De oude auto stond er verloren bij in de ruige uitgestrektheid van het lege land.
Het vehikel was niet bestand geweest tegen de slechte wegen die zich als een rafelig koord door het kale heuvellandschap slingerden.
De techniek had het afgelegd tegen de natuur.
Twee mensen scharrelden om de auto als nietige insecten die niet wisten hoe ze met hun lading verder moesten.
Een jongeman  boog zich over de motor en rommelde wat aan draadjes en uitsteeksels zonder precies te weten wat te doen.
Zijn vriendin had de moed al opgegeven, was weer in de auto gestapt en bekeek het sombere landschap door een modieuze zonnebril hoewel er geen spoor van zonnestralen te bekennen was.
De jongeman, Johan geheten, kwam onder de geopende motorkap vandaan en keek mistroostig naar de groengolvende einder alsof daar een oplossing te vinden was.
Plotseling gaf hij de auto een trap als om deze te straffen voor zijn onbetrouwbaarheid.
“Autopech!” riep hij boos. ”Nou, dat kan er ook nog wel bij in deze vakantie! Twee weken slecht weer was zeker nog niet genoeg.”
Hij veegde zijn handen af aan een papieren zakdoek en gooide die expres op de grond, in de natuur, medebederver van de vakantiepret.
Tenslotte richtte hij zich tot zijn vriendin Maaike die schijnbaar ook iets op haar kerfstok had.
“Ik hoor het je nog zeggen: laten we eens naar Ierland gaan. Interessant land, oude cultuur, prachtig landschap, pittoreske dorpjes, vriendelijke bevolking…”
Hij sloot de motorkap met een klap die verloren ging in de stilte van de grauwgroene heuvels, opende het portier en ging met een verongelijkt gezicht achter het stuur zitten.
 “…Maar als je een vriendelijke Ier  nodig hebt, is er natuurlijk nergens een te vinden. Hadden we mijn zin maar gedaan. Zaten we nu lekker in Spanje.”
Maaike keek naar Johan en deed langzaam haar zonnebril af zodat haar grote ogen goed uitkwamen.
“Ja, waren we maar naar Spanje gegaan,” smaalde ze. “Dan hadden we nu tenminste autopech in de brandende zon. Want autopech zouden we met dit wrak in ieder geval toch gehad hebben. Je weet dat ik deze geleende auto van het begin af aan niet vertrouwd heb. Ik was liever met je sportwagentje gegaan. Maar dat kon niet want die dikke uit zijn krachten gegroeide oom van je moest zo nodig mee op de terugweg. En die zou er in je sportwagentje niet bijpassen. Dus omdat jouw duistere oom zo nodig illegaal een dure auto en weet ik wat al niet meer, in Ierland wil verkopen en graag een goedkoop ritje terug wil hebben, rijden wij al twee weken rond in zo’n gammele brik!”
 “Nou ja,” opperde Johan vergoelijkend, “Hij zou gelijk een paar moeilijk verkrijgbare onderdelen voor mijn oude MG op de kop tikken.”
“Daar hebben we nou niet veel aan.”
Johan opende het handschoenentasje en haalde daar een kaart van Ierland uit.
“Aan ruziën hebben we ook niet veel. Laten we maar eens kijken of er een dorp met een garage in de buurt is.”
Hij volgde met zijn vinger op de kaart de weg die ze gereden waren.
“Wat een uithoek is het hier. Het dichtstbijzijnde dorp is op dat schiereiland daar. Dat lijkt me zeker wel twee uur lopen.
Ik weet niet of ik daar nu wel zo’n zin in heb.”
Maaike keek hem spottend aan.
“Nou jongen, dan bestel je toch een taxi. Of wacht: neem de bus of de tram. Dat is meteen een stuk goedkoper.”
 “Laten we maar gaan lopen dan,” bromde Johan en stapte uit.
Ze duwden de auto in de berm van de smalle weg en gingen zwijgend op pad.
De stilte was drukkend en Johan zocht naar een opening voor een gesprek.
“Ach, het is eigenlijk best wel lekker om even de benen te strekken.”
Hij legde een arm om haar schouder.
“En je hebt gelijk hoor. Ierland is overweldigend mooi, als je hier zo door dit lege gebied loopt waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan. Je zou echt niet zeggen dat we al bijna aan het eind van een millennium zitten.”
Maaike vlijde haar hoofd even tegen zijn schouder.
“Het is in ieder geval droog,” vervolgde Johan. “En wie weet: misschien valt het allemaal wel mee en zijn we met een uurtje weer terug met een takelwagen.”

 

Het was zeker vier uur later toen ze, krap gezeten in een bestelbusje met een vriendelijke Ier in de stromende regen, terug gingen naar de plek waar ze de auto achtergelaten hadden.
Deze bleek heel wat moeilijker te vinden dan je zou verwachten van een lange weg zonder zijwegen.
“Ik snap er niets van,” zei Johan. “Volgens mij hadden we er allang moeten zijn.”
“Misschien komt het doordat alles er een beetje anders uitziet in de regen,” opperde Maaike.
“Nee hoor, we zijn er al voorbij. Kijk, daar heb je die twee bulten in het landschap waarvan ik zei dat ze me ergens aan deden denken.”
