De oude man liep er een beetje verloren bij in de lange gang die de schakel vormde  tussen de Hemelpoort enerzijds en de Hemel, Hel en Vagevuur anderzijds.
De meeste mensen die hij tegengekomen was, hadden hun bestemming na de dood inmiddels wel gevonden en de gang werd steeds leger tot de oude man tenslotte alleen over bleef.
“Vreemd,” mompelde hij en keek nog eens naar zijn weegpas waarop in onbekende tekens de uitslag van de weging van zijn goede en slechte daden vermeld was.
“Bij welke ingang ik ook kom, nergens willen ze me hebben. Terwijl iedereen zijn plaatsje gevonden heeft, loop ik maar voor idioot van de ene naar de andere deur. Dat kan toch niet zomaar! Ik heb toch ook recht op een plek!”
Hoopvol liep hij naar een zwartgeblakerde deur waarop met grote letters HEL vermeld stond.
Hij stak de weegpas in de daarvoor bestemde gleuf en keek naar het scherm daarboven waarop inderdaad wederom in felgekleurde letters ‘geen toegang’ verscheen.
“Ja hoor, ’t is weer hetzelfde liedje,” zuchtte de oude man.
Maar nu gebeurde er toch ook iets anders: een raampje in de deur ging knarsend open en daarachter verscheen een afzichtelijk hoofd dat een zeer onaangename geur verspreidde.
Twee felrode ogen, die scheef in het gezicht geplaatst waren, keken de oude man priemend aan.
“Je bent wel hardleers, hè,” kraakte de stem die bij de kop hoorde. “Dit is nu al de vijfde keer dat je hier staat. Waar kom jij in ’s hemelsnaam vandaan dat je niet weet wat ‘geen toegang’ betekent? Geen toegang is geen toegang! Daar is geen speld tussen te krijgen dus duvel nou een end op!”
“Maar waar moet ik dan heen?” vroeg de oude man wanhopig. “Niemand wil me hebben en dat is niet leuk hoor. Dat kan ik u verzekeren.”
“Luister eens hier, braverik. Als je er bij mij  niet in mag dan moet je bij de Hemel of het Vagevuur zijn. Probeer het daar eens, verdomme dan ben ik tenminste van dat gedonder af!”
“Maar dat heb ik al een paar keer geprobeerd en daar willen ze me ook niet hebben.”
Het hoofd van de duivel werd rood van ergernis en de hoorntjes op zijn hoofd leken wel in brand te staan.
“Laat me je weegpas eens zien.”
De oude man overhandigde deze door het raampje dat daarna gesloten werd en hij maakte van de gelegenheid gebruik om zijn neus eens goed te snuiten want de stank die door dat raampje naar buiten was gewalmd, leek bezit van zijn neus te hebben genomen.
Het duurde even voor het raampje weer geopend werd.
“Jij bent een unicum, weet je dat. Je goede en je slechte daden zijn precies, maar dan ook precies in evenwicht, echt op de grám precies! Dat zal wel een zaak voor Petrus zelf worden. Ha ha! Wat zal die luilak daar de smoor in hebben. Een verduiveld leuke grap! Maar goed, wat jij moet doen is dit:  helemaal aan het einde van de gang om de hoek is het kantoor van de hemelpoortcommissie. Daar ga je heen en dan laat je je weegpas zien. Dan word je vanzelf wel naar Simon Petrus gebracht want met zo’n geval als jij weten die sufferds geen raad. Daar moet de baas zélf in beslissen. Het ga je slecht!”
De duivel spuugde als afscheidsgroet een lavastraaltje op de grond en sloot het raampje met een harde klap.
De oude man begon meteen op de dichte deur te kloppen die daarop met kracht open gezwaaid werd.
De duivel stond breeduit in de deuropening met zijn armen over elkaar terwijl de rook uit zijn oren kwam.
“Wat moet je nou weer?!” schreeuwde hij.
