Een geheimzinnige figuur wordt ontmaskerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Drie weken waren al weer verstreken sinds Pandoeris begonnen was met werken.
Het was even wennen in het begin.
Vooral het vroege opstaan beviel hem niet zo best.
Maar na verloop van tijd begon hij zich er een stuk prettiger bij te voelen.
Hij ging goed gekleed, kreeg goed te eten en te drinken en hij deed goed zijn best.
De mensen in het dorp bij wie hij spullen afleverde of ophaalde, waren tevreden over hem en vonden dat de vervoerder een goede knecht had uitgekozen.
Pandoeris, die gewend was dat iedereen hem maar een flapdrol vond, genoot van het aanzien dat hij had gekregen.
Hij had zijn kamer gezellig ingericht, de vrouw van de vervoerder kon lekker koken en deed beslist niet onaardig tegen hem en de vervoerder zelf liet hem zijn eigen gang gaan, als hij maar zorgde dat het werk op tijd gedaan was.
En daar zorgde Pandoeris wel voor want hij wilde dat iedereen hem een flinke vent bleef vinden.
Toen hij wegging bij zijn tante Eleanora, had hij stiekem zijn schoolschriftje met toverformules meegenomen om tenminste nog iets te hebben, als hij zou mislukken als vervoerdersknecht.
Maar hij kreeg steeds meer het gevoel dat hij dat schriftje nooit meer zou hoeven gebruiken.
Hij was tevreden met het leven dat hij nu leidde.
Op een dag betrad een duistere figuur de zaak die nors naar de baas informeerde.
Toen Pandoeris vroeg of hij misschien kon helpen in plaats van de baas, werd hem toegesnauwd dat hij geen zaken deed met ondermaatse viskoppen.
Nu had Pandoeris geleerd dat je altijd beleefd tegen een klant moet blijven maar het kostte hem wel moeite deze keer.
Wat hij ook niet prettig vond was, dat de man zijn mantel zó om zich heen had geslagen dat je zijn gezicht niet meer kon zien.
De vervoerder nam de geheimzinnige man mee naar zijn kantoortje om daar voorlopig niet meer uit te komen.
Net toen Pandoeris klaar was met zijn werk en het er eens lekker van wou nemen, kwamen ze er weer uit.
De man had de mantel weer om zich heen geslagen en liep langs Pandoeris zonder hem een blik waardig te keuren.
Bij de deur stopte hij plotseling en draaide zich om.
”Kan die luie vlerk daar me niet even wegbrengen? Die zit toch maar uit zijn neus te eten.”
Pandoeris ontplofte bijna maar zijn baas zei alleen maar: ”Pandoeris, wil jij die meneer even wegbrengen?”
Nooit van mijn leven, dacht Pandoeris en zei: ”Ja baas.”
Hij haalde het paard en de wagen weer uit de stal maar pakte eerst nog even snel zijn toverschriftje van zijn kamertje.
Hij wist dat het onverstandig was wat hij wilde gaan doen maar hij kreeg de kriebels van deze onbehouwen lomperik.
Tijdens de rit werd er geen woord gewisseld.
De man gebaarde met zijn arm of hij naar links of naar rechts wilde en zo kwamen ze tenslotte aan de rand van een groot bos.
Daar sprak de man het eerste woord: ”Stop.”
Hij stapte van de wagen af en liep zonder om te kijken weg.
Pandoeris parkeerde paard en wagen snel onder een dikke eikeboom en bladerde in zijn toverschriftje.
Ik zal die verwaande kwast eens ontmaskeren, dacht Pandoeris grimmig.
Zonder haperen zegde hij een lange spreuk op waarmee je kledingstukken kon wegtoveren.
Hij was het nog niet verleerd.
Jammer alleen dat daar de eerste baksteen al weer uit de lucht kwam vallen.
De tweede en de derde volgden en de vierde trof doel.
De man bleef pijnlijk getroffen staan en draaide zich om.
”Heb jij die steen gegooid?”
”Steen?” vroeg Pandoeris onnozel.
”Ja, steen! Of wou je soms beweren dat deze bult van een eikeltje
kwam!”
Hij deed zijn mantel opzij zodat Pandoeris zijn gezicht kon zien, dat er
door de pas ontstane bult bepaald niet mooier op werd.
”Ik weet niet wie er gooit,” zei Pandoeris. ”Maar pas op! Daar komen
er nog een paar!”
Een aantal bakstenen ploften zwaar in het zand.
De man koos eieren voor zijn geld en zette het op een lopen.
Terwijl hij rende, waaide het ene na het andere kledingstuk van zijn lichaam tot hij, eenmaal bij het bos gekomen, alleen zijn ondergoed nog maar aan had.
Pandoeris lachte tevreden.
Misschien had hij toch nog een knappe tovenaar kunnen worden.
Ach, wat zat hij toch te zeuren.
Vervoerder wilde hij worden!
Toch borg hij zijn schriftje goed op.
Daar moest hij zuinig op zijn want dat kon hem nog wel eens van pas komen.
En méér dan Pandoeris lief was, zou al vrij snel blijken.

Tags:

Reacties mogelijk in het gastenboek.