“Ja inderdaad, die leuke opmerking herinner ik me nog. We moeten terug.”
Maaike legde verontschuldigend aan de Ier uit dat ze hun auto per ongeluk voorbij gereden waren.
Deze maakte daar geen punt van en keerde op de smalle weg.
“Zulke dingen kunnen nu eenmaal gebeuren,” zei hij berustend.
Maaike en Johan tuurden ingespannen naar de kant van de weg.
Ze snapten er niets van.
Zo’n auto kon toch niet zomaar verdwijnen?
En toch waren ze er langs gereden zonder hem te zien.
“Is dat hem soms?” vroeg de Ier plotseling en wees met z’n hoofd naar iets roods in de struiken, een paar meter van de weg af.
“Ja,” antwoordde Johan. “Dat moet hem zijn.”
De bestelauto stopte en Maaike en Johan stapten uit, waarna de Ier langzaam achteruit de berm inreed.
Johan liep om de struiken heen en constateerde dat de auto vanaf de andere kant inderdaad niet goed te zien was.
Bleef natuurlijk de vraag over, hoe dat ding daar dan terechtgekomen was.
“Misschien is hij van z’n handrem afgegaan en naar beneden gehobbeld,” veronderstelde Maaike.
“Een auto gaat toch niet zomaar uit zichzelf hobbelen en bovendien: zo stijl is het hier niet. Nee, ik denk eerder dat een groep opgeschoten kinderen dat gedaan heeft of zo. De deur kan niet op slot dus ze kunnen overal bij.”
“Waar haal jij die kinderen zo snel vandaan dan? Me dunkt dat het hier nogal onbewoond is. Bovendien zie ik ook geen sporen van kindervoeten op de grond.”
“De grond is vrij hard en grassig en daarom zie je geen voetafdrukken,” zei Johan, die altijd graag gelijk wilde hebben.
De Ier had intussen de auto met een trekkabel aan zijn eigen auto vastgemaakt en kwam bij Maaike en Johan staan.
Het regende nog steeds pijpenstelen.
“Dit zou het werk kunnen zijn van de geest van Sean Bourke,” sprak hij op samenzweerderige toon en keek peinzend voor zich uit.
“Wie zegt u?” vroeg Johan, die dacht dat de kennis van de Engelse taal hem in de steek liet.
“De geest van Sean Bourke,” herhaalde de Ier en maakte vooralsnog geen aanstalten om de zaak verder uit te leggen.
“Zullen we maar weer in de auto gaan zitten,” stelde Maaike voor. “Ik word zo onderhand drijfnat hier buiten.”
Maaike en Johan zetten al een stap in de richting van het bestelbusje maar de man bleef staan en begon te vertellen.
“Sean Bourke is een paar jaar geleden bij een brand om het leven gekomen. Sindsdien gebeuren er allerlei vreemde dingen bij ons in het dorp. Er zijn steeds meer mensen die denken dat de geest van Sean Bourke daar achter zit. En nu weer deze auto…”
“O, zit dat zo,” zei Johan en trok er een gezicht bij dat er geen misverstand over liet bestaan dat hij van de drie verklaringen voor het raadsel van de van plaats veranderde auto, dit toch wel de meest onwaarschijnlijke vond.

 
Een uurtje later stonden ze in de kleine garage van het dorp.
Het zag er armoedig en rommelig uit.
Overal verspreid lagen of hingen gereedschappen en auto-onderdelen.
De verlichting liet ook te wensen over en de lucht was doordrenkt van een penetrante geur van olie en benzine.
De garagehouder bekeek de defecte motor als een dokter die een patiënt onderzoekt.
Maaike en Johan keken gespannen naar het gezicht van de garagehouder in de hoop dat de bezorgde blik zou plaatsmaken voor een meer ontspannen variant.
Eindelijk kwam de man uit zijn gebogen houding overeind en veegde zijn handen af aan een doek die net zo vies was als zijn handen.
Hij pakte een flesje whiskey tussen de blikken olie vandaan, draaide de dop los, nam een slokje en spoelde dit een paar maal door de mond als om de tong wat losser te maken.
“Het spijt me voor jullie, maar het zal een paar dagen gaan duren. Ik moet morgen eerst onderdelen in de stad halen die ik niet voorradig heb. Eerder kan ik niet aan de slag. Ook een slokje?”
Hij hield Johan de fles voor maar die bedankte.
Hij baalde van deze vakantie.
Wat een ontspannen periode had moeten worden waarin ze weer eens tijd aan elkaar zouden besteden, ontaardde steeds meer in een geforceerd samenzijn.
De bezienswaardigheden konden Johan niet altijd boeien en als ze eindelijk eens in een gezellige pub zaten, hield Maaike het al snel voor gezien omdat ze niet van dat dronkemansgedoe hield.
Het vooruitzicht om een paar dagen in dit afgelegen gat vast te zitten, benauwde hem.
“Is er niet een andere garage die die onderdelen wel heeft?” vroeg hij op goed geluk. “Dan gaan we daar wel heen.”
“Zeker wel. Er is er een, 30 mijl hiervandaan. Maar die zal nu ook wel dicht zijn. Het loopt zo langzamerhand tegen de avond, hè.”
