastte, nog net schuimbekkend uit te brengen dat hij zó weer terug zou zijn.
Kokkie, die nog géén hap genomen had, rook de geur van scheerschuim i.p.v. slagroom, legde het gebakje neer en keek een ogenblik vuil naar de souffleur die hun deze poets gebakken had.
Hij streek met zijn hand over zijn flinke buik en deelde het publiek mee dat hij, bij nader inzien, op dieet was.
Omdat Bakker Bloem nog in geen velden of wegen te bekennen was, vulde Kokkie de tijd met wat onhandige gymnastische oefeningen, tot groot vermaak van vooral zijn leerlingen, die hun onderwijzer nu toch wel heel erg gek zagen doen.
Bakker Bloem kwam, alsof er niets gebeurd was, even later het toneel weer op en er volgde een  gesprek vol flauwe grappen en misverstanden.
“Kom Kokkie, we gaan maar weer eens brood bakken,” sprak Bakker Bloem tenslotte en beiden verlieten het toneel.
Vlak daarna betrad een uiterst ongunstig uitziende tovenaar het toneel die, gemeen lachend, een geheimzinnig poeder over alle etenswaren uitstrooide,
“Ha, ha!” gierde de tovenaar. “Als die domme dorpsbewoners dit eten, kunnen ze dankzij  mijn toverpoeder alleen nog maar kakelen als kippen en dan heb ik het dorp in mijn macht en kan ik hier doen en laten wat ik wil! Ha, ha!”
Wát de boze tovenaar wilde doen en laten, liet hij in het midden, maar het klonk in ieder geval zeer onheilspellend.
Toen Bakker Bloem en Kokkie de winkel weer binnenkwamen, verstopte de tovenaar zich snel achter de toonbank.
Het jongste deel van het publiek begon meteen allerlei waarschuwingen te roepen maar, wat voor aanwijzingen ze ook gaven, Bakker Bloem en Kokkie schenen het maar niet te begrijpen en de tovenaar verdween, gemeen lachend, ongezien van het toneel.
De toneelgordijnen sloten zich en in een razend tempo veranderde de bakkerij in een burgemeesterskamer.
De toneelgordijnen werden weer geopend en het publiek zag hoe de notabelen van het dorp zich rond de burgemeester verzameld hadden voor overleg.
“Ik heb jullie bijeengeroepen omdat er iets moet gebeuren aan de geheimzinnige verdwijning van enige van onze dorpsgenoten. Professor, jij hebt die indringer persoonlijk ontmoet. Wat ben je over hem te weten gekomen?”
De professor gaf luid kakelend antwoord en begon rond te stappen als een kip.
Het gesprek dat nu volgde, ging alle kanten op omdat niemand meer precies wist in welk gedeelte van het script ze verzeild geraakt waren.
Ook de twee souffleurs niet, die vruchteloos van voor naar achter in hun tekstboekje bladerden en tegenstrijdige voorstellen deden.
Tot overmaat van ramp verscheen veldwachter Stram plotseling in de burgemeesterskamer omdat hij meende een stuk tekst gehoord te hebben waarop hij moest reageren.
Groot en breed vestigde hij, midden op het toneel staand, onbedoeld alle aandacht op zich en er viel een pijnlijke stilte.
Hoe kregen ze deze reus weer van het podium af?
De burgemeester kreeg een inval.
“Eh, Stram, ik heb trek in een sigaar. Ga jij eens even een doosje lucifers voor me halen.”
“Lucifers?” vroeg de gigant schaapachtig.
“Ja, lucifers! Schiet op! Ga ze halen!” beval de burgemeester geïrriteerd.
Volledig in de war droop Stram af.
Een van de souffleurs had ontdekt waar ze ongeveer hoorden te zijn in het script en siste dat stukje tekst richting toneelspelers.
Die kregen echter niet de kans om hier gebruik van te maken omdat Stram al snel weer, groot en breed, op het toneel verscheen.
“Hier zijn de lucifers, burgemeester,” sprak hij, niet ontevreden over zijn onverwachte improvisatievermogen, en hij overhandigde de verblufte burgemeester een doosje lucifers.
De burgervader keek wanhopig om zich heen.
“Ik krijg het warm hier. Laten we even naar de burgemeesterstuin gaan om daar wat frisse lucht te happen,” stelde hij voor.
En weg waren ze!
