Ik was net volwassen geworden toen ik toevallig op straat een jeugdvriend van me tegenkwam.
We raakten aan de praat en al snel begonnen we als oude mannetjes jeugdherinneringen op te halen.
Ik vroeg of hij wist hoe het met Bertje ging.
Een paar weken daarvoor had ik toevallig uitgebreid aan hem gedacht naar aanleiding van iets wat ik op de televisie over de problematiek van de gehandicapte medemens had gezien.
Bertje was namelijk gehandicapt en behoorlijk ook.
Hij had na zijn geboorte polio opgelopen en had daar twee lamme benen aan overgehouden, die nu in metalen beugels gestoken waren die tot om zijn heupen vast zaten.
Met behulp van krukken kon hij zich voortbewegen door, steunend op die krukken, zijn gebeugelde benen telkens naar voren te slingeren.
Maar het gekke was dat wij Bertje totaal niet als een gehandicapte zagen.
Hij was gewoon een vriendje dat met krukken liep en met alles mee deed.
En met ‘alles’ bedoel ik ook alles.
Op onze strooptochten door het dorp, waar veel gebouwd werd en waar dus veel te beleven en te halen was, kon hij ons met zijn krukken makkelijk bijhouden.
Zijn hondje, een vullisbakkenras genaamd Blacky, hobbelde altijd achter hem aan.
Als we bijvoorbeeld op het dak van een half afgebouwd huis klommen, wisten we met duwen en trekken Bertje er ook op te krijgen.
Blacky gooiden we er gewoon voorzichtig achteraan.
Ook met fietstochten ging Bertje mee.
Zijn fiets op drie wielen bonden we met een touw vast aan een van onze fietsen en zo sleurden we hem om de beurt achter ons aan.
Vlotje varen door de sloten van de weilanden; Bertje ging mee.
Het kwam niet bij ons op dat het met die zware metalen beugels wel eens gevaarlijk kon zijn als hij, om wat voor reden dan ook, van dat vlot af zou lazeren.
Met voetballen op het veldje stond hij in de verdediging en gebruikte hij zijn kruk om de bal tegen te houden of hij wist er een gebeugeld been bij te krijgen.
Als er eens ruzie was, werd hij niet ontzien en kon desgewenst ook een knal voor zijn kanis krijgen.
Medelijden is voor zielenpoten en dat was hij niet.
Hij was trouwens niet te beroerd om, steunend op zijn ene kruk, flink uit te halen met die andere.
Alleen als we naar het openluchtzwembad gingen viel het ons op dat hij anders was.
Als we van de kleedhokjes naar het water liepen kon Bertje zonder die beugels zijn krukken niet gebruiken en werkte hij zich met zijn ijzersterke armen zijdelings over de grond voort, zijn machteloze dunne beentjes achter zich aan slepend.
Eenmaal in het water gekomen, kon hij zwemmen als de beste en dachten we niet meer aan die dunne beentjes.
Als we kwajongensstreken uithaalden, deed Bertje net zo hard mee en toen we eens een keer problemen met de politie kregen, wist hij ons er met een geweldig verhaal uit te kletsen.
Want dat kon hij goed, kletsen.
We hadden een plekje ‘achter het schooltje’ zoals we dat noemden, waar we stiekem onze sjekkies rookten en stoere verhalen vertelden.
Het was er vaak gezellig en Bertje had een groot aandeel in die gezelligheid en ook in de hoeveelheid shag trouwens.
Hij kon met iedereen opschieten en was één van ons.
Mijn moeder vond hem altijd zo leuk als hij weer eens aan de deur stond om met zijn donkere stem en rollende brouw R beleefd te vragen: “Dag buurvrouw Stam. Zou ik soms bij u van de telefoon gebruik mogen maken daar wij er geen hebben?”
Tegen mijn vader zei ze, na zo’n telefoontje, tijdens het avondeten een keer: “Die jongen komt er wel.”
En ik weet nog dat ik me toen afvroeg waarom hij er eventueel niet zou komen.
Maar mijn jeugdvriend wist niet zoveel over hem te vertellen.
Wél dat hij zijn schooldiploma gehaald had maar dat wist ik al.
Niet lang na onze ontmoeting vertelde mijn moeder geschokt het laatste nieuws over Bertje: Dood! Auto-ongeluk.

Reacties mogelijk in het gastenboek.