Tijl en de geleerde ezel

 

 

VERTELLER: In de nu volgende scène ontmoet Tijl een leuk meisje, Nele genaamd.
In het verhaal van Charles de Koster komt zij in het begin al voor en is het zijn vaste vriendin.
De moeder van Nele is overigens gek geworden na de uitgebreid beschreven martelingen die zij moest ondergaan.
Bij ons is daar natuurlijk geen sprake van. Stel je voor!

 

 

Tijl, de waard en de professor (met zijn neus in de boeken) zitten aan tafel.

 

WAARD: Wat kijk je somber, Tijl. Is er iets?
TIJL: Ach, ik weet het niet…
WAARD: Wat weet je niet?
TIJL: Wist ik het maar.
PROFESSOR: Heren, als jullie geen gesprek op niveau kunnen houden, doe het dan niet.
TIJL: (fluisterend) Wie is dat?
WAARD: Dat is de professor. Die komt elk jaar een paar maanden college geven aan de universiteit. Hij is zeer geleerd.
PROFESSOR: Zelfs jullie gefluister stoort me! Ik ga wel verderop zitten.
TIJL: Hij is niet alleen geleerd maar nog slim ook! Als je wilt studeren moet je  niet in een herberg aan één tafel met klanten gaan zitten. Dat heeft hij toch maar goed door. Briljant!
WAARD: Heb je het niet meer naar je zin in onze stad?
TIJL: Ach, weet je, ik wilde hier een nieuwe start maken, een nieuw leven opbouwen. Maar in deze stad is iedereen net zo dom, vervelend of opschepperig als bij ons in Damme. Nou kan ik natuurlijk wel weer naar een andere stad gaan maar daar zal ik wéér  hetzelfde tegenkomen. Bovendien begin ik een beetje heimwee te krijgen. Ik zou er bijvoorbeeld veel voor over hebben als mijn moeder plotseling zou binnenstappen.
WAARD: Tja, dat gebeurt alleen in boeken of toneelstukken.

 

Dan stapt volkomen onverwacht de moeder van Tijl binnen, samen met een meisje.

 

TIJL: Nou, dan is dit zeker een boek of een toneelstuk! Moeder!!

 

Tijl springt op en omhelst zijn moeder.

 

TIJL: Wat ben ik blij om u te zien! (ziet dan het meisje dat hem lief aankijkt)  O, eh… hallo.
NELE: Hallo. (lacht)
MOEDER: Dit is Nele. Dat is een dochter van een vriendin van mij. Ze heeft vroeger als klein meisje wel eens bij ons gelogeerd. Misschien ken je haar nog wel. Ze is natuurlijk wel erg veranderd want ze is natuurlijk ouder geworden. Vroeger hebben jullie nog samen in de zandbak gespeeld en… Tijl! Luister je nog wel? Tijl en Nele kijken elkaar doordringend aan)
Tijl! (wappert met haar hand voor zijn ogen)
NELE: Je moeder zegt iets tegen je, Tijl.
TIJL: Ja, nee, natuurlijk. Dat vind ik ook hoor. Ahum, wat komen jullie eigenlijk hier doen?
MOEDER: Nele komt bij ons in Damme werken. Ze heeft daar een goede betrekking gevonden. Ze komt voorlopig bij mij in huis wonen tot ze iets voor zichzelf gevonden heeft.
NELE: Je moeder kwam mij ophalen en ze vertelde mij dat je tegenwoordig hier woont. En omdat we toch in de buurt waren, besloten we even langs te gaan.
TIJL: Wat een goed idee zeg! En weet je wat nou zo toevallig is? Dat ik net van plan was om terug naar Damme te gaan.
NELE: Leuk! Dan kan je met ons mee reizen. Gezellig!
PROFESSOR: Willen jullie nou eindelijk eens ophouden met die stompzinnige gesprekken! Ik kan me niet concentreren.
TIJL: En wat is er dan zo belangrijk dat wij stil moeten zijn?
PROFESSOR: Ik bestudeer de Nederlandse taal en onderwijs dat aan mijn studenten aan de universiteit.
TIJL: Nederlands? Dat spreekt toch iedereen. Niets aan!
PROFESSOR: Maar om dat goed aan de studenten over te brengen is moeilijk en vereist een doortimmerde pedagogiek.
TIJL: Niets aan! Ik kan zelfs een ezel het alfabet leren.
PROFESSOR: Een ezel?
TIJL: Ja, een ezel. Geef me een week de tijd en ik wed om duizend florijnen dat ik die ezel een deel van het alfabet geleerd heb. Voor het hele alfabet heb ik méér tijd nodig.
BURGEMEESTER: Ik heb wel een ezel voor je te leen. Dat wil ik wel eens zien. Deze keer overschat je jezelf, m’n beste Tijl!
BANKDIRECTEUR: En ik heb duizend florijnen voor je als het je lukt. Maar denk erom: als het je niet lukt, krijg ik duizend florijnen van jóu.
NELE: Doe het niet, Tijl. Je kunt een ezel toch geen letters leren.
MOEDER: Tijl, wees verstandig!
TIJL: Geef me die ezel maar te leen. Dan zal ik hem binnen een week een deel van het alfabet leren. Over precies een week om dezelfde tijd zal ik hier zijn om dat te bewijzen. Kom mee, moeder en Nele. Dan zal ik jullie gezellig de stad eens laten zien.

