Ik wandel door het winkelcentrum en vraag me tijdens een sombere bui af hoe het toch komt dat het lijkt alsof sommige mensen alleen maar aan zichzelf kunnen denken.
Hoewel een mager lentezonnetje zich voorzichtig laat zien, is het niet echt lekker weer  en daarom heb ik mijn zwarte jasje met de koperen knopen maar weer eens aangetrokken.
Er steekt nu ook nog een kil windje op en ik besluit om ook de bovenste knoop te gebruiken waardoor mijn jas nu tot mijn baard gesloten is.
Een eindje verderop naderen drie jonge gasten met een gemiddelde lengte van zo’n één meter vijfennegentig.
Zij nemen bezit van de gehele breedte van de stoep en tegemoetkomende voetgangers wijken uit naar de zijkant ervan om niet door deze jonge goden omver gelopen te worden.
Als laatste zie ik een moeder met een kinderwagen een winkelportiek induiken en nu zal ik dan aan de beurt zijn.
Mijn slechte humeur slaat moeiteloos om in boosheid en ik loop, mezelf zo breed mogelijk makend, recht op de middelste muiter af terwijl ik hem vuil aankijk.
Het drietal houdt de pas iets in terwijl ik juist stug doorloop.
Op het laatste ogenblik gaan ze toch iets opzij zodat ik door de zo ontstane opening passeren kan.
Blijkbaar zit het de heren niet lekker want ik hoor een van hen als verontschuldigende verklaring zeggen: “Da’s  een zeeman. Makkelijk zat!”

Reacties mogelijk in het gastenboek.