We noemden hem Pommetje.
Eigenlijk heette hij Pompeter, zoals de kat uit de jeugd van mijn moeder maar dat rolde niet lekker uit onze mond dus het werd al gauw Pommetje.
Pommetje was een reusachtig grote zwarte kater met een relatief kleine kop.
Mijn broertje Marc had hem als piepklein katertje meegekregen in de pet van een tuinder uit het tuindersgebied bij de duinen.
Het was het enig overgebleven exemplaar uit het nest en de tuinder wilde hem verzuipen omdat er geen gegadigde voor hem te vinden was.
En zo werden mijn ouders, die helemaal geen kat wilden, voor het blok gezet.
Marc was zo slim geweest om het beestje mee te nemen zodat mijn ouders konden zien wiens dood ze op hun geweten zouden hebben als hij niet bij ons mocht blijven.
En zo hadden we, naast ons pas geboren broertje Matthijs, er nóg een jonkie bij gekregen.
Erg veel dankbaarheid voor zijn asielverlening toonde hij overigens niet.
Vooral mijn moeder moest het ontgelden.
Als zij bijvoorbeeld een volle etensbak voor hem neerzette, moest ze zorgen haar hand op tijd weg te halen anders kon ze nog een haal op de koop toe krijgen.
Hij gromde en grauwde en keek haar voortdurend gemeen aan tot ze op het laatst oprecht bang voor hem was.
Voor mijn vader toonde hij meer respect.
Als Pommetje ’s avonds laat tegen zijn zin de buitenlucht in moest- katten zijn nachtdieren vond mijn vader- gromde hij wel wat en mijn vader moest hem echt de deur uitduwen maar dat was eigenlijk meer een ceremonieel gebeuren.
Het was duidelijk wie hier de baas was.
Soms was hij ’s avonds nergens te vinden en als ik dan op zolder in mijn bed lag, voelde ik plotseling een paar pootjes over me lopen die in de richting van mijn hoofd gingen.
Daar kroop hij onder de dekens en begon met zijn ruwe tong mijn keel te likken.
Aan de ene kant vond ik dat wel lief maar aan de andere kant hing die ruwe tong me al snel de keel uit.
Wegduwen lukte niet want hij zette zich gewoon met zijn nagels in mijn vel vast.
Dat zich met zijn nagels vastklampen deed hij ook als hij bij je op schoot zat en er niet af wilde als jij dat wél wilde.
Hij was degene die bepaalde hoe lang hij aandacht nodig had.
En wee degene die hem aandacht wilde geven als hij daar geen behoefte aan had.
Eigenlijk was ons kleine broertje Matthijs de enige die alles bij hem kon doen.
Zelfs als hij hem aan zijn staart trok of in zijn oren kneep, gebeurde er niet veel.
Vaak vielen ze samen op elkaar in slaap.
Dat agressieve gedrag naar anderen toe had hij waarschijnlijk van zijn vader, een verwilderde kat uit de duinen.
Binnen wilde Pommetje nog wel eens lief doen maar buiten gold voor hem de wet van de jungle.
Ik heb eens gezien hoe hij gehakt maakte van een grote herdershond die hem wel eens even te grazen zou nemen.
Plukken haar vlogen in het rond en de herdershond rende weg met sporen van bloed over zijn lijf, daarbij kil nagekeken door de zwarte geweldenaar.
In mijn jeugd liepen alle honden gewoon los door de buurt maar ze zorgden er wel voor uit de buurt van Pommetje te blijven.
Katten kregen we al helemaal niet meer te zien als Pommetje over zijn territorium wandelde.
Tijdens de avondmaaltijd kwam hij er gezellig bij zitten want hij wist dat hij, hoewel het ons verboden was, altijd wel stiekem een stukje vlees toegeworpen kreeg.
Hij, van zijn kant, verwende ons regelmatig met een dode muis of vogel op de deurmat.
Op zijn manier nam hij dus deel aan ons gezinsleven, als hem dat uitkwam.
Wij, de kinderen dan, vonden het een leuke kat in tegenstelling tot mijn moeder die een steeds grotere hekel aan het beest begon te krijgen.
Op een dag bleek Pommetje verdwenen.
Een buurvrouw, die van mijn moeders aversie op de hoogte was en haar eigen kat naar het asiel zou brengen, had gevraagd of ze Pommetje ook gelijk maar mee moest nemen.
In een impulsieve bui had mijn moeder daarin toegestemd.
Wij waren natuurlijk woedend over die laffe daad en heel verdrietig.
Mijn moeder probeerde ons nog op te vrolijken door te zeggen dat hij vast snel een nieuw baasje zou vinden op bijvoorbeeld een boerderij waar ze zo’n felle kat wel konden gebruiken in de strijd tegen muizen en ander ongedierte maar daarmee hadden we Pommetje natuurlijk niet terug.
De weken verstreken en al gauw bestond Pommetje alleen nog maar in onze herinnering.
Er waren weer andere zaken die ons kinderleven vulden.
Mijn moeder echter had nog lange tijd spijt van haar impulsieve daad en vertrouwde me jaren later toe dat ze er zelfs heel verdrietig om was geweest.
Ze had aan de hele affaire werkelijk een grote kater overgehouden.

Reacties mogelijk in het gastenboek.