Erg snel ging het niet, ondanks Barends hartstochtelijke aanmoedigingen.
De paarden hadden toch al niet zo’n zin in een ritje en het feit dat er een vreemde koetsier op de bok zat, deed hun enthousiasme ook niet bepaald toenemen.
Johan begreep dat er iets moest gebeuren.
“Bij de volgende bocht springen we eraf!” riep hij tegen Barend.
“Springen?” vroeg deze verbaasd.
“Ja, dan lopen die paarden vanzelf door en dan denken onze achtervolgers dat we er nog opzitten.”
“Jij hebt teveel naar goedkope cowboyfilms gekeken. Stoppen kan ook,” besloot Barend en voegde de daad bij het woord.
“En hoe krijg je die paarden dan weer aan het rennen?” vroeg Johan.
“Zo!” riep Barend en knalde met de zweep.
De geschrokken dieren zetten het met een lege koets op een lopen en verdwenen snel uit het gezicht, evenals Johan en
Barend die zich een weg door het struikgewas baanden.
Barend deed zijn uiterste best om Johan bij te houden maar het lukte hem met de beste wil van de wereld niet.
Johan was van naturen al veel sneller maar de krachtsinspanning in de kerker maakte dat Barend eigenlijk gewoon uitgeput was.
Johan hield zich af en toe even in en gebruikte de tijd om zich te oriënteren.
Ze waren niet ver meer van de grot waar hij en Wilhelm gescholen hadden.
Daar konden ze heel even rusten.
“Mooie bondgenoot, die Wilhelm du Coq!” mopperde Barend even later in de grot. “We hadden nooit met die dweil in zee moeten gaan. Zal je zien dat hij hem ook nog met onze auto gesmeerd is. Nou, dan kunnen we het helemaal wel schudden!”
Het laatste restje energie leek nu uit zijn lichaam weg te glijden en hij strekte zich languit op de grond en sloot zijn ogen.
“Wat ga jij doen?” vroeg Johan geïrriteerd.
“Ik wacht hier op de bus. Nou goed?”
Barend voelde een machteloze woede in zich opkomen.
“Als ik niet naar jou en die judasvriend van je geluisterd had, zat ik niet hier maar lekker thuis of in mijn stamkroeg. En het is maar de vraag of ik daar ooit nog kom.”
“Als je hier op de bus blijft wachten, zeker niet,” spotte Johan. “Kom op. We moeten verder.”
Hij wees naar het smalle bospaadje dat door de opkomende zon prachtig in het licht werd gezet.
Barend zei niets, kwam kreunend en steunend overeind en volgde strompelend Johan.
Even later kwamen ze bij het touw dat er nog steeds hing.
“Dat touw had die galbak zeker niet nodig. Anders had hij dat ook nog wel gejat.”
“We weten helemaal niet zeker of hij de auto meegenomen heeft, als je dat soms bedoelt.” zei Johan toen ze via het touw naar beneden waren gegaan en het paadje volgden.
De tocht werd zwijgend voortgezet tot ze bij de plek kwamen, waar Johans auto inderdaad nog stond.
“En wat zien we daar?” vroeg Johan triomfantelijk.
“De bus,” gromde Barend en wurmde zich opgelucht in de kleine sportwagen.
Johan zette zich naast Barend en keek met een warme blik in de ogen naar het dashboard.
“Ga je die auto een zoen geven of ga je hem op zijn staart trappen? We zijn bezig met een ontsnapping, weet je nog wel?”
Johan zei niets maar startte de motor en manoeuvreerde de auto naar de weg.
Er werd niet veel gezegd tijdens de rit die volgde.
Johan hield er flink de vaart in en beiden waren in gedachten verzonken.
Plotseling schrokken ze op uit hun overpeinzingen.
Vanaf hun positie boven aan een heuvel zagen ze beneden uit het dal twee tegenliggers aankomen.
“We zijn erbij,” kreunde Barend.
“Hoezo? We weten niet eens of het die schurken zijn,” opperde Johan.
“Dan doet die ene zeker gewoon heel lang over het inhalen,” bromde Barend en wees naar de twee auto’s die naast elkaar waren gaan rijden, zodat ze de gehele breedte van de weg opvulden.
Even wist Johan niet wat hij moest doen en minderde vaart.
Paniek dreigde maar in plaats daarvan kwam er een vastberaden trek op zijn gezicht.
Hij ging midden op de weg rijden en gaf vol gas.
