Er was iets geknapt bij Johan.
Geen leuke fantasieën meer over een spannend avontuur.
De jongensdroom was voorbij en vervangen door een nachtmerrie.
Gedaan was het met het kinderlijke gedoe.
Dit was de keiharde realiteit maar Johan paste zich aan.
Gedaan was het ook met de angst om iemand te verwonden of wat de politie er wel van zou denken.
Een ding was nu nog maar belangrijk.
Barend bevrijden en het er samen levend afbrengen.
Wat er daarna gebeuren zou, was op dit moment niet van belang..
Dat zou hij dan wel weer zien.
De boosheid over zijn naïviteit zette hij om in een verbetenheid om tot het uiterste te gaan.
Hij was nu vast besloten om te vechten voor wat hij waard was en geen middel onbeproefd te laten om zijn doel te bereiken.
Vanuit de struiken bekeek hij het veld dat hij over moest steken.
Het lag er stil en verlaten bij.
Buiten de muur van het Arendsnest leek het drukker.
Vaag hoorde hij achter zich stemmen en het blaffen van een hond.
Ze waren inderdaad in de omgeving naar hem op zoek.
Dat was gunstig want dan was er minder tegenstand binnen het Arendsnest te verwachten.
In gebogen houding rende hij het grasveld over naar de keuken waar de kok nog steeds vastgebonden op de grond lag.
Ook dat was gunstig want dat betekende dat ze overhaast de achtervolging ingezet hadden, zonder eerst de zaken goed op een rijtje te zetten.
En nu eerst maar eens die kok onder handen genomen, dacht Johan.
Hij haalde de prop uit diens mond en keek hem doordringend aan.
“Jij gaat me twee dingen vertellen. Eén: waar sluiten jullie altijd de gevangenen op en twee: waar is de sleutel van die ruimte?”
De kok keek hem aan maar zei niets.
“Ik vroeg je wat,” zei Johan en hield het pistool dreigend op zijn voorhoofd gericht.            
“Als je schiet, verraad je jezelf,” zei de kok en Johan meende zelfs iets van triomf in zijn ogen te zien.
Dit kost tijd, dacht Johan en die heb ik niet.
Hij pakte een oor van de kok stevig beet en begon er langzaam aan te draaien.
De kok wou gaan schreeuwen maar Johan gaf hem een zachte tik met het pistool op de neus.
“Als jij gaat brullen, verraad je me ook. Nogmaals: waar sluiten jullie de gevangenen op en waar is de sleutel?”
“Ik weet het niet,” jammerde de kok zachtjes.
“Je weet het wél,” zei Johan en draaide het oor nog een stukje verder om.
Hij moet nu wel snel wat gaan zeggen, bedacht Johan zich. Want anders draai ik dat ding er nog af.
“Aan het einde van de gang,” kreunde de kok plotseling.
“Welke gang?”
“Als je de keuken uitkomt, gewoon doorlopen en dan de trap af.”
“En waar is de sleutel?”
Johan deed net of hij aanstalten maakte om het oor definitief van het hoofd te scheiden.
“Boven het aanrecht,” zei de kok snel.
Johan keek en zag inderdaad een verzameling sleutels, keurig netjes naast elkaar gerangschikt.
Hij knikte er met zijn hoofd naar en vervolgens naar het gehavende oor.
“Welke?”
“Weet ik niet van deze afstand. Het is een grote met een ‘C’ erop.”
Johan had de bewuste sleutel snel gevonden en hield die voor de mond van de kok.
“Je weet het zeker? Als het hem namelijk niet is, kom ik terug en duw hem door je strot.”
“Het is hem echt.”
“Mooi, dan heb ik hier iets anders voor je om op te kauwen.”
Johan duwde hem de prop opnieuw in de mond en schoof de kok weer uit het gezicht.
Aan het einde van de gang bevond zich inderdaad de trap, die Johan met het pistool in de aanslag, voorzichtig afging.
Door ervaring wijs geworden, wachtte hij even voor hij naar de kerkerdeur ging.
En dat was maar goed ook want van de andere kant hoorde hij het geluid van stemmen.
“Laat je nog wel wat van hem heel?” klonk de ene stem.
“Als hij praat wel. Anders niet. En ik kan je vertellen dat ik hoop dat hij niet praat,” antwoordde de andere stem.
Johan keek toe vanuit een nis en herkende Bril en Grote.
Hij besloot af te wachten tot ze in de kerker waren en dan toe te slaan.
Ze openden de zware deur en gingen naar binnen.
Johan telde tot drie om dan naar voren te springen maar kwam niet verder dan twee.
Tot zijn stomme verbazing zag hij, na het horen van een doffe klap, eerst een bril en daarna de eigenaar ervan naar buiten vliegen.
Uit de kerker klonk nu een geluid dat nog het meeste weg had van vechtende roofdieren.
Een ogenblik later zag hij Barend naar buiten kruipen, gevolgd door Grote, die nog gewoon op zijn benen stond.
“Zo zie ik je graag,” spotte Grote. “Kruipend voor mij door het stof.”
“En ik zie jou graag met je armen omhoog en je gezicht tegen de muur. !” riep Johan en sprong tevoorschijn met het pistool in de aanslag. “En nu snel! Ik tel tot drie en schiet bij  twee! Een…”