“Ik eh…ik wilde u nog even bedanken voor de hulp en…”
“Loop naar de hel!”
De duivel smeet de deur dicht en het scherm met ‘geen toegang’ knipperde onafgebroken aan en uit.
De oude man haalde zijn schouders op en wandelde in de aangegeven richting.
De duivel had het goed gezien.
De hemelpoortcommissie, die eigenlijk al begonnen was om de werkdag met een glaasje altaarwijn af te sluiten, bleek onaangenaam verrast en verontrust.
De hele administratie van goede en slechte daden werd nog eens doorgenomen en door de weegmachine gehaald maar het resultaat bleef hetzelfde: een perfect maar dan ook werkelijk perfect evenwicht.
De engelen van de hemelpoortcommissie waren heel wat minder in balans maar ook een ingelaste spoedvergadering bracht geen uitkomst.
Een voorstel van de oude man om nog even naar de aarde terug te gaan om daar een goede of desnoods een slechte daad te verrichten om het evenwicht te verbreken werd afgewezen daar dat volstrekt tegen de regels was.
Ten einde raad werd er dan toch maar besloten om Petrus in te lichten.
Niemand voelde ervoor om de gramschap van de baas over zich af te roepen dus werd er om gedobbeld wie de slechte tijding moest brengen.
Even later stonden een zenuwachtige engel en een moedeloze oude man voor een mooi bewerkte eikenhouten deur.
De engel trok ferm aan de zilveren bel in de hoop zo gauw mogelijk van dit vervelende klusje af te zijn.
Petrus, die juist in opperste concentratie bezig was om met een touwtje de mast van een scheepje in een fles op te trekken, liet van schrik het touwtje los dat daarop in de fles verdween.
Hij kon nog net een vloek onderdrukken en opende met een zwaai de deur.
De engel legde hortend en stotend, begeleid met de nodige excuses, de hele zaak uit en duwde de oude man naar voren.
“Kan ik dan ook niets aan jullie overlaten!” mopperde Petrus. “Nou, ga maar weg. Ik zal het zelf wel oplossen.”
De engel, blij er op deze manier vanaf te komen, vloog ervandoor.
Petrus keek de engel hoofdschuddend na en verdween toen abrupt weer in zijn kamer, de verbaasde man achterlatend.
De deur stond nog open en de oude besloot na enig aarzelen toch maar om in de deuropening te gaan staan.
Hij klopte daarbij beleefd op de deur, kuchte eens wat en klopte nogmaals op de deur.
“Ja, doe die maar dicht,” mopperde Petrus die intussen het touwtje weer te pakken had.
De oude man deed wat er van hem gevraagd werd maar zorgde er wél voor dat hij aan de goede kant van de deur kwam te staan.
“De deur is dicht, meneer Petrus.”
“Mooi zo,” bromde Petrus en trok met het touwtje de mast weer omhoog.
Hij rommelde nog wat verder en zette daarna de fles met daarin het scheepje op zijn bureau.
Langzaam draaide hij zich om en keek onderzoekend naar de oude man.
“En dan hebben we daar dus jouw geval. Heeft dat geval ook een naam als ik vragen mag?”
“Dat geval is… ik bedoel mijn naam is Klaas, meneer. Klaas Beentjes.”
“Mooi zo. Jij heet dus Klaas Beentjes,” herhaalde Petrus. “Wel Klaas, je hebt ons in een lastig parket gebracht, jongen. Je bent niet plaatsbaar. Je bevindt je als het ware tussen het wal en het schip. En dat is zelfs voor een oude vissersman als ik moeilijk op te lossen.”
Klaas staarde uitdrukkingsloos voor zich uit.
“Je weet toch hoop ik wel dat ik visser was vóór ik apostel werd bij Jezus en op mensen ging vissen,” vroeg Petrus argwanend.
Klaas knikte vermoeid.
