Over een veerman die niet alleen overzet, maar ook afzet en over Pandoeris, die zijn steentje bijdraagt.

Het is wel even schrikken als je ’s ochtends wakker wordt en je ontdekt dat je bijna in de armen van een geraamte ligt.
Het duurde dan ook even voordat Pandoeris van de schrik bekomen was en weer normaal kon ademen.
Hij groef, zo goed en zo kwaad als het ging, met een plank een kuil en stopte daar de overblijfselen van de vorige eilandbewoner in.
Daarna waste hij zijn handen met het bepaald niet schone moeraswater.
En nou maar hopen dat ze mij ook zo netjes begraven als ze mij per ongeluk hier vinden, dacht Pandoeris.
De moed zonk hem in de schoenen en hij begon hartverscheurend te huilen.
Er was toch niemand die je hoorde en zei dat je een flinke vent moest zijn.
Hij had erg veel medelijden met zichzelf en ging zo op in zijn verdriet, dat hij niet in de gaten had dat er een roeibootje aan kwam varen.
De roeier stopte met roeien en liet het bootje uitvaren tot vlak bij Pandoeris, die nog steeds met zijn hoofd in de handen bij de waterkant zat.
”Willen de passagiers bij de boothalte zich gereedmaken om in te stappen!” kraakte plotseling de stem van de roeier.
Pandoeris viel van schrik bijna voorover in het water.
Hij kon van de weeromstuit even geen woord uitbrengen en de roeier maakte van de stilte gebruik om een en ander toe te lichten.
”Ik ben de veerman in dit gedeelte van het moeras. Ik breng u overal waar u maar wilt, voor een bord en een lepel. Heeft u die bij zich?”
”Ik zal ze even halen!” riep Pandoeris opgelucht en rende naar de hut.
Hij had dat bord en die lepel dan wel nodig om in de gewone wereld terug te kunnen komen, maar dat was van later zorg.
Als hij eerst maar van dit ellendige eilandje af was.
Trouwens, als hij het een beetje slim aanpakte, hoefde hij niet eens te betalen als hij op de plaats van bestemming aankwam en dan bijvoorbeeld hard wegrende.
Hij wilde met zijn rugzak naar het bootje toe waden, maar deinsde achteruit toen hij bijna een tik van een roeispaan tegen zijn hoofd kreeg.
”Eerst betalen!” kraakte de stem van de veerman.
”Wie zegt me dat u niet hard weg roeit als u dat bord en die lepel eenmaal heeft?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Eerst betalen, dan pas meevaren.”
Dat was een lelijke tegenvaller.
Je kunt vandaag de dag niemand meer vertrouwen, dacht Pandoeris boos.
”En als ik u alvast de lepel geef en het bord bij aankomst,” probeerde hij nog.
”Nee, allebei tegelijk en anders niet.”
Pandoeris besloot te bluffen.
”Als je me niet ogenblikkelijk op je schuit toe laat, tover ik je om in een stinkdier,” dreigde Pandoeris, ”Ik ben namelijk een tovenaarsleerling.”
”Mij maak je niet bang. Ik heb een tovervrij vest aan. Je kunt me niets maken met je getover. Bovendien: als ik jou zo zie, kan je volgens mij nog geen deuk in een pakje roomboter toveren.”
Een akelige lach echode krakend over het moeras.
”O ja? Durf je dan hier te blijven als ik mijn toverschrift pak?” daagde Pandoeris hem uit en voegde de daad bij het woord.
De veerman ging er eens lekker voor zitten.
”Ga je gang. Ik ben een en al aandacht.”
Zenuwachtig bladerde Pandoeris in zijn schriftje.
Sommige dingen had hij zo slordig opgeschreven, dat hij ze niet eens kon lezen.
En wat hij kon lezen, leek zo onbenullig, dat het de veerman hooguit op de lachspieren zou werken.
Maar ja, hij moest wel iets doen; hij kon toch ook niet blijven bladeren.
”Ha! Hier heb ik iets verschrikkelijks!” loog Pandoeris en hield zijn vinger op een lege bladzijde. ”Ik geef je nog één kans…”
”Al gaf je me er twee of drie. Ik wil dat toverkunstje van jou wel eens zien.”
”Dat weet je heel zeker?”
”Dat weet ik heel zeker.”

Wat nu? dacht Pandoeris. Het zou toch wel prettig zijn als me iets heel briljants te binnen schiet.
Misschien kan ik iets op hem laten vallen en hem zo uitschakelen, zonder de boot te vernielen natuurlijk. Ach dat is het! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb! De stenen! Als ik tover, regent het bakstenen.
En het maakt niet uit welke toverspreuk ik gebruik, als het maar stenen regent.
Pandoeris zegde de spreuk op waar hij, vlak voor hij deze reis begonnen was, ook al succes mee had gehad en rende naar de hoger gelegen hut om daar te schuilen.
De veerman keek geamuseerd toe en schaterde het uit, toen hij zag hoe het ene na het andere kledingstuk van Pandoeris zijn lijf viel, terwijl hij als een gek zigzagde om de vallende stenen te ontwijken.
Het hoogtepunt was voor hem toch wel het moment waarop een inmiddels geheel blote Pandoeris moest toezien hoe zijn schuilplaats bedolven werd onder een hoeveelheid bakstenen en in elkaar stortte.
De truc met de stenen was dan wel gelukt, maar ze waren op deverkeerde plek gevallen.
De veerman gierde het uit en sloeg zich huilend van het lachen op de knieën.
Iets te hard waarschijnlijk want hij verloor zijn evenwicht en viel met een plons voorover uit de boot.
Zwemmen kon hij blijkbaar niet want hij had de grootste moeite om zijn hoofd boven water te houden.
Pandoeris zag het en rende zo hard hij kon terug naar de boot om er eerder te zijn dan de veerman.
Helaas: de veerman had de boot te pakken en hees zich er in, nog vóór Pandoeris iets had kunnen ondernemen.
”Te laat, mannetje,” rochelde de veerman, terwijl het water uit alle plaatsen van zijn lichaam liep waar een gat in zat.
In een vlaag van woede pakte Pandoeris een van de stenen die verspreid op de grond lagen en gooide die naar zijn tegenstander.
Tot zijn verbazing gooide hij raak en de veerman zakte in elkaar.
Pandoeris aarzelde niet, sprong in het water en sleepte de boot, met veerman en al, naar de kant.
Snel trok hij de natte kleren van de veerman aan, die hij bewusteloos op de kant had gelegd.
Hij pakte zijn rugzak, stapte in de boot en roeide harkerig, omdat hij dat niet gewend was, een eindje weg.
De veerman krabbelde intussen overeind en begon te vloeken en te tieren.
Pandoeris wachtte tot hij uitgeraasd was.
”Als je me vertelt waar ik hulp kan halen voor je, zal ik dat doen,” sprak hij edelmoedig.
De veerman wilde verder gaan met schelden maar bedacht zich.
”Vaar een paar uur in noordelijke richting, dan kom je bij een groter eiland. Daar vind je ook onze rederij.”
Pandoeris stuntelde in de aangegeven richting.
”Je stuurt toch wel iemand, hè?” vroeg de veerman nederig.
”Natuurlijk,” zei Pandoeris. ”Ik weet alleen niet of je een bord en een lepel nodig hebt. Maar dat zoek je zelf maar uit.”
Het duurde even voor Pandoeris de juiste ’roeislag’ te pakken had, maar toen ging hij er toch redelijk snel vandoor.

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.