Grote nam geen risico en deed wat Johan van hem verlangde.
Barend kwam overeind en wilde Grote te lijf gaan.
“Stop!” riep Johan. “Dat heeft geen enkele zin. Pak liever die sleutelbos die daar op de grond ligt en bevrijd jezelf van die kettingen met die steen eraan.”
Barend kwam tot bedaren.
“Sorry. Je hebt gelijk.”
Hij pakte de sleutelbos en begon de juiste sleutel te zoeken.
Onderwijl keek hij even naar Johan.
“Fantastisch trouwens dat je me te hulp bent gekomen.”
“Dat spreekt vanzelf,” zei Johan alleen maar en gaf met zijn pistool aan dat Grote de kerker in moest gaan.
“En neem die voddenbaal ook mee,” zei Johan en wees op Bril, die nog steeds buiten westen op de grond lag.
Barend, die zich inmiddels van de steen ontdaan had, sloot de deur van de kerker achter hen en deed die op slot.
“Laten we maken dat we weg komen,” zei Johan.
“Dacht je dat ik nog wat wou blijven dan?” vroeg Barend narrig.
Johan reageerde niet en luisterde bezorgd naar geluiden die uit de richting van de keuken kwamen.
“Volgens mij hebben ze die kok gevonden en die zal ze natuurlijk meteen hierheen sturen.”
“Gauw de andere kant op, naar boven,” zei Barend. “Ik weet ongeveer de weg want zo hebben ze me ook hierheen gebracht.”
Zo snel ze konden renden ze de trap op en Johan zag bezorgd hoe moeizaam dat bij Barend ging.
Boven aan de tweede trap struikelde Barend en bleef liggen.
“Kom op nou,” zei Johan ongeduldig.
“Ik kan niet meer,” hijgde Barend. “Ik heb daarnet teveel van mijn krachten gevergd.”
Johan hoorde boven ook mensen aankomen.
Als deze lieden nu de trap af zouden komen, waren ze verloren.
Er zat maar een ding op: hij moest ze boven zien tegen houden.
“Blijf liggen en rust even uit,” commandeerde hij Barend.
Johan vloog omhoog en schoot zonder waarschuwing rakelings over de aankomende belagers heen.
Deze deinsden geschrokken terug en waren volslagen in verwarring omdat ze niet wisten waar het schot vandaan kwam.
Van die verwarring moet ik gebruik maken, dacht Johan en snelde weer naar beneden.
Hij duwde Barend, die inmiddels overeind gekomen was, een zijgang in.
Ondertussen kwamen de kok en consorten de trap opgerend.
Opeens kreeg Johan een duivels plan.
Hij loste een schot vlak voor het moment dat de schurken boven en beneden elkaar konden zien.
Hij rende de gang weer in en hoorde tot zijn genoegen hoe ze nu elkaar begonnen te beschieten.
Weer een paar seconden gewonnen, dacht Johan, terwijl hij de voort zwoegende Barend inhaalde.     
Deze hield halt om na te denken.
“Hier moeten we weer de trap af,” besliste hij.
En voort ging het weer tot ze bij een deur kwamen die toegang gaf tot de tuin.
“De kust is vrij,” zei Johan die zijn hoofd om de deur had gestoken.
Ze renden over een paadje in de richting van een stal.
Ze moesten opschieten want de poort die toegang verschafte tot de tuin van het Arendsnest, ging al open.
Net op tijd waren ze in de stal, waar de aanwezige paarden onrustig snoven.
Het groepje dat de tuin in kwam had de schoten zeker gehoord want het ging behoedzaam met getrokken pistool het Arendsnest binnen.
Johan bekeek de stal en zijn blik viel op een koetsje.
“Weet jij hoe je een paard voor de wagen moet spannen?” vroeg hij aan Barend.
“Ja hoor. Met zijn kop naar voren,” antwoordde deze. “Maar is het niet veel beter om
gewoon op het paard te gaan zitten. Dan zijn we veel sneller.”
“Ik heb nog nooit op een paard gezeten,” bekende Johan.
Barend verloor geen seconde en had al snel twee paarden voor het koetsje gespannen.
Johan probeerde ondertussen vergeefs om een idee te krijgen waar de vijand zich bevond.
Maar dat was vanuit hun positie heel moeilijk te bepalen.
“We moeten het er maar op wagen en er het beste van hopen,” zei Johan. “Als ik ‘ja’ zeg, gooi ik de deuren open en zet jij dat geval in beweging. Ik spring er dan wel op als je langsrijdt.”
Een ogenblik van gespannen rust volgde tot Johan  plotseling ‘ja’ brulde en de deuren van de stal opengooide.
Het koetsje met de paarden zette zich in beweging en Johan sprong lenig op de bok naast Barend.
Beiden durfden er niet aan te denken wat er zou gebeuren als er zich iemand op het terrein zou bevinden.
Maar het geluk was met hen.
Ongehinderd bereikten ze de toegangspoort en even later reden ze de vrijheid tegemoet.
Hun vlucht was echter niet onopgemerkt gebleven en spoedig werd de achtervolging ingezet met voertuigen die over meer pk’s beschikten dan die twee waar Johan en Barend het mee moesten doen.

