Met een bord en een lepel in de hand komt men door het ganse land, maar Pandoeris raakt al snel het spoor bijster.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het afscheid van de vervoerder en zijn vrouw had niet zo lang geduurd. De vervoerder had alles nog eens kort met hem doorgesproken en zijn vrouw had allerlei lekkers voor onderweg in een rugzak gedaan.
Pandoeris had er op gestáán om de reis alleen te maken.
Hij wilde het geheim van de toegang tot het Verloren Oord niet verraden en de vervoerder had daarvoor wel begrip getoond.
De reis was overigens voorspoedig verlopen.
Na twee dagen was hij bijna waar hij wezen moest.
De weg waarover de postkoets reed werd steeds slechter en de passagiers, die hem gezelschap hielden, waren op zijn zachtst gezegd, vreemd te noemen.
Naast hem zat een man die alleen maar uit een bochel en benen leek te bestaan en tegenover hem zaten twee oude vrouwtjes te fluisteren en te stinken.
De koetsier hoorde je, boven de geluiden van de postkoets uit, vloeken en tieren om de paarden op snelheid te houden.
Plotseling hield hij halt.
De vrouwtjes stopten met fluisteren, ze stonken alleen nog maar, en de gebochelde man reutelde wat.
Pandoeris voelde zich niet op zijn gemak en nam zijn rugzak op schoot.
Het portier van de koets zwaaide open en de koetsier brulde, alsof hij het tegen de paarden had, dat ze twee minuten de tijd kregen om op te rotten.
Pandoeris wilde eerst nog vragen waar naar toe, maar een vervaarlijk heen en weer zwaaiende zweep, weerhield hem daarvan.
Gedwee volgde hij de anderen.
De koetsier klom weer op de bok, gebruikte de zweep voor de paarden en de koets verdween in de richting vanwaar ze gekomen waren.
Pandoeris keek de koets na, tot deze in een stofwolk verdwenen was.
Toen hij weer naar zijn medepassagiers keek, bleken de oude vrouwtjes ook verdwenen te zijn.
De gebochelde zat op zijn koffer, die veel te groot en te zwaar voor hem was en Pandoeris vroeg zich al af, hoe hij deze zou vervoeren.
Het antwoord hierop kwam snel.
”Jij tillen”, sprak de bochel met een hese stem en twee priemende oogjes keken hem aan.
Pandoeris had hier niet zoveel zin in maar besloot het toch maar te doen.

Je wist tenslotte nooit waar dat nog eens goed voor was en bovendien wist hij toch niet welke richting hij uit moest gaan.
Zwijgend volgde Pandoeris de stevig voortdribbelende bochel en na een uurtje zweten en puffen, kwamen ze bij herberg ’De Laatste Post’.
De bochel klopte aan en een zware eikehouten deur werd door een ongunstig uitziende herbergier geopend.
Hij liet Bochel binnen, trok de koffer uit Pandoeris zijn hand en wilde de deur voor zijn neus dicht smijten.
”Hij mee!” klonk een hese stem.
De deur ging weer open en Pandoeris glipte snel naar binnen.
De herbergier wees hen een plaats, aan een van de tafels.
De weinige gasten zaten zwijgend achter een tinnen soepbord en hielden een houten lepel vast.
Ook Pandoeris kreeg een bord en een lepel.

De soep werd zwijgend opgediend en opgegeten.
De paddestoelensoep, of wat daar voor door moest gaan, smaakte niet lekker maar Pandoeris begreep dat het opeten daarvan, nodig was om de Heksenkring te passeren.
Hij slurpte dapper door en toen hij opkeek van zijn bord, zag hij alleen nog maar nevel en kwade dampen.
De grond onder hem begon te bewegen en Pandoeris raakte in paniek.
Hij wilde opstaan en wegrennen maar een hese stem riep: ”Zitten!
Bord en lepel vast!”
Dat moest die bochel zijn.
Pandoeris kalmeerde enigszins en vroeg: ”Waar bent u en waar ben ik?”
Er kwam geen antwoord.
Pandoeris hoorde alleen een zacht gereutel dat langzaam wegstierf.
Het zweet brak hem uit maar hij hield zich goed.
Het leek wel een eeuwigheid te duren voor hij weer iets kon zien maar wat hij toen zag, stelde hem bepaald niet gerust.
Hij was op een klein eilandje terecht gekomen in een moerassig gebied.
Zijn bord en zijn lepel hield hij nog steeds vast.
Wat was daar ook al weer mee?
O ja, hij moest die bewaren om terug te kunnen komen.
Hij borg ze op in zijn rugzak en de aanblik van al dat lekkers dat daar in zat, stelde hem een beetje gerust.
Het zag er gezellig uit en het had iets vertrouwds.
Verhongeren zou hij voorlopig in ieder geval niet.
Hij bestudeerde de plattegrond die hij had meegekregen en zag dat hij nog ver van zijn reisdoel verwijderd was.
Hij besloot eerst het eilandje maar eens te verkennen.
Nou, dat was zo gebeurd.
In nog geen tien minuten tijd was hij weer bij het startpunt van zijn ontdekkingstocht gekomen en had hij het eilandje rondgelopen.
Vervolgens stak hij het eiland dwars over en midden op het eiland vond hij een half in elkaar gezakte hut.
Er was dus wel eens eerder iemand geweest.
Het begon donker te worden en dat was niet alleen omdat het laat werd, want al snel vielen de eerste regendruppels uit de inktzwarte lucht.
Hij vond een kaars in de hut en stak die aan.
De hut was niet zo best meer, maar het dak was nog in orde en dat was prettig want de regen viel met bakken uit de lucht.
Het had altijd iets gezelligs als het hard regende en je lekker droog zat, vond Pandoeris.
Hij opende zijn rugzak en begon genoeglijk te eten van het lekkers dat de vervoerdersvrouw meegegeven had.
Ach, alles zou wel weer op zijn pootjes terecht komen; je kon je overal wel druk om maken.
Hij maakte een bed van stro, dat er ook nog lag en viel tevreden in slaap met een glimlach op zijn gezicht.
Naast hem lag, verborgen in het donker, een geraamte met een grijns in zijn schedel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.