De man keek Johan begripvol aan.
“Ach, en wat is een paar dagen op een heel mensenleven nou, tenslotte. Wij zeggen hier altijd: God schiep de tijd en Hij maakte daar meer dan genoeg van.”
Maaike was intussen naar de deuropening gewandeld en keek naar het dorpje met de smalle straatjes.
Het regende niet meer en de pastelkleurige huisjes stonden er schilderachtig bij in de avondschemering.
Jammer nou dat Johan hier niet echt van kon genieten.
Ze hield echt wel van hem maar vond hem af en toe erg oppervlakkig en niet altijd gezellig.
Ze had wel eens het idee dat hij er liever met een paar vrienden op uit was getrokken dan met haar.
De garagehouder kwam bij haar staan, gevolgd door Johan.
“We wonen hier nu eenmaal in een afgelegen deel van het land. Maar als je deze straat uitloopt, kom je in ieder geval bij een leuke pub. Daar kun je ook wel een slaapplaats regelen.”
Maaike en Johan bedankten de garagehouder en gingen zwijgend op weg.
Het dorp bestond uit niet meer dan een hoofdstraat, waardoor zij nu liepen en hier en daar een zijstraatje dat ook geheel verlaten was.
Toch brandde achter lang niet elk raam van de kleine huisjes licht en Johan vermoedde wel dat menig bewoner in de pub zou zitten.
Wat moet je anders doen als je in zo’n achterlijke vlek op de landkaart woont waar niets te beleven valt, dacht hij.
Nou ja, voor de televisie hangen dan misschien.
Hij gaf de Ieren groot gelijk dat ze dan maar voor de pub kozen.
Een groot grauw uithangbord, dat er in vroeger dagen vast heel kleurig uitgezien moest hebben, gaf aan, dat het gebouw waar ze nu voorstonden, een ‘singing pub’ was.
Om het muzikale ervan nog eens te benadrukken, was er een cartoonachtige muzikant op afgebeeld die een accordeon zo’n beetje in tweeën trok.
Johan keek misprijzend naar het kunstwerk en hoopte dat dit inderdaad het geval zou zijn.
Zijn muziekkeuze was beslist een andere  dan die van de gemiddelde Ierse pubganger.
Hij opende de deur, schoof een kleed opzij, dat daar waarschijnlijk tegen de tocht hing en stond vervolgens in een lawaaierige ruimte die blauw stond van de rook.
Jong en oud zat of stond gezellig te praten en te drinken.
Het meubilair en de overige inboedel verkeerden in zo’n slechte staat dat ze die op een Amsterdamse rommelmarkt niet eens zouden durven aanbieden voor de verkoop.
“Dus dit is die gezellige pub waar die garagehouder het over had,” mopperde Johan.
Maaike keek hem eens aan.
“Het fijne van jou vind ik altijd, dat je bij een beetje tegenslag toch je goede humeur weet te behouden.”
“Goed goed. Ik begrijp de hint. Ik zal proberen te genieten van deze authentieke Ierse ontmoetingsplaats.
Ik zal me dus maar onder het volk begeven om een pilsje te gaan halen.”
Maaike zocht en vond een tafeltje met twee in slechte staat verkerende stoelen, die in ieder geval vrij waren.
Ze ging voorzichtig zitten en keek eens om zich heen.
Links van haar hing een Ier met zijn hoofd op tafel te slapen en rechts zaten twee mannen op brallerige wijze schuine moppen te tappen terwijl hun vrouwen zedig voor zich uit keken.
“Geef me toch maar iets waar geen alcohol inzit,” zei ze tegen Johan, die net terug kwam van de toog en twee pilsjes op tafel zette.
“Vanwege die daar zeker,” zei Johan en knikte met zijn hoofd naar de man die zijn roes uitsliep. “Nou, eerst moeten deze glazen leeg vóór ik nieuwe ga halen.”
Hij ging resoluut zitten.
Iets té resoluut voor de gammele stoel, die zich daarop spontaan van zijn rugleuning ontdeed zodat Johan achterover klapte, met zijn benen de tafel raakte en zodoende de glazen omgooide.
Maaike kon maar net haar lachen inhouden en Johan gaf geen krimp.
Hij krabbelde overeind en begaf zich opnieuw naar de toog.
“Oké Jij je zin. Ze zijn leeg.”
Bij aankomst bleek de eigenaar van het etablissement al twee nieuwe ‘pints’ voor hem in te tappen.
“Hier. Twee nieuwe van het huis. Jij kon tenslotte ook niet weten dat niet alle stoelen hier even stevig zijn. Hoe vind je het overigens in Ierland?”
 “Prachtig, maar wel een beetje regenachtig,” antwoordde Johan enigszins stuurs.
“Tja, wat dit land nodig heeft, is een dak erop. Hoe lang blijf je in ons dorp?”
“Een paar dagen maar, tot onze auto gerepareerd is. Kan ik hier ergens overnachten? O ja, en in plaats van dat bier een cola graag.”
De kastelein schoof een pint opzij en schonk een cola in.
“De enige ‘bed and breakfast’ die we hebben, is die van weduwe Bourke. Ik zal haar adres voor je opschrijven.”
