Daar stonden we dan: druipend van de regen, ver van huis, moedeloos kijkend naar de invallende duisternis.

 

En dan te bedenken dat ik in deze hele onderneming geen moment zin had gehad.
We waren op een feestje- het examenjaar van de havo zat er bijna op- en we hadden het over het op vakantie gaan na het behalen van ons diploma.
Ik was heerlijk aan het fantaseren geslagen en vertelde over wilde plannen om met de fiets naar Frankrijk te gaan.
Al vrij snel had ik door mijn overdreven enthousiasme de lachers op mijn hand.
Cor, een stugge, uit de kluiten gewassen slagerszoon waar ik niet zoveel contact mee had, nam me na afloop even apart en vroeg of hij niet met me mee kon naar Frankrijk.
Ik was nog aan het nagenieten van mijn succes als entertainer en stemde zonder na te denken toe, op voorwaarde dat hij alle voorbereidingen zou treffen voor de expeditie.
Zo moest hij bijvoorbeeld ook voor een fiets zorgen want die had ik niet meer.
Ik reed brommer in die tijd.
Al vrij snel na de diploma-uitreiking belde Cor me op met de mededeling dat we eens bij elkaar moesten komen om de datum van de vakantie naar Frankrijk vast te leggen.
Alle andere zaken had hij al geregeld.
Ook voor een fiets had hij gezorgd.
Als ik akkoord ging kon ik voor 35 gulden een fiets kopen die hij gevonden had door alle advertentierubrieken in de plaatselijke krantjes uit te pluizen.
Had ik geen geld?
Geen zorg!
We konden drie weken in de timmerfabriek van zijn grootvader werken.
Hoe ik ook probeerde om er onderuit te komen, Cor had voor alles een oplossing en ik durfde niet te zeggen dat mijn enthousiaste fietsplannen als grapje bedoeld waren.
En zo vertrok ik een maand later vanaf de slagerij op een oude zwarte herenfiets met mijn ziel onder mijn arm, samen met Cor, naar Frankrijk.
Een lichtpuntje was nog dat we bij mijn ouders langs zouden gaan die een huisje zouden huren in Noord-Frankrijk waar ze met het gezin- minus mij dus- twee weken zouden blijven.
Zo had ik in ieder geval nog een soort doel voor ogen.
Na twee dagen kwamen we een eenzame fietser tegen- Wim- zoon van een binnenvaart- schipper, die min of meer met ruzie vertrokken was omdat hij deze zomer niet wilde helpen op het schip en gewoon vakantie wilde.
Zijn spullen zaten in een keurige koffer achter op zijn bagagedrager en een tent had hij niet.
En zo sliepen we de rest van de fietsvakantie met z’n drieën in een tweepersoonstent, als sardientjes in een blikje.
Om geld te besparen deden we aan “wild kamperen” of we sliepen bij een boer in de hooiberg.
Af en toe overnachtten we op een camping om ons te douchen en om de kleren eens te wassen.
Ons driemansschap, door toeval bij elkaar gekomen en door omstandigheden tot elkaar veroordeeld, begon langzaam maar zeker toch een eenheid te vormen.
Cor, de praktisch aangelegde lomperik, bestierde ons huishouden, Wim, de “laat maar waaien” grappenmaker, zorgde voor de gezelligheid en ik, de smeerolie tussen die twee, verleende hand- en spandiensten.
We hadden het gevoel toch wel een bijzondere vakantie mee te maken.
Het begon pas fout te gaan na ons driedaags verblijf in het vakantiehuisje van mijn ouders.
We hadden alledrie zin om weer naar huis te gaan maar op de fiets gaat dat niet zo snel.
Om niet dezelfde weg terug naar huis te hoeven nemen fietsten we eerst naar Dieppe, om van daaruit langs de kust naar het noorden te fietsen.
Tot Dieppe ging het nog redelijk maar daarna begonnen de onderlinge irritaties toe te nemen.
Tijdens het fietsen werd niet veel meer gezegd.
Cor bereidde in zichzelf mopperend de maaltijd, die vervolgens zwijgend genuttigd werd en ik waste de pannetjes af, onderwijl in stilte alles en iedereen verwensend.
De bom barstte toen Cor niet ver van de tent achter een struik zijn behoefte had gedaan en de wind onze kant op stond.
Wim vroeg zich af of Cor soms stront in zijn hersens had om uitgerekend dáár te poepen zodat we nu de hele nacht in zijn stank zouden zitten.
Cor brulde als antwoord dat Wim ook ergens anders dan in zíjn tent kon gaan slapen als het hem niet beviel.
Even dreigden ze met elkaar op de vuist te gaan en het kostte me de nodige moeite- geheel uit eigenbelang natuurlijk- om dat te voorkomen.
Die nacht en de volgende dag werd er geen woord meer gewisseld terwijl de regen tijdens het fietsen met bakken tegelijk naar beneden kletterde en het steeds harder begon te waaien.
Toen het tijd werd om ergens in dit kale, verwaaide en natgeregende landschap ons tentje op te zetten, moesten we wachten totdat het even droog was – of in ieder geval bijna droog-  omdat anders de tent zou gaan lekken.
En daar stonden we dan: druipend van de regen, ver van huis, moedeloos kijkend naar de invallende duisternis.
Ik voelde me doodongelukkig en vroeg me af hoe we de nacht zouden doorbrengen als het bleef regenen en of ik überhaupt nog ooit thuis zou komen.
Cor snoot luidruchtig zijn grote neus in een rode zakdoek
“Zo te horen gaat het nog onweren ook,” mopperde Wim en liet een knetterende scheet.
We keken elkaar gelijktijdig aan en schoten in de lach.
De ban was gebroken.
Praten was weer mogelijk.
Niet dat het direct gezellig werd maar door de opluchting hierover was de sfeer aanmerkelijk verbeterd.
We voelden ons verbonden in de narigheid.
Net toen het echt donker begon te worden stopte het even met regenen.
“Dit is onze kans!” riep Cor en haalde zo snel hij kon de tent uit de tentzak.
Ik begon vlug de tentstokken in elkaar te zetten en Wim sorteerde reeds de haringen en de lijnen.
Het viel niet mee om het geval overeind te krijgen in de stormachtige wind maar alles ging razendsnel door onze goede samenwerking.
Het begon alweer te regenen toen we onze tassen en de koffer van de fietsen haalden en in de tent zetten.
De slaapzakken waren nog droog en werden op de gebruikelijke manier uitgerold.
Die van mij in het midden met de “instap” bij de tentopening en die van Cor en Wim ernaast met de instap aan de andere kant.
We trokken onze natte troep uit en iets droogs aan.
“Ik heb honger,” zei Cor en begon allerlei etenswaren uit te stallen.
“En ik dorst,” zei Wim en haalde de fles wijn die hij voor thuis gekocht had, tevoorschijn.
Voor alle zekerheid zette ik die van mij ernaast.
De lantaarn van Cor verspreidde een gezellig licht en we voelden ons de koning te rijk, terwijl  storm en regen onze benauwde veste belaagden.
We lieten ons het eten en drinken goed smaken en waren weer vol goede moed.
En zo beleefden we in dit kleine tentje, midden in het kale, verwaaide en natgeregende landschap het gezelligste moment van de hele vakantie.
We dachten wel dat we de keren dat we elkaar na de fietsvakantie zouden ontmoeten, het juist daarover zouden hebben.

Die ene keer dat we elkaar later nog eens gezien hebben, was dit inderdaad het geval.

Reacties mogelijk in het gastenboek.