Petrus ging op een met zilver beslagen stoel achter zijn bureau zitten en wees Karel een met koper beslagen exemplaar aan de andere kant aan.
“Nou ja, je zult wel doodmoe zijn van alles wat je na je sterven meegemaakt hebt.”
Hij luidde een oude scheepsbel en de engel die daarop verscheen, kreeg de opdracht te zorgen voor thee met whisky en scheepsbeschuit.
“Ik praat altijd wat makkelijker met een goed gezet kopje thee, zie je,” voegde hij er vertrouwelijk aan toe.
Klaas knikte verlegen.
“Weet je wat dat is?” vroeg Petrus plotseling en knikte met zijn hoofd in de richting van zijn kunstwerk en gaf daarop zelf het antwoord. “Dat is een schuit waarmee de Romeinen in mijn tijd over de zeeën en oceanen voeren. Meestal maak ik vissersboten in flessen omdat ik die natuurlijk het beste ken maar dat wordt op den duur een beetje saai, hè. Nou heeft mijn collega Paulus, die ken je hopelijk wel, dat was de enige apostel van Romeinse afkomst, die heeft een tijd op een Romeins schip gevaren en die zei tegen me, Petrus, zei hij, vissersboten zijn nou wel leuk maar je moet ook eens wat anders bouwen. En toen heeft hij mij verteld hoe zo’n schip in elkaar zit en daar staat hij nu. Hoe vind je hem?”
“Mooi,” mompelde Klaas, die zijn hele werkzame leven op zee doorgebracht had en blij was dat die tijd voorbij was.
“Ja ja,” mijmerde Petrus. “Het Christendom was mijn roeping maar de zee mijn liefde. Wat had jij eigenlijk voor beroep?”
“Ik zat ook op een schip,” bekende Klaas, die wel begreep dat liegen hem in deze omgeving niets zou opleveren.
“Nee maar!” riep Petrus uit. “Dan zijn we dus eigenlijk een soort scheepsmaten! Dat is leuk. Dan kunnen we het eens over de scheepvaart hebben. Zeg, zijn ze erg veranderd, die schepen van nu? Ik weet dat natuurlijk niet want ik ben al een tijdje uit de running, zie je.”
Klaas begon zonder enthousiasme te vertellen maar Petrus genoot en stelde geïnteresseerd de ene vraag na de andere.
Het gesprek duurde eindeloos voort tot Klaas op een gegeven moment niet meer kón.
Hij was compleet uitgeput en zeeziek van al die thee met whisky aangevuld met scheepsbeschuit.
“Weet je wat mij nou leuk lijkt?” vroeg Petrus geestdriftig. “Om samen eens een modern schip te bouwen. Bijvoorbeeld een onderoceaner.”
“Onderzeeër,” verbeterde Klaas dodelijk vermoeid.
“Goed. Onderzeeër dan,” gromde Petrus, die niet gewend was aan tegenspraak. “Kom, dan gaan we alvast de spullen die we nodig hebben bij elkaar zoeken.”
Hoewel Klaas zijn bestemming na de dood officieel nog niet gevonden had, voelde dat wél zo.
Hij was in de Hel beland!
Ondertussen ontdekte men bij de hemelpoortcommissie iets heel bijzonders.
De weegpassen van de mensen die naar het eeuwig leven na de dood zijn overgegaan, werden altijd uit de administratie gehaald en zo ook de pas van K. Beentjes.
Omdat er voor K. Beentjes nog geen plaats van bestemming gevonden was, had men deze apart gelegd.
Het vreemde was nu dat de automatische dadentelmachine  na de dood van K. Beentjes enige goede daden op zijn weegpas bijgetekend had.
Na deze ontdekking volgde een onderzoek waaruit bleek dat K. Beentjes, wiens enige wens was om een plaatsje te vinden waar hij zijn eeuwig leven kon leiden, bezig was zijn tijd te verdoen met oeverlange gesprekken en het bouwen van een scheepje in een fles.