Maaike was blij dat Johan weer bij haar kwam zitten.
Ze voelde zich niet erg op haar gemak.
“Ik heb al een adres gekregen waar we kunnen overnachten. Bij ene weduwe Bourke,” zei Johan.
“Die naam Bourke heb ik al eens eerder gehoord.”
De slaper aan het tafeltje naast hen ontwaakte plotseling, kwam met een schok overeind en schreeuwde luid: ”Sean Bourke!”
Even trok hij de aandacht van de hem omringende mensen maar al vrij snel ging men verder met waarmee men bezig was.
De man keek verward om zich heen en liet tenslotte zijn blik op Maaike en Johan rusten, die hem nog steeds geschrokken aankeken.
“Sorry als ik jullie liet schrikken maar ik droomde net over Sean Bourke. Afschuwelijk! Ik zag het weer helemaal voor me.”
Hij boog zich voorover naar Maaike en Johan.
“Hebben jullie wel eens iemand zien branden? Dus echt iemand in lichterlaaie zien staan?”
“Ik?” vroeg Johan. “Eh, nee.”
De man stond moeizaam op en schommelde naar de  uitgang.
“Ik ga even een luchtje scheppen.”
Johan keek hem na.
“Een luchtje scheppen? Ga liever je roes uitslapen. Nou ja, ik ga even bellen naar het afgesproken adres. Kijken of ome Barend er al is.”
Hij stond zuchtend op en ging weer richting toog.
“Dan zal ik hem zeggen dat hij alvast hierheen moet komen. Anders halen we de boot terug naar Nederland niet eens.”
“En als hij eventueel geen zin heeft om hierheen te komen: niet aandringen hoor. Gaan we lekker met z’n tweetjes naar huis,” riep Maaike hem na.   
Johan was nog niet weg, of iemand anders meldde zich al bij Maaike.
“U bent toch niet al te erg geschrokken, hoop ik,” vroeg een oude man.
“Nee hoor. Wat is dat toch met die Sean Bourke?”
De man ging er eens goed voor zitten, haalde een pijp tevoorschijn en begon die te stoppen.
“Het is al weer een paar jaar geleden dat het gebeurde. Aan de rand van het dorp staat een kleine fabriek. Op een kwade dag brak er brand uit.”
Hij haalde een doosje lucifers voor de dag en stak de brand in zijn nu gestopte pijp.
“Alle werknemers wisten zich te redden, behalve Sean Bourke. Die zat in een nogal geïsoleerd gedeelte van de fabriek en niemand had de moeite genomen om hem te waarschuwen. Alleen die man van daarnet had hem nog even gezien, brandend als een fakkel.”
Johan was inmiddels weer aan tafel gaan zitten en luisterde met een half oor naar het vervolg van het verhaal.
“Maar nu komt het eigenaardige: het lichaam is na de brand nooit gevonden en volgens sommigen waart de geest van Sean Bourke rond om wraak te nemen op diegenen die hem hebben laten branden.”
De man keek eens om zich heen en boog zich voorover naar Maaike en Johan.
“Vooral de laatste tijd gebeuren er dingen die niet te verklaren zijn,” sprak hij op gedempte toon.
Alsof het afgesproken was, werd plotseling het gordijn bij de buitendeur opzij geschoven en de man die net een luchtje was gaan scheppen, kwam hevig bloedend aan het hoofd met een luide gil binnenstormen.
Verdwaasd keek hij om zich heen.
“Sean Bourke! De geest van Sean Bourke!”
Er ontstond een licht tumult in de pub en de mensen verzamelden zich om hem heen.
Hij werd bestookt met vragen.
“Wat is er gebeurd?”
“Heb je hem gezien?”
“Wat zei hij?”
De man werd iets rustiger toen hij de vertrouwde gezichten van alledag weer om zich heen zag en bracht verslag uit van zijn belevenissen.
“Ik heb hem niet gezien maar hij was het! Dat weet ik zeker. Hij gooide iets naar me.”
Iemand van de omstanders, wellicht een dokter, betastte de wond aan het hoofd.
“Je bloedt inderdaad behoorlijk. Ik zal er wel even naar kijken. Maar vertel intussen gewoon verder.”
“Ik wandelde langs het kerkhof en plotseling zag ik iets bewegen. Het volgende ogenblik werd ik door iets geraakt.”
“Wat een onzin,” sprak Johan tegen niemand in het bijzonder. “Volgens mij is hij gewoon ergens met zijn dronken kop tegenaan gelopen.”
De mensen keken hem verontwaardigd aan en een van hen ging zelfs bijna dreigend tegenover hem staan.
“Luister, vreemdeling. Ik weet dat sommige dingen eigenaardig overkomen voor een buitenstaander, maar hou er rekening mee dat er hier wel meer dingen gebeuren die vreemden niet begrijpen.”
Johan wou wat terugzeggen maar Maaike was hem vóór.
“Ik heb de indruk dat jouw mening hier niet erg op prijs gesteld wordt. Laten we liever naar die bed and breakfast gaan om te kijken of we er terecht kunnen.”
Johan keek nog eens misprijzend naar de menigte en volgde Maaike naar buiten, waar een serene rust heerste.
