De volgende dag was eigenlijk al weer snel voorbijgegaan.
Een legertje politiemensen had zich vroeg in de ochtend in het plaatselijke schooltje genesteld, dat wegens de vakantie toch niet gebruikt werd en was begonnen zoveel mogelijk getuigenissen af te nemen van de mensen die iets over de zaak wisten te vertellen.
Dat bleek dus zo ongeveer iedereen in het dorp te zijn.
Ook Maaike, Johan en Barend waren uitgebreid gehoord en ook hadden ze opnieuw de plaatsen bezocht waar zich een en ander afgespeeld had en werd alles zoveel mogelijk gereconstrueerd.
De gebeurtenissen van de afgelopen periode waren letterlijk het gesprek van de dag en de pub zat ’s avonds dan ook afgeladen vol met mensen die een uitweg zochten voor hun gevoelens van onrust.
Maaike, Johan en Barend hadden van de recherche het dringende verzoek, zeg maar gerust bevel, gekregen om voorlopig in het dorp te blijven voor nader onderzoek.
Het viel hen niet moeilijk om aan dit verzoek te voldoen, daar de garagehouder het door de gebeurtenissen niet op had kunnen brengen om de auto te repareren.
“Morgen is er weer een dag,” had hij gezegd. “En overmorgen ook trouwens.”
“Als hij morgen nog niets gedaan heeft, dan repareer ik die auto zelf wel,” gromde Barend en nam een flinke slok van zijn guinness.
“Toch ben ik nu wel heel erg benieuwd hoe het zit met die geest van Sean Bourke,” vond Johan.
“Tja,” zuchtte Maaike. “Hoe langer ik nadenk over wat ik gisteren heb meegemaakt, hoe vreemder ik alles vind. Er zijn gewoon dingen gebeurd die niet kunnen.”
“Je bedoelt die geheimzinnige figuur met zijn stormlantaarn en die muziek,” zei Johan.
“Ja, en ook die plotselinge vuurgloed vannacht. Trouwens, jouw gevecht met die gemaskerde kerel die spoorloos is verdwenen, is natuurlijk ook raar.”
“De hele omgeving is afgezocht maar ze hebben niets kunnen vinden.”
Je zou dus zeggen dat de ‘geest’ zich in het dorp moet schuilhouden.”
“Ja, en dan hebben we natuurlijk ook nog die weduwe. Waar is die gebleven?”
“Misschien ondergedoken bij iemand in het dorp.”
“Je zou toch zeggen dat ze ontdekt gaat worden, met al die politiemensen die nu in het dorp zijn.”
“Bij ons in de bed and breakfast overnachten er ook twee. Wist je dat?” vroeg Maaike.
“Ik heb het gehoord. En jij slaapt nog steeds op zolder hier, Barend?”
“Ja, en in plaats van de directeur krijg ik nou iemand van de politie als kamergenoot. Of misschien wel meer dan één,” zei Barend berustend.
“Waar slaapt de directeur dan?”
“In zijn eigen huis, met de nodige politiemensen erbij.”
“Heb je hem eigenlijk nog gesproken gisternacht toen je thuiskwam?” vroeg Maaike.
“Nou, niet echt. Hij was doodnerveus. Dat kon je wel merken. Maar ik had geen zin meer in een gesprek en ben gaan slapen.”
“En heb je die Kelly met zijn geweer nog gezien?”
“Ja, die malloot hield zo’n beetje de wacht, geloof ik. Nou ja, dat gaf een veilig gevoel, zullen we maar zeggen. Willen jullie nog wat drinken?”
Barend knikte met zijn hoofd naar de lege glazen.
“Nou, eentje nog,” zei Maaike niet erg enthousiast. “En dan wil ik eigenlijk even een luchtje gaan scheppen. Ik krijg het hier knap benauwd met al die rokers.”
Barend klemde zijn pijp tussen de tanden, pakte de glazen van tafel en verdween, kleine rookwolkjes producerend, naar de tap om een en ander te bestellen.
“Zou je dat nu wel doen?” vroeg Johan aan Maaike.
“Wat?”
“Een luchtje scheppen.”
“Waarom niet?”
“Na alles wat er gebeurd is, vraag ik me af of dat nog wel veilig is.”
“Ach, er is nu overal politie. Bovendien hebben wij er eigenlijk niets mee te maken.”