 

 

Ze gaan af, gevolgd door de anderen.

 

 

Een week later. Tijl zit klaar met een ezel, moeder en Nele. Alle inwoners van de stad druppelen binnen.

 

 

TIJL: Geachte aanwezigen! Iedereen van harte welkom! Zoals jullie weten heb ik deze ezel een deel van het alfabet geleerd. Omdat een week natuurlijk erg kort is, heb ik gekozen voor twee letters. De professor heeft een hele ingewikkelde studie achter de rug om met zijn studenten te kunnen werken. Ik heb met mijn student genoeg aan suikerklontjes. Let op!

(wijst op een dik boek waar de letters  I  en A  op staan)

EZEL: (balkt) i-a!
TIJL: Ziet u wel? Niets aan!

 

 

Het publiek lacht, behalve de professor en de bankdirecteur.

 

 

BANKDIRECTEUR: Iedereen kan een ezel i-a laten zeggen. Daar geef ik geen duizend florijnen voor!
TIJL: O ja? Probeer het dan eens.
BANKDIRECTEUR: Zeg i-a stomme ezel! (ezel doet niets) I-a! I-a! Kom op: zeg i-a!
TIJL: U moet dat niet zeggen, maar de ezel! Let op! (geeft de ezel suikerklontjes)
EZEL: I-a!
TIJL: Ziet u wel? Hiermee is het bewijs geleverd. Dat kost u duizend florijnen, directeur. En van die duizend florijnen bied ik iedereen een gratis drankje aan, waarmee ik mijn afscheid van deze stad aankondig. Ik ga met mijn moeder en mijn vriendin Nele terug naar Damme.

 

 

Alle aanwezigen, behalve de bankdirecteur, juichen en applaudisseren.

 

 

De verteller komt op en sluit af.

 

 

VERTELLER: En hiermee is ons toneelstuk afgelopen. Misschien is het leuk om nog iets over de begrafenis van Tijl te vertellen. Hij bakt dan zijn laatste poets. In zijn testament maakt hij een deel van zijn bezit over aan zijn vrienden, een deel aan de raadsheren van de stad en een deel aan de pastoor. Alles had hij in een kist gestopt, die pas na zijn begrafenis opengemaakt mocht worden. Toen na de begrafenis eindelijk de kist opengemaakt werd, bleken er alleen maar stenen in te zitten. Alle erfgenamen verdachten elkaar ervan dat zij de oorspronkelijke rijkdommen eruit gehaald hadden en de stenen daarvoor in de plaats hadden gestopt. Ze kregen een hevige ruzie die duurde tot het aanbreken van de nieuwe dag. En zo had Tijl, de minst dwaze van allemaal, zelfs na zijn dood de mensen nog voor de gek gehouden…

En dan is nu de tijd gekomen om weer over te gaan tot de dwaasheid van alle dag.

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.