Ze wandelden gearmd in de aangegeven richting.
Het was doodstil in de smalle hoofdstraat, slechts de geluiden uit de pub klonken vaag op de achtergrond.
Er was geen zuchtje wind te bekennen en een grijze nevel nam langzaam maar zeker bezit van het dorp.
Maaike genoot van de geheimzinnige sfeer die zo ontstond.
“Als je hier zo door die stille mistige straat wandelt, zou je inderdaad in geesten en andere verschijnselen gaan geloven,” sprak ze dromerig.
Johan keek haar spottend aan.
“Begin jij nu ook al? Als je in dit achterlijke dorp niet onvoorwaardelijk in geesten gelooft, moeten ze je meteen niet meer. Zag je hoe ze naar me keken, daarnet in die pub?”
“Nou ja, je stelde je nou ook niet bepaald diplomatiek op.”
“Dus als je niet in al die bijgelovige onzin gelooft en er een gezonde mening op nahoudt, ben je niet diplomatiek.”
Johan schudde het hoofd en keek naar een paar typische keltische kruisen die uit de nevel opdoemden.
“Kijk, een kerkhof,” wees Johan. ”Nou zou ik dus eigenlijk minstens een lijk moeten zien dat stiekem uit zijn graf kruipt, om er hier een beetje bij te kunnen horen.”
“Stil eens,” onderbrak Maaike hem.
“Wat is er?” vroeg Johan en keek in de richting waarnaar Maaike keek.
“Ik dacht dat ik iets hoorde.”
“Ja hoor! Het is besmettelijk. Het angstvirus grijpt al om zich heen. Nog even en… Hé, wat is dat?”
Onwillekeurig hielden Maaike en Johan elkaar iets steviger vast.
Ook Johan betrapte zich erop dat hij zich alles behalve op zijn gemak voelde. 
 “Hoor je ook wat?” vroeg Maaike ongerust.
Johan gaf geen antwoord maar liep naar een boom en Maaike dus ook.
Ze zagen een bijl die in de boom geslagen was.
Normaal gesproken niet iets om je over op te winden maar nu, onder deze omstandigheden had het iets lugubers.
Johan bekeek de bijl eens goed en schrok.
“Er zit bloed aan.”
Hij wilde de bijl uit de boom trekken om hem van dichtbij nog eens goed te bekijken maar Maaike hield hem tegen.
“Niet aankomen! Als dit inderdaad dat  ‘ding’ is waarmee die dronkelap geraakt is, zitten er misschien ook vingerafdrukken op.”
“Ik dacht dat geesten geen vingerafdrukken hadden,” spotte Johan, die zijn nuchterheid hervonden had.
“Nee, maar dan zouden die van jou er lekker overheen zitten, hè,” bitste Maaike, die ook weer bijna in gewone doen was.
Het plotselinge kraken van een tak deed hen echter weer schrikken.
Ze waren inmiddels helemaal ingesloten door de mist en zagen alleen nog maar de boom met die bebloede bijl erin.
Gespannen wachtten ze af of ze nog iets te horen of te zien kregen maar het bleef akelig stil.
Het was Maaike die de stilte verbrak.
“Laten we teruggaan naar de pub en die lui daar vertellen wat we gevonden hebben. Dan kunnen zij eventueel de politie waarschuwen.”
Johan stemde daarmee in en zo kwamen ze weer terug in de rokerige ontmoetingsplaats waar het voorval van daarnet vergeten leek te zijn.
Ze keken de zaak eens rond.
Aan wie moesten ze dat nou vertellen van die bijl?
Je kon toch moeilijk zomaar door de pub heen schreeuwen dat je een bijl in een boom gevonden had.
Johan keek vragend naar Maaike.
Deze wees naar de dronkelap van daarnet, die nu een verband om zijn hoofd had en met de dokter aan de bar stond te praten.
Johan stevende erop af en vertelde aan de dokter wat ze gezien hadden.
“En wie zegt dat die bijl van Sean Bourke is?” vroeg deze koel.
“Sean Bourke!” schreeuwde de dronkelap vanachter zijn verband en keek met verwilderde ogen de zaak rond, waarna hij een flinke teug guinness achterover sloeg.
Van alle kanten kwamen mensen toelopen.
“Wat is er nou weer?” vroeg er een, lichtelijk geïrriteerd
“Ach, deze vreemdeling hier beweert dat hij een bijl gezien heeft die Sean Bourke toebehoort,” legde de dokter uit.
 “Dat beweer ik helemaal niet,” reageerde Johan verontwaardigd. “Dat maken jullie
ervan. Ik zeg alleen maar dat wij een bijl gevonden hebben waarmee die man misschien geraakt is. Er zit in ieder geval bloed aan.”
“Waar was dat dan?” vroeg iemand van de omstanders.
“In een boom bij het kerkhof.”
“Welke boom?”
“Weet ik veel! Ik had twee meter zicht en het barst daar van de bomen.”
Er was wat geroezemoes tot iemand naar voren kwam.
“Sheehan is de naam. Ik ben van de politie hier. Ik loop wel even met jullie mee om te kijken.”
De mensen mompelden nog wat na en lieten duidelijk blijken niet veel interesse te hebben in de ontdekking van Maaike en Johan.