“Nee, maar we zijn er wel degelijk bij betrokken,” opperde Johan.
“Ik blijf hier in het dorp dus dat lijkt me niet meer zo gevaarlijk. En anders ga je even gezellig met me mee,” stelde Maaike overdreven vrolijk voor.
“Ach, je hebt wel gelijk wat dat gevaar betreft, denk ik,” zei Johan en pakte een vol glas bier aan dat Barend hem aanreikte.
“Ik hoorde daarnet bij de bar dat een paar mensen die vanochtend naar de stad gegaan waren, nog steeds niet terug zijn,” bromde Barend en liet zich voorzichtig op een stoel zakken. “Familieleden maken zich ongerust en de politie wil er werk van maken.”
“Die geest van Sean Bourke heeft natuurlijk inderdaad op dat papiertje geschreven dat niemand het dorp zal verlaten voordat de schuldigen gestraft zullen zijn,” sprak Johan veelbetekenend.
Hij wou nog iets zeggen maar werd onderbroken door een aangeschoten Kelly, die zich ongevraagd en ongewenst bij hen aan tafel meldde.
“Hallo vreemdelingen! Niet verder vertellen hoor, maar ik denk dat ik iets op het spoor ben.”
Hij wou nog iets zeggen maar werd meegetrokken door een kameraad.
“Kom Luke. We gaan.”
Johan keek Maaike en Barend aan.
“Wat zou hij op het spoor zijn? Een nieuwe voorraad drank soms?”
Maaike haalde haar schouders op.
“Iedereen begint zich steeds vreemder te gedragen. Het benauwt me hier. Ik ga nu echt even een luchtje scheppen.”
“Wacht, ik ga met je mee,” zei Johan en nam, vóór hij opstond, vlug nog even een slok van zijn bier.
“Doe geen domme dingen!” riep Barend hen na en vulde vervolgens hoofdschuddend zijn inmiddels al weer lege glas met de inhoud van de twee achtergebleven glazen.
Het was buiten winderig weer maar de storm was gaan liggen.
Maaike haalde diep adem en keek opgelucht om zich heen. “Fijn dat ik er even uit ben.”
“Waar wou je naar toe gaan?” vroeg Johan.
“Zullen we even tot het einde van het dorp wandelen en dan naar onze bed and breakfast gaan?”
“Goed,” zei Johan en sloeg een arm om Maaike heen.
Langzaam wandelden ze door de verlaten hoofdstraat.
Bij het huis van de directeur brandde overal licht en de buitendeur zwaaide open.
“Laten jullie me nu alleen? Mooie boel is dat!” mopperde een nerveuze directeur.
“Onze collega blijft bij u. Wij moeten dringend weg maar komen zo gauw mogelijk weer terug.”
De rechercheurs verlieten haastig het pand en passeerden Maaike en Johan met een korte groet.
“Hebben jullie trek in een borrel?” vroeg de directeur hoopvol.
Maaike en Johan keken elkaar aan.
“We wilden eigenlijk naar onze bed and breakfast gaan,” zei Maaike.
“Jullie zouden me er een geweldig plezier mee doen,” smeekte de directeur bijna. “Ik heb een enorme behoefte aan gezelschap. Al blijven jullie maar totdat die twee rechercheurs terug zijn.”
“Waarom zijn die twee er eigenlijk vandoor gegaan?” vroeg Johan.
“Ik weet het niet. Ze werden opgebeld maar wilden niets zeggen.”
De achtergebleven rechercheur verscheen nu ook buiten.
“Het is veiliger als u binnenkomt.”
De directeur pakte een arm van Johan en begon daar zachtjes aan te trekken.
“Ach, één borreltje kan toch geen kwaad,” probeerde hij weer.
Johan liet zich meevoeren en Maaike volgde met tegenzin.
Binnengekomen, vulde de directeur met scheutige hand de whiskeyglazen.
“Ik ben zo blij dat jullie even binnen wilden komen. Ik ga nog een keer kapot aan die spanning.”
“Maar weet u dan zeker dat die geest echt u moet hebben?” vroeg Johan en nipte van zijn whiskey.
“Je hebt toch gehoord wat er op dat briefje geschreven stond: niemand zal het dorp verlaten voordat de schuldigen gestraft zijn…”
“Maar bent u schuldig dan?” vroeg Maaike.
