VERTELLER:  Zo, daar ben ik al weer. Terwijl de acteurs bezig zijn zich op te stellen voor scène 2, kan ik u mooi iets vertellen over de vader van Tijl, die overigens Klaas heet. Er wordt in het stuk wel verteld dát hij overleden is maar niet hóe. Hij is in de serieuze versie op de brandstapel gestorven wegens ketterij. De toenmalige koning van Spanje, Philips II, die ook over de Nederlanden regeerde, strafte op deze manier de hervormden, die tegen de misstanden in de katholieke kerk waren. Als zijn vader verbrand is, schraapt Tijl wat as van het verkoolde lijk en doet dit in een zijden zakje dat hij op zijn borst zal dragen. Elke keer als er hem iets ergs gebeurt, voelt Tijl de as van zijn vader op zijn borst kloppen. Tijl en zijn moeder zijn overigens ook gemarteld maar niet veroordeeld. Nou ja, laten we maar weer verder gaan met de gezelligheid.

 

 

 

SCÈNE  2

 

 

Een graaf en een gravin houden een picknick, een soldaat bewaakt en een lakei zet thee.

 

 

GRAAF:  Wat is het hier toch heerlijk, lieve.

GRAVIN:  Nou, zalig hoor. Die rust en die stilte, die prachtige natuur.

GRAAF:  Het is maar goed dat ik overal borden heb laten neerzetten dat er op mijn grafelijk domein geen gewoon volk mag komen. Vóór je het weet heb je het gewone plebs over de vloer.

GRAVIN:  Zo is dat. En wij willen alleen maar mensen van onze eigen stand, nietwaar. James, schenk jij nog eens een kopje thee in.

JAMES:  Tot uw dienst mevrouw.

GRAAF:  Weet je overigens al wat je voor je verjaardag wilt hebben?

GRAVIN:  Een wolkje melk graag.

GRAAF:  Een wolkje melk?
GRAVIN:  In de thee, bedoel ik. Ik zei dat tegen James.

GRAAF:  Hè, waar bemoeit hij zich mee als wij aan het praten zijn!

GRAVIN:  En weet jij al wat je voor jouw verjaardag wilt hebben? Tenslotte zijn we bijna op dezelfde dag jarig.

GRAAF:  Eén schepje suiker graag.

GRAVIN:  Eén schepje suiker?

GRAAF:  In de thee, bedoel ik. Ik zei het tegen James. Zeg James, kan je nou niet één moment je stil houden als wij aan het praten zijn!

JAMES:  Tot uw dienst mijnheer.

SOLDAAT:  Halt!

GRAAF:  En tegen wie denk jij wel dat je het hebt, brutale vlerk!

SOLDAAT:  Eh, tegen hém daar mijnheer de graaf.

 

Iemand heeft zich bij het gezelschap gevoegd.

 

GRAAF:  O, welnu, vraag dat schorem wat het op mijn grafelijk domein komt doen.

SOLDAAT:  Wat kom jij hier doen, schorem?

TIJL:  Ik ben kunstenaar en kom u mijn diensten aanbieden.

SOLDAAT:  Hij is kunstenaar en hij komt…

GRAAF:  Ja, hoor eens, ik ben niet doof. Vraag hem wat hij allemaal te bieden heeft.

SOLDAAT:  Wat heb jij…

TIJL:  Ik heb het al gehoord, soldaat. Stop maar. Ik ben toverschilder. Ik schilder portretten die van een betoverende schoonheid zijn. Maar het meest bijzondere daarvan is toch wel dat alleen intelligente mensen ze kunnen zien. Als u bezoek heeft en u laat uw portretten zien, dan weet u meteen of iemand intelligent is of niet. Dat is heel handig om te weten.

GRAAF:  Misschien is dat wel een leuk cadeau voor je verjaardag: een portret van mij.

GRAVIN:  Ja en dan geef ik een portret van mij aan jou!

GRAAF:  Hoeveel moet dat kosten, kunstenaar?

TIJL:  Honderd florijnen per portret, hoogheid.

GRAAF:  Dat is niet goedkoop.

TIJL:  Maar het zijn dan ook geen gewone portretten, nietwaar,  majesteit.