Ook de heer Sheehan leek niet erg enthousiast en het vervelende was dat ze in de mist de boom met de bijl niet terug konden vinden.
“Ik denk dat ik maar weer eens terugga,” bromde Sheehan ter afsluiting van hun speurtocht. “Jullie zullen het je wel verbeeld hebben onder invloed van de verhalen van daarnet. Sommige mensen menen dan opeens van alles te zien.”
En weg was hij, opgeslokt door de mist.
Johan en Maaike keken elkaar eens aan.
Maaike moest er eigenlijk een beetje om lachen maar Johan was boos.
“Nou wordt ie helemaal mooi! Zelf geloven ze in elfen, kabouters, geesten en weet ik wat al niet meer. Maar als iemand van buiten dit ellendige oord ook eens iets ziet, dan zal hij het zich wel verbeeld hebben…”
Maaike gaf Johan een arm.
“Kom, laten we maar naar die bed and breakfast gaan voor het te laat wordt. Als de mist morgen opgetrokken is, zullen we nog wel eens op zoek gaan naar die bijl.”
Ze wandelden zwijgend voort tot Maaike iets te binnen schoot.
“Zeg, je hebt me nog niet verteld of je je oom nog aan de telefoon gehad hebt in de pub daarnet.”
“Hm,” mompelde Johan. “Het was een kort gesprek.”
“Hoezo? Ik dacht dat het dik aan was tussen jullie twee.”
“Hij baalde ervan dat hij op eigen gelegenheid  helemaal hier naar toe moet zien te komen.”
“En toen heb jij hem natuurlijk gezegd dat hij dan maar beter helemaal op eigen gelegenheid naar huis toe kan gaan.”
Maaike keek Johan aan met een mengeling van spot en toch ook verwachting.
“Nee,” antwoordde Johan geërgerd “Je weet best dat hij in ruil voor een gratis terugtocht, voor mij moeilijk verkrijgbare onderdelen voor mijn sportwagentje zal regelen. Die moeten we nog ergens ophalen onderweg.”
“Heb je hem nog gevraagd of het hem nog gelukt is met die onderdelen?”
“Nee, maar hij houdt zich heus wel aan zijn afspraak. Wat heb je toch tegen die man?”
“Niets, maar ik vind het een lompe onbehouwen beer en ik had het zo leuk gevonden om samen met jou de vakantie af te sluiten.”
Maaike trok een verongelijkt gezicht en dat van Johan stond op onweer.
Het was weer eens zover.
Ze hadden weer eens iets gevonden om je over op te winden.
Johan verlangde opeens enorm naar een avondje alleen stappen in de binnenstad van Amsterdam en Maaike vroeg zich vertwijfeld af wanneer ze voor het laatst een gesprek van enig niveau hadden gehad.
Weemoedig dacht ze terug aan de nachtenlange gesprekken die ze vroeger met haar studiegenoten voerde.
Ze keek even naar opzij.
Zou het echt alleen het knappe sportieve uiterlijk geweest zijn en dynamiek tegenover voorspelbaarheid?
“Daar is het huis,” onderbrak Johan haar mijmeringen. Er brandt licht dus de weduwe zit niet in de pub.”
Hij belde aan en de deur werd meteen daarna geopend door een oud vrouwtje met een jas aan en een grote boodschappentas aan haar arm. 
Ze keek verstoord naar hen.
“Wij zoeken een plaats om te overnachten en we hebben uw adres opgekregen. Komt het gelegen?” vroeg Johan voorzichtig.
Het vrouwtje zuchtte en trok haar jas uit.
“Kom binnen.”
Ze ging hen voor naar een trap en wees met haar hoofd.
“De kamer is boven, links van de trap. Ik kom straks lakens en dekens brengen.”
Maaike en Johan gingen de trap op en ontdekten dat er een keuze was tussen twee deuren.
“Welke zou ze bedoelen?” vroeg Maaike.
“Gewoon proberen, dan weten we het zo,” besliste Johan en opende op goed geluk een van de twee deuren.
Hij stapte naar binnen maar bleef als aan de grond genageld staan.
“Wat heb jij opeens?” vroeg Maaike die bijna tegen hem opbotste.
“Ie-iemand heeft zich opgehangen, geloof ik,” hakkelde Johan geschrokken.
Maaike wrong zich tussen Johan en de deurpost door en wierp ook een blik in de duistere kamer.
Ze vond op de tast een lichtknopje en drukte dat in.
In de nu verlichte kamer bleek dat Johans lijk niets anders was dan kleren die aan een haak aan het plafond hingen.
“Ziedaar je gehangene,” wees Maaike triomfantelijk.
Johan trok slechts een zuur gezicht.
“Het is hier trouwens wel ongelooflijk stoffig, zeg,” vervolgde Maaike. “Het lijkt wel of er jaren niets aan gedaan is.”
Johan gaf geen antwoord en opende de andere deur, die toegang gaf tot een eenvoudige maar fris opgeruimde kamer.
“Raar hè,” vond Maaike, die zich bij Johan voegde. “Wat zou daar nou de bedoeling van zijn om zo’n kamer niet te gebruiken en te laten vervuilen?”