De directeur leek even na te denken.
“Nee natuurlijk! Maar weet die geest dat ook, dat is de vraag.”
“Voor u is dat blijkbaar niet echt een vraag meer want u knijpt hem als een dooie dief.”
Maaike wou nog wat zeggen maar werd onderbroken door de rechercheur die onverwacht naar het raam rende en schreeuwde dat ze naar boven moesten gaan.
“Naar boven? Waarom?” vroeg Maaike.
“Misschien is het loos alarm maar ik meende iemand achter het raam te zien. Snel!”
De rechercheur trok zijn pistool en de directeur begon te jammeren.
Johan pakte hem bij een arm en sleurde hem mee naar de trap.
Maaike duwde tegen zijn rug en zo kwamen ze een etage hoger.
“Wat een toestand! Wat een toestand!” huilde de directeur, volkomen in paniek.
“Hou daar nou eens mee op, met dat gejammer!” gromde Johan. “Daar word ik nou nerveus van!”
Het bleek te helpen.
De directeur snakte naar adem maar viel wel stil.
“Blijf boven!” schreeuwde de rechercheur van beneden. “Er sluipt iemand rond het huis. Ik hou het hier beneden in de gaten. Letten jullie op of er boven niemand door een raam naar binnen klimt.”
Johan zag hoe de rechercheur zich achter een kast verschanste en zo de buitendeur en een groot deel van de benedenverdieping in de gaten kon houden.
“We moeten ons over de kamers verdelen,” zei Johan gejaagd. “Zo gauw iemand iets ziet, moet hij dit melden aan de anderen.”
Ze probeerden zich zo strategisch mogelijk op te stellen en wachtten gespannen af.
Behalve de wind om het huis en wat onduidelijke geluiden, was er niet veel te horen.
Zo gingen een aantal minuten tergend langzaam voorbij.
Plotseling werd de angstaanjagende stilte verscheurd door een gil van Maaike.
“Aah! Er is iets achter het raam zonder gezicht!”
Maaike rende naar Johan die al naar haar toesnelde.
“Geen oren! Geen neus! Alleen… die ogen!”
Johan wou nog wat vragen maar het geluid van brekend glas weerhield hem daarvan.
“Hij komt binnen!” gilde Maaike.
De directeur begon weer te jammeren.
“Mee naar beneden!” schreeuwde Johan en het drietal denderde de trap af terwijl de rechercheur met getrokken pistool naar boven rende.
Terwijl Johan de buitendeur opengooide, klonk boven een schot en de voortvluchtigen zagen hoe de rechercheur langzaam in elkaar zakte.
“Niet de straat in!” schreeuwde Johan. “Daar zijn we een te gemakkelijk doelwit! Naar de struiken aan de overkant!”
Rennend voor hun leven bereikten ze de relatieve veiligheid van de struiken en het woeste landschap daarachter, terwijl een duivels silhouet in de deuropening schichtig om zich heen keek.
Twee priemende ogen in een verder vormeloos gezicht keken onheilspellend naar de struiken waarachter de voortvluchtigen verdwenen waren.

De pub was inmiddels leeggestroomd na allerlei berichten die de cliëntèle bereikt hadden.
Eerst waren het alleen Kelly en zijn kornuiten geweest die, na later bleek, een bericht ontvangen hadden van de geest van Sean Bourke om zich te melden bij het verlaten huis waar de gehangene door Maaike was gevonden.
Daarna was een van de verdwenen reizigers van de ochtend binnengestrompeld, die vertelde ontsnapt te zijn uit een grot 10 mijl daarvandaan, waar zij door de geest van Sean Bourke vast werden gehouden.
En tenslotte kwam er nog een bericht binnen dat de weduwe Bourke bij de verlaten vuurtoren gesignaleerd was.
De beschikbare rechercheurs hadden ogenblikkelijk om versterking gebeld en deelden zich zo goed en zo kwaad als het ging op, om de verschillende plekken te bezoeken.
De dorpsbewoners in de pub werd gesommeerd om naar huis te gaan en ramen en deuren gesloten te houden.
Barend had geen huis in de onmiddellijke omgeving om ramen en deuren te sluiten en zat aan de bar te praten met de kastelein die werktuigelijk de glazen spoelde.