“Je gaat recht op die auto’s af, idioot!” brulde Barend en hij keek of hij zijn ogen niet geloofde.
“Precies! En dat verwachten ze niet. Nou is het de bedoeling dat ze schrikken en opzij gaan.”
“En weten zij ook dat dat de bedoeling is?”
“Wij hebben niets te verliezen. Zij wél.”
De oude MG vloog in volle vaart naar beneden.
Nog vijfhonderd meter te gaan en de tegenliggers reden nog steeds naast elkaar.
Nog vierhonderd meter.
De tegenliggers minderden vaart maar reden nog wel naast elkaar.
Nog driehonderd meter.
Johan reed inmiddels plankgas, wist dat hij hoog spel speelde maar ook dat hij niet meer terug kon.
Nog tweehonderd meter.
Weken de auto’s uit elkaar?
Nog…
Johan had gewonnen!
Op het allerlaatste ogenblik weken de auto’s uit elkaar en kon Johan zijn auto door de zo ontstane opening sturen.
“Zie je wel!” zei Johan terwijl zijn hart in zijn keel bonkte.
“Ik heb niets gezien. Ik had mijn ogen dicht,” stamelde Barend.
Maar de race was nog niet gereden.
De net gepasseerde auto’s keerden om en zetten de achtervolging in.
Johan haalde alles uit zijn auto wat erin zat maar besefte dat de achtervolgers grotere en snellere wagens hadden.
Johan keek in zijn achteruitkijkspiegeltje en zag dat ze langzaam maar zeker terrein verloren.
Door een aantal bochten in de weg, die Johan met grote stuurmanskunst zonder brokken wist te nemen liepen ze even uit op de achtervolgers maar daarna volgde weer een recht gedeelte.
De weg werd smaller en tot overmaat van ramp doemde er een vrachtwagen voor hen op, die bijna de hele breedte van de weg in beslag nam.
Johan drukte langdurig op de claxon waardoor de vrachtwagen zoveel mogelijk rechts op de weg ging rijden.
Hoewel er nauwelijks genoeg ruimte was, wist Johan toch de kleine sportwagen er langs te wurmen.
Bladeren van struiken langs de weg vlogen in het rond maar ze hadden het gered!
De achtervolgende auto’s waren te breed, de weg bleef smal dus van inhalen was voorlopig geen sprake meer.  
Barend liet zijn gevoelens nu de vrije loop.
“Je bent een kanjer!” riep hij tegen Johan, die spontaan in een soort lachen uitbarstte.
Ze haalden daarna opgelucht adem maar bleven op hun hoede.
Nu pas zag Barend het stuk papier dat op de bodem van de auto lag.
Hij raapte het op en bekeek het.
“Nee maar, hoe is het mogelijk! Post van Wilhelm. Moet je horen wat die slijmjurk schrijft.”
Barend begon voor te lezen maar kon het niet laten de brief hier en daar van commentaar te voorzien.
“Beste Johan en Barend, (effe kotsen hoor) Als jullie dit lezen, betekent het dat jullie nog in leven zijn. Ik ben daar oprecht blij om. (dat zal wel)  Op het moment dat ik deze brief schrijf kan ik me echter bijna niet voorstellen dat het jullie nog zal lukken te ontsnappen. (en hij had zo’n goed plan) Daarom ga ik er vandoor met de juwelen die ik in bewaring heb gekregen van Johan. ( oh, dat was een slimme zet van je, Johan) Daarmee kan ik proberen, ver weg van hier, een nieuw bestaan op te bouwen. (blijf inderdaad maar ver uit mijn buurt) Ik laat de auto hier, zodat jullie, als je hier ooit nog komt, in ieder geval verder kunt vluchten. (fideel van hem) Ook zal ik zo snel mogelijk de politie waarschuwen zodat jullie van die kant nog hulp kunnen verwachten. (heel aardig hoor) Bedankt voor jullie hulp. Mocht ik ooit te weten komen dat jullie mijn hulp nodig hebben, dan kunnen jullie op me rekenen. (bouw op Wilhelm, dan bouw je op drijfzand) p.s. Voor alle…”
Johan onderbrak Barend.
“Daar! Politieauto’s! We hebben het gered! Ik ben nog nooit zo blij geweest politie tegen te komen.”
Johan zette de MG aan de kant en wist met armzwaaien de politie tot stoppen te bewegen.
Met blije gezichten lieten ze zich inrekenen om naar een politiecel vervoerd te worden.

Reacties mogelijk in het gastenboek.