“Misschien woont de geest van Sean Bourke daar wel. Wat interesseert mij dat nou! Ik heb zin om eens lekker een uurtje te gaan liggen en om daarna een gezellige borrel te gaan halen in de pub.”
Hij strekte zich uit op het onopgemaakte bed.
Op dat moment kwam het vrouwtje de kamer binnen met lakens en dekens.
“Ik zal even de bedden opmaken. Misschien hebben jullie daarna trek in een kopje thee?”
“Graag mevrouw,” antwoordde Maaike snel en keek vals naar Johan, die wilde bedanken voor de eer.
“Zoveel bezoekers komen hier niet,” sprak het vrouwtje, terwijl ze de bedden opmaakte. “Waar komen jullie vandaan?”
“Uit Nederland,” antwoordde Maaike. “We hebben pech met de auto en moeten een paar dagen hier blijven tot hij gerepareerd is.”
“Hoe vinden jullie het hier?”
“Prachtig maar wel een beetje afgelegen.”
“En dan al die verhalen over die geest van Sean Bourke! Ik word er zo langzamerhand beroerd van,” vulde Johan aan.
“Sean was mijn zoon,” zei het vrouwtje droog.
“O, sorry.”
Johan kreeg het gevoel dat hij de rest van de dag maar beter zijn mond kon houden.
Het vrouwtje glimlachte droevig naar Johan.
“Dat kon jij ook niet weten. Laten we maar naar beneden gaan. De thee zal wel getrokken zijn.”
Ze ging hen voor en wees naar de deur, die ze daarnet per ongeluk geopend hadden.
“Dat was zijn kamer. Ik heb alles in de oorspronkelijke staat gehouden. Zo heb ik het gevoel dat hij er toch nog een beetje is.”
Ze keek Johan, die een zo neutraal mogelijk gezicht trok, een ogenblik doordringend aan en ging toen de trap af.
“Suiker en melk?” vroeg ze, toen ze even later in de armoedige maar niet ongezellige kamer zaten.
Geef mij maar een kruik jenever, dacht Johan maar hij zei vriendelijk: “Alleen suiker graag.”
“Ik ook,” zei Maaike. “U woont hier leuk.”
“Om eerlijk te zijn was ik na de dood van Sean liever verhuisd maar het geld daarvoor ontbreekt me. Hebben ze in het dorp nog over me geroddeld?”
“Nee hoor,” zei Maaike. “Doen ze dat dan?”
“Ach, het valt eigenlijk wel mee. Laten we zeggen dat de verstandshouding sinds mijn zoons dood verstoord is.”
Maaike en Johan zwegen even en het vrouwtje vervolgde: “Ja ja, daar is een hele geschiedenis aan vooraf gegaan. Mijn zoon Sean is omgekomen bij een brand in de fabriek hier. Eerst zou er een uitgebreid onderzoek komen omdat er verdenkingen waren tegen de directeur en een collega van Sean. En plotseling was dat allemaal niet meer nodig. Nou vraag ik jullie: hoe kan dat?”
“Ik zou het niet weten,” zei Johan.
“De zaak is gewoon in de doofpot gestopt met behulp van connecties van de directeur. De hoge heren beschermen elkaar in dit soort gevallen. Ook al gaat dit ten koste van onschuldige mensen en het rechtsgevoel.”
“Maar wat voor soort verdenkingen waren er dan?” vroeg Maaike. “En waarom wilden ze uw zoon kwaad  doen?”
“De directeur werd ervan verdacht zijn fabriek zelf in brand gestoken te hebben om het verzekeringsgeld op te kunnen strijken. En wat Sean betreft: ze hadden een hekel aan hem omdat hij wel eens kritiek had op de gang van zaken daar. Bovendien studeerde hij. De fabriek was vakantiewerk en dan lig je er bij domme mensen al snel uit,” zei het vrouwtje met een bittere trek om de mond.
“Denkt u dat ze uw zoon expres hebben laten omkomen in de brand?” vroeg Maaike.
“Ik denk het niet, ik weet het!” snauwde het vrouwtje.
Haar ogen schoten vuur en schreeuwden om wraak.
Maaike schrok ervan.
Het vrouwtje zag dat en schrok daar weer van. 
“Neem me niet kwalijk. Ik liet me even gaan. Ik spreek er eigenlijk nooit over en zeker niet met de gasten die hier af en toe komen. Nogmaals mijn excuses. Willen jullie nog een kopje thee?”
Johan stond op.
“Nee, dank u. Wij willen nog even een avondwandelingetje maken.”
Het vrouwtje stond ook op en liep met hen mee naar de deur.
“Een prettige wandeling jullie beiden. Hier heb je de sleutel van het huis. Ik denk dat ik al in bed lig als jullie terugkomen.
En laat je niets wijs maken door die lui van het dorp hoor.”
Ze keek ze na tot ze in de dichte mist verdwenen waren.
“Wacht even,” fluisterde Johan.
“Waarom?” vroeg Maaike verbaasd.
“Omdat ze volgens mij ook op pad gaat.”
“Hoe weet je dat?”
“Toen we aanbelden, had ze haar jas aan en een grote tas bij zich.”
“Nou, en wat dan nog?”