“Eerlijk gezegd heb ik nooit geloofd in die verhalen over de geest van Sean Bourke,” sprak hij. “Maar ik moet toegeven dat ik daar nu wél in geloof. Ongelooflijk! En jij? Wat vind jij daar nu van?”
Barend tekende met zijn vinger een klavertje in het schuim van zijn guinness en schudde langzaam zijn grote hoofd.
“Het is net wat je zegt: ongelooflijk. Ik kan er niet in geloven dus.”
“Dat kan natuurlijk. Waar zijn je vrienden eigenlijk naar toe?”
“Die wandelen ergens in het dorp of waarschijnlijk zijn ze al in hun bed and breakfast.”
“Gelukkig spelen alle gebeurtenissen zich nu buiten het dorp af, dus zijn ze in ieder geval veilig.”
Barend frummelde met een pijpenkrabber wat in zijn pijp.
“Wat ik raar vind, is dat er geen berichten zijn gekomen over het huis van de directeur. Want als ik het goed begrepen heb, is het onze geest, na de gehangene, toch om hem te doen…”
De kastelein stopte met glazen spoelen.
“Nou je het zegt…En volgens mij zijn er ook rechercheurs uit zijn huis geroepen om mee op pad te gaan…”
Barend stond op en trok zijn jas aan.
“Ik ga toch maar even poolshoogte nemen. Mag ik een sleutel van de pub? Dan kan ik binnenkomen zonder je te hoeven wekken.”
De kastelein haalde een sleutel uit de kassalade en gaf die aan Barend.
“Hier. En wees voorzichtig. God bless you.”
“Bedankt”
Barend opende de deur en keek eens om zich heen.
De wind waaide naargeestig door de verlaten straat.
Eerst maar naar die bed and breakfast, dacht hij en zette er stevig de pas in.
Daar aangekomen, zag hij dat er licht brandde en dat stelde hem toch wel weer gerust.
Hij belde aan en wachtte tot er opengedaan zou worden.
Toen dit na de tweede keer bellen nog niet gebeurde, keek hij eens door het raam naar binnen maar kon geen teken van leven ontdekken.
Vreemd, dacht hij en belde voor de derde keer aan.
Er gebeurde nog niets en Barend nam een besluit.
Hij sloeg het deurraampje in, stak zijn hand naar binnen en opende van binnenuit de deur.
In het kleine halletje wachtte hij een ogenblik af of hij iets hoorde.
Alleen het tikken van een oude klok was hoorbaar en hij liep voorzichtig naar binnen.
Boven kraakte een plank.
“Is daar iemand?” vroeg Barend zonder op een bevestigend antwoord te rekenen.
Behoedzaam besteeg hij daarop de trap.
Er klonk geschuifel en hij hoorde iemand kuchen.
“Wie is daar?” vroeg Barend terwijl hij zijn hart in zijn keel voelde bonken.
“Hm…Ik ben het: James Drew, de buurman,” klonk het zenuwachtig en een gestalte werd bovenaan de trap zichtbaar.
”Doe het licht eens aan daar. Je weet vast wel waar het lichtknopje zit,” zei Barend en hield de gestalte in de schemer goed in de gaten.
De buurman van weduwe Bourke deed wat hem opgedragen was en even later keken ze elkaar aan: James Drew nerveus en Barend wantrouwig.
“Laten we naar de zitkamer gaan,” stelde de eerste voor. “Dan zal ik je alles uitleggen.”
Barend ging de trap weer af, gevolgd door James Drew.
Beneden gekomen, opende Barend de deur van de zitkamer, terwijl hij zag hoe de ander het laatste stuk van de trap in één keer nam en zich naar de halfopenstaande buitendeur spoedde.
Barend reageerde ogenblikkelijk en wist hem nog net op tijd bij de kraag te vatten.
Hij sleurde hem terug het halletje in en drukte hem ruw tegen de muur.
“Dat soort geintjes moet je bij mij niet uithalen, maat. Nog een keer zoiets en ik breek allebei je benen. Begrijp je dat?”
De buurman piepte dat hij dat volledig begreep.
Barend duwde hem de kamer in, smeet hem in een stoel en schoof er een ander pal tegenover, waar hij zelf in ging zitten.
“En nou ga je mij precies vertellen wat je hier in huis deed en alles wat daarmee te maken heeft.”
De man kuchte nerveus.