Een spoedoverleg moest uitkomst brengen.
Duidelijk was in ieder geval dat K. Beentjes nu dus wel degelijk een plaats in de Hemel verdiend had maar hoe kon men dit aan Petrus uitleggen zonder hem te kwetsen of te beledigen.
Hij bemoeide zich dan wel niet zo veel meer met de gang van zaken maar was wél nog steeds de baas die het je heel lastig zou kunnen maken als je hem tegen je in het harnas zou werken.
Na intensief overleg kwam men tot een oplossing.
Men zou het heel algemeen houden en tegen Petrus zeggen dat K. Beentjes een zwakke plek in het systeem aangetoond had dat inmiddels verholpen was en dat dát dan die goede daad was die hem toegang tot de Hemel verschafte.
Geen van de engelen wilde de vleugels branden aan deze actie en dus werd Judas erbij gehaald.
Hij was altijd wel handig met dit soort dingen en had tenslotte nog wat goed te maken.
Judas, op enige afstand gevolgd door een engel, had zijn plan snel klaar en liep vol zelfvertrouwen naar de eikenhouten deur van Petrus’ kantoortje.
Deze was juist bezig om met een touwtje de periscoop van de onderzeeër in de fles omhoog te trekken, toen plotseling luid de zilveren bel klonk.
Van schrik liet hij het touwtje in de fles glijden.
Hij kon nog net een vloek onderdrukken en brulde tegen Klaas dat die de deur maar open moest doen.
Klaas, wankelde, meer dood dan levend van uitputting naar de deur, opende deze en werd tot zijn stomme verbazing door een engel opgetild en weggevlogen.
Judas stapte naar binnen, sloot de deur en keek tevreden toe hoe Petrus worstelde met het touwtje in de fles.
Op deze manier was het geplande tijd rekken niet eens nodig.
Dat deed Petrus zelf wel met dat touw trekken.
Eindelijk was Petrus klaar en hij bekeek de fles met het schip van alle kanten.
“Nou, wat vind je ervan?” vroeg Petrus en draaide zich om.
“Mooi,” zei Judas. “Wat is het eigenlijk?”
“Dat is een…  hé, waar is Klaas?”
Judas begon op zijn dooie gemak zeer uitgebreid uit te leggen hoe de vork in de steel zat maar Petrus duwde  hem opzij en rende de gang in, richting toegangsdeuren.
Judas keek hem na en hoopte maar dat Klaas op tijd binnen was want daar mocht Petrus niet komen omdat dat terrein buiten zijn bevoegdheid viel.
Klaas was ondertussen bij de deur van de Hemel aanbeland en verbaasde zich erover dat het licht met ’geen toegang’ niet brandde.
Integendeel: het licht met ‘komt binnen’ en daaronder ‘voeten vegen s.v.p.’ verscheen op het scherm.
De dolgelukkige Klaas wilde nog vragen hoe dit zo kwam maar werd zonder verdere uitleg naar binnen geduwd..
De engel maakte zich vliegensvlug uit de voeten.
Hij was net uit het zicht verdwenen toen Petrus de hoek om kwam stormen, de flessenboot nog in zijn handen.
Hij rammelde aan de gouden deurknop maar toen zijn blik omhoog gleed zag hij, ondanks het feit dat hij zijn bril niet op had, in hel verlichte letters staan: ‘geen toegang’.
In een eerste opwelling was Petrus van plan om eens precies uit te gaan zoeken wat er hier allemaal gaande was maar bedacht zich toen hij naar de onderzeeër in de fles keek.
Wat maakte het eigenlijk ook uit!
Iemand die zo gezellig over de scheepvaart kon kletsen en had geholpen met het bouwen van een scheepje in een fles, had gewoon een plekje in de hemel verdiend.
Petrus wendde de steven en zette koers naar zijn kantoortje om daar voorlopig niet meer uit te komen.

 

 

 

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.