Het is leuk om vertroeteld te worden maar ook voor Pandoeris zijn er grenzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het kostte Pandoeris de nodige moeite om de vaargeul te volgen. Hij was al een paar keer in de modderige bodem blijven steken en was er slechts met de grootste moeite weer uitgekomen.
Hij moest er niet aan denken dat hij hier vast zou komen te zitten.
Hij kon zich van de toverschool trouwens niet herinneren dat je het Verloren Oord via een moeras binnen kwam.
Maar ja, wat kon hij zich eigenlijk nog wel herinneren van de school?
Hij had nooit goed opgelet en de leraren hadden de moed, wat hem betreft, opgegeven.
Op het laatst had hij er gewoon voor spek en bonen bijgezeten.
Het kan toch raar gaan in het leven, dacht Pandoeris.
Nou heb ik besloten om geen tovenaar te worden en een gewoon baantje te nemen en dan sturen ze me hier heen.
Nou ja, als dit avontuur achter de rug is, ben ik eigen baas en kan ik doen en laten wat ik wil.
Maar zover was het nog lang niet.
Hij passeerde een eilandje dat zowaar bewoond was.
Midden op het eiland stond een bont gekleurd huisje, omgeven door een tuin met allerlei soorten bloemen.
Er was ook een steigertje om een boot aan te leggen en op dat steigertje stond een dikke dame te zwaaien.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Ik hoor niets, dacht Pandoeris. Dat kost allemaal tijd. Ik wil weg uit dit moeras.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Je ’joehoet’ maar, dacht Pandoeris. Ik heb even last van een spontane doofheid.
De dame gaf het niet op.
”Ben je doof of zo, veerman?!”
Voor jou wel en ik ben ook geen veerman, dacht Pandoeris en roeide onverstoorbaar verder.
De dame werd boos.
”Als je niet gauw hierheen komt, stuur ik Cornelis op je af!”
Dan moet Cornelis verdraaid snel kunnen zwemmen als hij me wil inhalen, dacht Pandoeris en zag in gedachten al een oude harkerige tuinman in het water springen.
Hij hoorde een enorme plons achter zich, dus er sprong inderdaad iemand in het water.
Hoeveel kilo moest die tuinman wel niet wegen om zo’n gigantische plons te veroorzaken?


Pandoeris moest zich echt bedwingen om niet achterom te kijken, maar tot zijn grote schrik dook Cornelis plotseling vóór de boot op.
Een krokodilachtig beest van grote afmetingen opende een flinke muil met stevige tanden en blies een hoeveelheid bedorven adem in Pandoeris zijn gezicht, genoeg om een boeket bloemen te doen verwelken.
”Rustig maar, Cornelis,” bracht Pandoeris er bibberend uit.
”Rustig maar, brave…” Ja, wat was het eigenlijk?
Cornelis duwde tegen de boot, zodat de neus in de richting van het eiland kwam te liggen.
Pandoeris wist niets beters te doen, dan er maar naar toe te roeien, gevolgd door Cornelis, die een vervaarlijk oogje in het zeil hield.
”Zo, ben je daar?” vroeg de dikke dame verstoord. ”Hoorde je me niet roepen?”
”Wat zegt u?” vroeg Pandoeris. ”Ik ben een beetje doof ziet u.”
”O , is dat het. Ach, wat erg. Zo’n lief knulletje. En dan doof…”
De dame stak een mollige arm naar hem uit.
”Kom maar hier hoor, lieverd. Daar kan je tenslotte ook niets aan doen.”
Ze trok Pandoeris uit de boot en gaf hem een stevige knuffel.
”Ben jij niet een beetje te jong om veerman te zijn?”
”Wat zegt U?” vroeg Pandoeris, die blij was dat ze hem even los liet.
”Of je niet te jong bent om veerman te zijn!” schreeuwde de dame uit volle borst in zijn oor.
