En weer had ik het gevoel dat ik met mijn rug tegen de muur stond, al was het dan een kerstboom die hinderlijk in mijn nek prikte.
Het was vlak vóór de kerstvakantie en ik had bijna mijn eerste baan als onderwijzer, na een meer dan moeizaam begin, succesvol afgesloten, zodat ik nu met een gerust hart mijn militaire dienstplicht kon gaan vervullen.
Ik was dat schooljaar na de zomervakantie tamelijk onverwacht als invaller in een zesde klas terecht gekomen.
Deze zesde klas, tegenwoordig groep 8 genaamd, had het schooljaar daarvoor een aantal invallers versleten en ging er bij voorbaat vanuit dat er van mij ook niet veel te verwachten viel.
De eerste weken vond ik verschrikkelijk.
Voor mijn gevoel was ik alleen maar bezig orde in de chaos te scheppen.
Wanhopig probeerde ik, tussen streng en consequent zijn door, leuke dingen te doen, zoals zingen met mijn gitaar, voorlezen, af en toe een grappige anekdote vertellen en de dropquiz op vrijdagmiddag.
Langzaam maar zeker begon ik grip op de groep te krijgen.
De klas bleef druk maar luisterde wel steeds beter en we begonnen zowaar een band met elkaar te krijgen.
Na schooltijd bleven er altijd wel een paar kinderen nog even hangen waarmee ik dan gezellig wat babbelde.
Eigenlijk was er nog maar één iemand die problemen bleef geven en dat was R.
R. was een meisje dat tegenwoordig van allerlei etiketten voorzien zou zijn die haar gedrag rechtvaardigden, zoals ADHD en borderline, maar toen was ze alleen maar verdraaide lastig en onhandelbaar.
Vóór de doos met invallers geopend werd, had de toenmalige leerkracht haar volkomen geïsoleerd.
Ze was met haar tafeltje tegen een muur vóór in de klas geplaatst en de leerkracht had met krijt een cirkel om haar plaats heen getrokken die niemand, ook R. niet, mocht overschrijden.
Nadat de leerkracht overspannen thuis bleef, was het hek pas goed van de dam.
Ook bij mij was ze regelmatig bijna niet in toom te houden maar ik had het voordeel dat ze me aardig vond.
Toen ik de klas min of meer in het gareel had, kon ik me op R. gaan richten en haar de aandacht geven die ze verdiende.
Ik probeerde R. in gesprekken na schooltijd duidelijk te maken dat ik, als ik tijdens de les boos op haar was, ik boos was vanwege haar rare gedrag en niet vanwege haar persoon en dat ik haar verder aardig vond.
En dat was nog waar ook.
Het was een leuke meid om te zien en als we na school ontspannen met elkaar praatten, konden we het goed met elkaar vinden en vertelde ze ook wel eens iets over zichzelf, zodat ik haar beter begreep en kon waarderen.
Eén keer was het bijna fout gegaan.
Buiten stormde het en binnen ook.
De klas was druk en vervelend en ik daardoor niet minder.
Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik als onervaren onderwijzer in de afgelopen maanden opgebouwd had, in één keer afgebroken werd.
De klas leek mij de regie uit handen te nemen.
Op de klok zag ik dat ik nog een half uur te gaan had vóór de middagpauze en ik wist werkelijk niet meer hoe ik deze tijd op normale wijze door moest komen.
En toen gebeurde het.
R. begon hardop door de klas te zingen en met haar armen dirigeerbewegingen te maken.
De klas vond het prachtig en begon mee te zingen, waarbij iedereen er een eigen melodie op na hield.
Ik had het gevoel met mijn rug tegen de muur te staan.
Zonder nadenken sloeg ik met mijn vuist keihard op mijn bureau, zodat mijn koffiekopje op de grond stuiterde.
Zó boos was ik nog nooit geweest en de klas viel stil, behalve R. die gewoon doorging.
Alle ogen waren op mij gericht.
Wat zou meester nu gaan doen?
Meester keek om te beginnen woedend de klas in- tot alles in staat- dat zagen ze wel, dus iedereen kroop in zijn schulp.
R. was gestopt met zingen en keek me uitdagend aan.
“Ga jij de klas maar uit,” zei ik. “Ik wil je even niet zien.”
“Nee,” zei ze brutaal. “Ik ga niet.”
“Je gaat wel. En nu meteen!”
“Waarom?”
“Omdat ik het zeg!”
“Ik ga tóch niet,” besloot ze en ging daarop demonstratief met haar armen over elkaar zitten op een manier van: zie mij maar eens weg te krijgen.
Even klonk er gegrinnik in de klas maar dat wist ik met een duivelse blik in mijn ogen af te kappen.
Het zweet brak me uit.
Wat nu te doen?
Langzaam liep ik naar de klassendeur en opende deze.
“Je kunt nu nog op eigen gelegenheid gaan,” dreigde ik.
“En anders?” vroeg ze zuigend.
Dan góói ik je eruit!”
“Ik ga toch niet,” besloot ze wederom en gooide nuffig haar hoofd in haar nek.
Ik liep naar haar toe en pakte haar bij de arm.
R. liet zich theatraal op de grond vallen en begon rare geluiden te maken.
“Sta op!” riep ik.
“Nee,” zei ze tussen de rare geluiden door.
Toen knapte er iets bij me en deed ik iets wat ik natuurlijk nooit had mogen doen.
Ik raapte haar van de grond, nam haar onder mijn arm en smeet haar letterlijk de gang op.
Ze schoof zelfs nog een stukje door over de vloer.
Daarna smeet ik de deur met een oorverdovende klap dicht en ging achter mijn bureau zitten.