“Eigenlijk heb ik er niet zoveel mee te maken. Ik ben de buurman en ik heb de dood van Sean, de zoon van de weduwe dus, altijd heel erg voor haar gevonden. Bovendien ben ik het met haar eens dat de directeur schuld aan zijn dood heeft. Sean had ontdekt dat de directeur, samen met McCan, die nu dus opgehangen is, via kortsluiting brand wilde veroorzaken om met het geld van de verzekering zijn fabriek te moderniseren. Sean werkte daar als vakantiekracht en toen ze het plan ten uitvoer brachten, hebben ze er voor gezorgd dat hij mee verbrand werd, zodat hun bedrog niet zou uitkomen.”
“Maar er zal toch wel een politieonderzoek geweest zijn,” veronderstelde Barend.
“Ja, dat onderzoek kwam er inderdaad. Maar het is een zachte dood gestorven. Ze zijn ermee opgehouden wegens gebrek aan bewijs.”
“Goed, maar wat deed jij nu in dit huis?”
“Niets. Eh, ik…een soort nieuwsgierigheid…Ik…eh, wilde eens zien hoe alles eruit zag.”
“Nieuwsgierig naar waardevolle spulletjes zeker! Want je zal als goede buur de sleutel van het huis wel gehad hebben en kon, nu ze er toch niet was, op je gemak eens rondsnuffelen om te zien of er iets van je gading was.”
“Nee, echt niet. Ik…”
“Haal je zakken maar leeg,” viel Barend hem in de rede.
“Wat krijgen we nou!” probeerde de man verontwaardigd te klinken.
“Luister,” sprak Barend dreigend. “Of je haalt vrijwillig alles uit je zakken, of ik pak je bij je benen en schud je leeg!”
De man legde met trillende handen de inhoud van zijn zakken op tafel.
Het bleek een armzalige verzameling sieraden en snuisterijen te zijn.
Barend pakte een oud zakhorloge en keek er eens naar.
“Erg waardevol is het niet maar voor de politie blijft het diefstal, hoor!”
“Nee! Het is geen diefstal! Ik zal uitleggen hoe het gegaan is.”
“Ik luister,” zei Barend en hoorde, met het horloge tegen zijn oor gedrukt, hoe het na een paar draaien aan een koperen knopje, begon te tikken.
“Een paar weken geleden kwam de weduwe bij me met het verhaal dat een paar studievrienden van Sean op ludieke wijze wraak wilden nemen op de schuldigen van zijn dood. Om alles ongezien te kunnen voorbereiden vroeg mijn buurvrouw mijn schuur te leen, die aan de rand van het dorp staat. Als ‘huur’ zou ik deze sieraden krijgen. Ik zag er geen kwaad in en bovendien vond ik het ook onrechtvaardig dat de schuldigen nog steeds vrij rondliepen. In het begin gebeurden er een paar rare gebeurtenissen onder het mom van ‘de geest van Sean Bourke’. Dat was om de mensen aan het denken te zetten. Alleen toen viel de eerste dode en dat heb ik natuurlijk nooit gewild.”
“Waarom heb je dat niet aan de politie verteld?”
“Omdat ze me dan misschien van medeplichtigheid zouden beschuldigen en ik had ook mijn ‘huur’ nog niet. Maar door de laatste gebeurtenissen begon het helemaal uit de hand te lopen, dus ik dacht: ik haal in ieder geval eerst waar ik recht op heb en ga dan naar de politie.”
“De enige politie die nog in het dorp is, bewaakt het huis van de directeur. Dus daar gaan we naar toe. Kom maar mee.”
Barend legde het horloge terug op tafel, stond op en wenkte de buurman hetzelfde te doen.
Deze keek nog even spijtig naar zijn ‘huur’ maar waagde het niet om deze in zijn zak te stoppen.
Bij de directeurswoning troffen ze tot hun schrik een dode rechercheur aan.
Barend haalde diep adem en wist even niet wat te doen.
“Waar staat die schuur van jou?” vroeg hij toen.
“Aan de andere kant van het dorp,” sprak de man met bevende stem.
“Dan gaan we daar als de gesmeerde bliksem naar toe!”
De rust in de lange dorpsstraat, die er eenzaam en verlaten bij lag, werd slechts verstoord door twee mannen, die er als onrustige paarden doorheen draafden.

Reacties mogelijk in het gastenboek.