“Ik wil gewoon weten wat ze gaat doen.”
Maaike zuchtte diep.
“Je gaat toch geen detective spelen, he?
“Als ze niet binnen een kwartier de deur uitgaat, gaan we weg. Ik ben gewoon nieuwsgierig.”
Johan sloop terug naar het huisje.
Maaike zuchtte nog eens en volgde Johan toen maar.
Na een aantal minuten, die uren leken te duren, ging plotseling de deur open en het vrouwtje kwam inderdaad naar buiten met diezelfde boodschappentas van eerder op de avond.
Maaike en Johan doken weg achter een muurtje.
Het vrouwtje keek nog even om zich heen en verdween toen met snelle tred.
Johan en Maaike volgden zachtjes maar waren haar vrijwel direct kwijt in de dichte mist.
“En nou heb ik er genoeg van,” fluisterde Maaike. “Kom op. We gaan.”
Johan aarzelde even maar volgde Maaike, die al weg was.
Hij gaf haar een arm.
“Zie je wel,” zei hij.
“Wat nou: zie je wel. Wat wil je eigenlijk bewijzen? Dat ze nog even weggaat? Dat doen wij toch ook.”
“Ja, maar zij  zei dat ze vroeg naar bed zou gaan.”
“Dat klopt. Maar ze zei niet dat ze dat ogenblikkelijk na ons vertrek zou doen. Misschien is ze wel even naar een vriendin toe.”
“Het zou natuurlijk kunnen,” mompelde  Johan. “Maar ik vind het verdacht.
Zwijgend vervolgden ze hun weg naar de pub.
Bij binnenkomst werden ze meteen verwelkomd door de garagehouder.
“Ha, daar hebben we onze autocoureurs! Hoe is het? Ik heb gehoord dat jullie onderdak hebben gevonden bij weduwe Bourke.”
Ze stonden aan de tap en Johan bestelde wat te drinken.
“Hoe is het met haar?” vroeg de garagehouder verder. “Ze heeft zeker flink over het dorp geroddeld?”
“Nee hoor,” antwoordde Maaike. “En ik heb echt met haar te doen. Ze staat er helemaal alleen voor.”
De garagehouder nam een flinke slok van zijn guinness.
“Ja, dat is wel zo. Maar het is ook een beetje haar eigen schuld. We hebben in het begin echt geprobeerd om haar te helpen. Maar in plaats van een beetje dankbaarheid te tonen, kregen we allerlei verwijten naar ons hoofd geslingerd. Net alsof het onze schuld was dat Sean dood is. Nou ja, en dat werd steeds erger. Op het laatst lieten we het maar zo.”
Op dat moment kwam er een man met een gitaar en een pint bier langs en de garagehouder beschouwde het gesprek als beëindigd
“Hé Ronnie! Ga je spelen vanavond?”
De garagehouder sloeg een arm om de schouder van de gitarist en liep met hem mee.
Ronnie zette een barkruk op een verhoginkje en ging daar met zijn gitaar op zitten.
Tijdens het stemmen van zijn gitaar verstomden de meeste gesprekken en, eenmaal begonnen met het zingen van Ierse ballades, drank- en strijdliederen, kreeg hij veel aandacht en bijval.
Ook Maaike en Johan genoten van dit onverwachte optreden.
Ronnie had een mooie stem en er hing een ontspannen sfeer, waarin jong en oud zich thuis voelden.
Het laatste nummer  werd door veel mensen meegezongen en meegeklapt.
Johan gaf Maaike spontaan een zoen en Maaike lachte vrolijk naar hem.
Een wildvreemde man gaf Johan een vriendschappelijke klap op de schouder en knikte vriendelijk naar Maaike.
“Morgen wordt het nog gezelliger. Dan komt er een band spelen,” zei hij.
Maaike keek naar Johan.
“Zullen we dat inderdaad ‘morgen’ maar gaan meemaken? Ik val om van de slaap.”
Johan geeuwde instemmend.
“Ja, ik heb eigenlijk ook wel behoefte aan een bed. Het is een drukke dag geweest.”

 
De lichten in het huisje van weduwe Bourke brandden niet  en Maaike en Johan slopen de trap op om het vrouwtje niet wakker te maken.
Johan kleedde  zich snel uit en dook direct onder de dekens want het was fris in de kamer.
Maaike verzorgde zich nog wat bij de wastafel en bestudeerde zichzelf in de spiegel.
Toen ze tien minuten later naast Johan kroop, was deze al vertrokken.
Maaike luisterde naar zijn regelmatige ademhaling en gaf hem een nachtzoen.
Ze kon de slaap niet meteen vatten en luisterde naar de doordringende stilte.
Langzaam doezelde ze weg maar plotseling opende ze haar ogen en spitste de oren.
Hoorde ze gefluister?
Ze kon het niet opbrengen om het bed uit te gaan maar ze luisterde wel ingespannen.
Er was niets meer te horen en haar ogen vielen weer dicht.
Ik zal het me wel verbeeld hebben, dacht ze en zonk weldra weg in een diepe slaap.
Het openen en sluiten van de buitendeur en het kraken van de traptreden vonden moeiteloos een plaats in haar droom. 

 

 

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.