Het was angstaanjagend stil geworden in de klas; je kon een speld horen vallen.
Ik had verwacht dat R. wel achter het raampje naast de deur zou gaan staan om er tegenaan te tikken maar dat deed ze niet.
En zo bleef het muisstil tot 5 voor 12.
Toen nam ik het woord, om er in ieder geval nog een pedagogische draai aan te geven.
“En als iedereen vanmiddag weer gewoon doet, kunnen we de dag toch nog gezellig afsluiten met de dropquiz,” eindigde ik mijn betoog. “Het hangt van jullie zelf af.”
Om 12 uur verlieten de kinderen, duidelijk onder de indruk, het lokaal.
Ik bleef nog even uitgeput in het lege lokaal zitten, pakte zuchtend mijn schooltas en stond op om bij mijn ouders, waar ik nog woonde, een broodje te eten.
R. die nog in de gang stond, liep ik, zonder haar een blik waardig te keuren, straal voorbij.
Ik was het helemaal zat!
Toen ik om 10 voor half 2 weer in de klas kwam, lag er een oranje envelop op mijn bureau.
Ik opende de envelop en begon de brief te lezen.
‘liefe meester het spijt me dat ik gek deet ik wil het niet maar het gebeurd gewoon en nu wil u ook niet meer met me praaten ik vint u aardig als u weer met me praat zal ik het nooit meer doen mag ik om half 4 weer met u praaten ik zal het nooit meer doen’
Ik las het briefje twee keer en stopte het in mijn broekzak.
Om half 2 kwam de klas stilletjes binnen, R. als laatste.
Ik keek haar vriendelijk aan.
“Bedankt voor je brief. Ik zie je om half 4.
Ze glimlachte opgelucht en ging aan haar tafeltje zitten.
Het werd een gezellige middag en om half 4 had ik een goed gesprek met R.
De laatste weken die we nog tot de kerstvakantie te gaan hadden, was ze voor haar doen gezeglijk en rustig.
Ik had werkelijk met haar te doen.
En dan stond ik nu hier, vlak vóór mijn afscheid, bij die kerstboom met een boek vol saaie kerstverhalen.
De school had voor die avond een kerstmaaltijd georganiseerd.
De kinderen van alle klassen zaten aan tafeltjes dicht op elkaar in de twee gangen die haaks op elkaar stonden.
In de hoek van de zo ontstane L-vorm stond een grote kerstboom, met mij dus nu en dat stomme boek.
Elke leerkracht had bij die boom, tussen de maaltijdgangen door, een gedicht of verhaaltje voorgelezen waar steeds minder naar geluisterd werd.
Doordat de aanwezige leerkrachten en hulpouders de meute enigszins stil wisten te houden, waren die stukjes nog wel te volgen geweest.
Na het toetje was ik dus eindelijk, als mosterd na de maaltijd, aan de beurt.
De kinderen leken zich totaal niet van mijn aanwezigheid bewust en ik vroeg me vertwijfeld af hoe ik daar verandering in moest brengen.
Met luide stem begon ik voor te lezen terwijl men ondertussen hier en daar al begon de tafels af te ruimen.
Niet erg motiverend dus.
Omdat er toch nauwelijks geluisterd werd, had ik stiekem al een flink stuk van het verhaal overgeslagen en zo belandde ik bij het gedeelte waarin het ezeltje van Jozef en Maria een bescheiden rol speelde.
Uit pure lamlendigheid liet ik het ezeltje een paar keer klaaglijk balken.
Tot mijn verrassing zag ik dat een groot gedeelte van de groep me geamuseerd aankeek.
Ik las nog een paar zinnen voor en balkte er op goed geluk nog maar eens lustig op los.
Kinderen en volwassenen moesten lachen en opeens had ik alle aandacht.
Daar moest ik gebruik van maken!
Ik deed net of ik voorlas en veranderde het verhaal op zo’n manier dat het eigenlijk alleen nog maar over het ezeltje ging.
Het sloeg werkelijk nergens meer op maar toen ik het ezeltje luid balkend in galop, met Maria op zijn rug, liet ontsnappen uit de gretige handen van de vijand en eindigde met een triomfantelijke overwinningsbalk, werd er spontaan geapplaudisseerd.
Mijn laatste schooloptreden was toch nog een waardig afscheid geworden.
De dag erna was de laatste schooldag vóór de kerstvakantie en om half 4 gaf ik bij het weggaan alle kinderen een hand en wenste hen veel geluk in hun verdere leven.
R. was nergens te bekennen, wat ik erg jammer vond.
Op weg naar huis fietsend, vroeg ik me de hele tijd af waarom ze er zonder iets te zeggen vandoor gegaan was.
Plotseling, vanuit het niets, fietste ze naast me en verweet me met luide stem dat ik haar in de steek liet.
Ze had gelijk.
Door mijn onervarenheid als onderwijzer had ik dit volkomen verkeerd ingeschat.
Haar steun en toeverlaat liet haar gewoon barsten en dankte haar af, net als al die anderen in haar leven.
Ze begon nu echt tegen me te schreeuwen en ik zag al hoe voorbijgangers verbaasd naar ons begonnen te kijken.
In plaats van naar een oplossing te zoeken, probeerde ik van haar af te komen.
Eigenlijk wist ik me gewoon geen raad.
Op een gegeven moment trapte ze op de rem en, terwijl ik beschaamd doorfietste, schold ze me, over een steeds groter wordende afstand, de huid vol.
En terecht!
Ik had gefaald als onderwijzer.
Mijn trots over de goede afloop van mijn eerste onderwijsbaan en het succesvolle kerstoptreden verdwenen als sneeuw voor de zon.
Ik had nog veel te leren.

Reacties mogelijk in het gastenboek.