Dat moet ze niet teveel doen, dacht Pandoeris, anders word ik nog écht doof.
”O, ja, nee, nu versta ik u. U hoeft niet zo te schreeuwen, hoor. Als u maar in de richting van mijn oor praat. Dan gaat het wel.”
Ik geef mooi geen antwoord op die vraag, dacht Pandoeris.
Wat denkt ze wel. Ik ben geen kind meer.
”Onverantwoordelijk, hoor, om een kind zulk gevaarlijk en vermoeiend werk te laten doen. Wat vind jij er nou van, Cornelis?”
Cornelis loenste likkebaardend naar Pandoeris en gromde hongerig.
Die moet ik in de gaten houden, dacht Pandoeris.
”Kom, geef tante Mollie maar een handje, dan gaan we eerst een lekker kopje thee drinken met een gebakje erbij.”
Pandoeris wilde zich losrukken maar bedacht zich, toen Cornelis zich bij hem meldde.
Stel je voor dat dat monster op het onzalige idee zou komen om hem een handje te geven, in plaats van tante Mollie.
Hij liep dus maar dicht tegen tante Mollie aan, die hem daarop vertederd een aai over zijn bol gaf.
Op de bank, in de weelderig ingerichte woonkamer, had tante zich zo neergezet, dat Pandoeris bijna bekneld raakte tussen haar en de leuning, terwijl Cornelis ook niet bij hem weg te slaan was.
”En dan ga je na de thee lekker in bad, dan zal ik je vieze kleren wassen,” kondigde tante aan.
”O, dat hoeft niet, hoor mevrouw,” zei Pandoeris geschrokken.
”Zeg maar tante, hoor, lieverd en dat hoeft wél.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelis gromde instemmend en even later zat Pandoeris met een chagrijnig gezicht in een schuimbad dat rook naar lavendel.
Cornelis paste gelukkig niet in de badkamer maar Pandoeris hoorde aan zijn smakgeluidjes dat hij nog wel achter de deur zat.
Even later kwam tante aanzetten met een witte pyjama, versierd met rode brandweermannetjes die laddertjes opklommen.
”Moeten we niet weg met de boot? Anders wordt het te laat, hoor,”
probeerde Pandoeris.
”Geen sprake van.Tante Mollie gaat jou even verwennen met een goede maaltijd.”
”Maar ik zit nog vol van het gebak,” protesteerde Pandoeris.
”Onzin. Kinderen die in de groei zijn, moeten goed eten,” besliste tante. ”Of wou je altijd zo klein blijven?”
”Ik ben helemaal niet klein,” zei Pandoeris boos. ”En wanneer gaan we dan op weg?”
”Morgen is er weer een dag. We gaan direct eerst gezellig ’ganzeborden’ en ’mens erger je nieten’ en daarna ga ik een feestmaal voor je klaarmaken.”
Dat ’mens erger je nieten’ zal wel lukken, dacht Pandoeris gelaten.
”Ik heb nog allerlei lekkere hapjes voor tijdens de spelletjes en sta bekend om mijn heerlijke limonade.”
Berucht zal je bedoelen, dacht Pandoeris.
Tante bleek onverbiddelijk.
Ze overvoerde hem liefdevol met hapjes en won ondertussen het ene spelletje na het andere.
’s Avonds, tijdens de maaltijd, bleef tante zijn bord maar volscheppen en Pandoeris begon Cornelis, die hij stiekem een groot deel van zijn eten gaf, steeds meer te waarderen.
Toen het donker werd, mocht Pandoeris eindelijk naar bed.
Tante gaf hem een zoen op zijn voorhoofd en dekte hem zorgvuldig toe.
”Slaap maar goed, lieve jongen. Want morgen wordt het een hele reis.
We gaan naar het feest van koning Oliebol.”
Die naam voorspelt weinig goeds, dacht Pandoeris en voelde een stevige misselijkheid in zich opkomen.

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.