GRAAF:  Dat is zo. Wanneer kun je beginnen?

TIJL:  Wat mij betreft vanmiddag al, uw edele.

GRAAF:  In orde. De kunst kan niet wachten.

 

 

Allen gaan af. James en de kok zijn in de keuken.

 

 

JAMES:  Die kunstenaar vraagt of er nog wat te eten is.

KOK:  Nóg meer? Die hansworst zegt dan wel dat hij bijzondere schilderijen maakt maar voorlopig valt me alleen zijn bijzondere eetlust op. Hij is hier nu één week maar hij heeft de voedselvoorraad van de hele maand er al doorheen gejaagd. En wat hij schildert? Ik weet het niet. Ik zie niets.

JAMES:  Dat komt omdat alleen intelligente mensen zijn kunst kunnen zien en begrijpen.

KOK:  O, zie jij dan wat?
JAMES:  Om eerlijk te zijn: ik meen wel iets te kunnen onderscheiden maar écht goed kan ik het toch ook niet zien.

KOK:  Nee dus! Nou, ik zie helemaal niets. Dan ben ik maar dom. Neem dit maar mee voor onze kunstenaar. Dan is alles op ook.

 

Beiden gaan af. De gravin is bezig met een vaasje bloemen, de graaf komt binnen.

 

GRAAF:  Dag lieve. Ben je nog een beetje blij met je aanstaande cadeautje?

GRAVIN:  Nou, het wordt echt prachtig! Die kleuren! En het lijkt ook zo goed! En jij? Ben jij nog een beetje tevreden?

GRAAF:  O, ja hoor! Je ziet er betoverend mooi uit op het doek! Het wordt echt een heel bijzonder kunstwerk.

TIJL:  Ha, hier bent u dus! De portretten zijn af. Hoe vindt u ze ?

GRAAF: Prachtig!
GRAVIN: Heel bijzonder!

GRAAF: Indrukwekkend.

GRAVIN: En ook heel verrassend, moet ik zeggen.

TIJL: Dan zou ik nu graag mijn loon willen hebben want het eten is op. Eh, ik bedoel, ik moet dringend verder want de keizer van Heemstede is zo vriendelijk geweest om mij een opdracht voor een schilderij te verlenen.

GRAAF: Juist ja. Welnu, hier heeft u uw tweehonderd florijnen.

GRAVIN: James, laat jij onze gast even uit.

JAMES: Heel graag, mevrouw.

 

Tijl gaat af, een kind komt binnen rennen.

 

KIND: Papa! Mama! Mag ik…(ziet de twee lege doeken) Hé, die kunstenaar is ook niet opgeschoten.

GRAVIN: Wat bedoel je, kleintje?

KIND: Nou, er staat niets op.

GRAVIN: Wat ben jij dom zeg! Daar staan je vader en moeder opgeschilderd.

KIND: O en waar staat ú dan?

GRAVIN: Dat zie je toch zo. Dít ben ik.

GRAAF: Nee lieve. Nu vergis je je. Dit ben ík.

GRAVIN: Nee, de kunstenaar heeft duidelijk gezegd dat ik dat was. Ik zie dat aan die lijst. Eh, ik bedoel…

KIND: Volgens mij ziet u geen van beiden iets.

GRAAF: Wat hebben wij toch een dom kind! Dat valt me erg tegen, hoor!

GRAVIN: Nou ja, zij is anders wel de beste van haar klas.

GRAAF: Dat zegt dan ook iets over het niveau van die klas. Misschien moeten we maar een andere school voor haar zoeken.

GRAVIN: Ja, of…of zou…wees eens eerlijk: zie jij écht iets?

GRAAF: Hm, zie jij iets?

GRAVIN: Ach, dat wil zeggen…

KIND: Geef nou maar toe: jullie zien óók niets. Jullie hebben je gewoon beet laten nemen. Dát is pas dom!

GRAAF: Als ik die schijnheilige leugenaar ooit in mijn handen krijg!

GRAVIN: Doe nou geen domme dingen waar je later spijt van krijgt.

 

De graaf en de gravin gaan af.

KIND: Volgens mij heeft hij al spijt. Kom, ik ga maar eens een mooie tekening maken.

 

Kind gaat huppelend af.   

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.