Het toneel oogde akelig leeg en, terwijl alle acteurs achter dat toneel zenuwachtig in hun tekstboekje aan het bladeren waren en onderling overleg pleegden, begreep barones Lobelia dat er iets gebeuren moest.
Ze ging achter de piano zitten , die zich naast het podium bevond,  en zei op deftige toon tegen het publiek, en vooral tegen de kinderen van haar klas, dat het hoog tijd werd voor een liedje.
Na een inleidend pianoriedeltje zong de klas braaf mee, al snel gevolgd door iedereen die ooit bij de barones in de klas had gezeten en dat waren er nogal wat.
“Barones, komt u ook?” vroeg de burgemeester snel toen het liedje afgelopen was en de barones aan een tweede wilde beginnen.
Het podium was inmiddels weer bevolkt met de notabelen van het dorp.
De barones schreed naar het podium en het tweede bedrijf werd verder zonder noemenswaardige haperingen uitgespeeld.
Het derde bedrijf startte met een hysterisch lachende tovenaar, die achter een tafel vol met glazen, potjes en pannetjes zat en het publiek mededeelde dat hij bijna iedereen in het dorp in zijn macht had.
“Kom maar binnen, kippen zonder kop!” brulde de tovenaar hatelijk lachend, waarop alle dorpelingen luid kakelend en bewegend als kippen achter elkaar door de kamer van de tovenaar rondscharrelden.
Na wat plagerijtjes stuurde de tovenaar de dorpelingen naar hun kippenhok terug.
“Alleen die vervelende Kokkie is me tot nu toe te slim af geweest,” vertrouwde de tovenaar het publiek handenwringend toe. “Maar hij weet natuurlijk niet dat het antiserum waarmee de betovering verbroken kan worden, in dit potje hier zit. Dus vroeg of laat krijg ik hem wel te pakken.”
De tovenaar zette het potje demonstratief op tafel en verween, zoals gewoonlijk gemeen lachend, van het podium.
Hij was nog niet verdwenen, of daar kwam Kokkie al uit een kast tevoorschijn.
Na wat verkeerde potjes in zijn handen genomen te hebben, had hij, na de nodige aanwijzingen van het jongste deel van het publiek, het goede eindelijk te pakken en ook hij verween van het toneel.
Meteen daarna verscheen hij wéér ten tonele en meldde hij triomfantelijk aan het publiek dat de betovering verbroken was en dat iedereen weer normaal aan het worden was.
Op dat moment werd hij door de plotseling ook ten tonele verschijnende tovenaar van achteren vastgegrepen.
Volgens het script zou hij, na een korte worsteling, gevangen genomen worden om daarna natuurlijk weer bevrijd te worden.
Maar het liep anders.
De ruim honderd kilo wegende Kokkie draaide zich om en slingerde per ongeluk de veel lichtere tovenaar over de tafel met glazen, potjes en pannetjes, waarna deze versuft op de grond bleef liggen.
Het stukje van de bevrijding van Kokkie werd toen maar overgeslagen en de tovenaar werd zonder al te veel plichtplegingen door Stram gearresteerd en afgevoerd.
“En dan is het nu tijd voor een lekkere oliebol op de goede afloop voor iedereen!” riep Bakker Bloem en ging rond met een mandje vol verse oliebollen.
Het toneelstuk voor de jeugd in drie bedrijven zou afgesloten worden met een lied en de barones zette zich achter de piano en begon te spelen.
De repetities waren altijd zonder oliebollen geweest en niemand van de dorpsbewoners had er rekening mee gehouden dat je met volle mond niet kunt zingen, dus het geheel was behoorlijk onverstaanbaar.
Niettemin volgde er een daverend applaus, waarna de onderhand snikhete aula door iedereen verlaten werd.
Wij, de toneelspelers, zaten inmiddels al, onder het genot van een drankje, na te genieten in het kamertje.
“Gaat het een beetje?” vroeg ik aan het hoofd der school. “Sorry hoor, maar ik slingerde je echt niet expres over die tafel.”
“Je boft dat je je vaste aanstelling al hebt,” bromde het hoofd. “Anders had ik daar toch écht nog eens over nagedacht.”
Het gezellig samenzijn duurde nog een tijdje voort en het was zeker anderhalf uur later dat ik over de galerij van de negende etage naar mijn woning liep.
Een vreemd gevoel van weemoed overviel me toen ik mijn huis binnen ging.
Ik begon dat warrige wereldje met zijn rare typetjes en oubollige gebeurtenissen, nu al te missen.

Reacties mogelijk in het gastenboek.