 

 

 

 

 

 

Er was iets geknapt bij Johan.

Geen leuke fantasieën meer over een spannend avontuur.

De jongensdroom was voorbij en vervangen door een nachtmerrie.

Gedaan was het met het kinderlijke gedoe.

Dit was de keiharde realiteit maar Johan paste zich aan.

Gedaan was het ook met de angst om iemand te verwonden of wat de politie er wel van zou denken.

Een ding was nu nog maar belangrijk.

Barend bevrijden en het er samen levend afbrengen.

Wat er daarna gebeuren zou, was op dit moment niet van belang..

Dat zou hij dan wel weer zien.

De boosheid over zijn naïviteit zette hij om in een verbetenheid om tot het uiterste te gaan.

Hij was nu vast besloten om te vechten voor wat hij waard was en geen middel onbeproefd te laten om zijn doel te bereiken.

Vanuit de struiken bekeek hij het veld dat hij over moest steken.

Het lag er stil en verlaten bij.

Buiten de muur van het Arendsnest leek het drukker.

Vaag hoorde hij achter zich stemmen en het blaffen van een hond.

Ze waren inderdaad in de omgeving naar hem op zoek.

Dat was gunstig want dan was er minder tegenstand binnen het Arendsnest te verwachten.

In gebogen houding rende hij het grasveld over naar de keuken waar de kok nog steeds vastgebonden op de grond lag.

Ook dat was gunstig want dat betekende dat ze overhaast de achtervolging ingezet hadden, zonder eerst de zaken goed op een rijtje te zetten.

En nu eerst maar eens die kok onder handen genomen, dacht Johan.

Hij haalde de prop uit diens mond en keek hem doordringend aan.

“Jij gaat me twee dingen vertellen. Eén: waar sluiten jullie altijd de gevangenen op en twee: waar is de sleutel van die ruimte?”

De kok keek hem aan maar zei niets.

“Ik vroeg je wat,” zei Johan en hield het pistool dreigend op zijn voorhoofd gericht.            “Als je schiet, verraad je jezelf,” zei de kok en Johan meende zelfs iets van triomf in zijn ogen te zien.

Dit kost tijd, dacht Johan en die heb ik niet.

Hij pakte een oor van de kok stevig beet en begon er langzaam aan te draaien.

De kok wou gaan schreeuwen maar Johan gaf hem een zachte tik met het pistool op de neus.

“Als jij gaat brullen, verraad je me ook. Nogmaals: waar sluiten jullie de gevangenen op en waar is de sleutel?”

“Ik weet het niet,” jammerde de kok zachtjes.

“Je weet het wel,” zei Johan en draaide het oor nog een stukje verder om.

Hij moet nu wel snel wat gaan zeggen, bedacht Johan zich. Want anders draai ik dat ding er nog af.

“Aan het einde van de gang,” kreunde de kok plotseling.

“Welke gang?”

“Als je de keuken uitkomt, gewoon doorlopen en dan de trap af.”

“En waar is de sleutel?”

Johan deed net of hij aanstalten maakte om het oor definitief van het hoofd te scheiden.

“Boven het aanrecht,” zei de kok snel.

Johan keek en zag inderdaad een verzameling sleutels, keurig netjes naast elkaar gerangschikt.

Hij knikte er met zijn hoofd naar en vervolgens naar het gehavende oor.

“Welke?”

“Weet ik niet van deze afstand. Het is een grote met een ‘C’ erop.”

Johan had de bewuste sleutel snel gevonden en hield die voor de mond van de kok.

“Je weet het zeker? Als het hem namelijk niet is, kom ik terug en duw hem door je strot.”

“Het is hem echt.”

“Mooi, dan heb ik hier iets anders voor je om op te kauwen.”

Johan duwde hem de prop opnieuw in de mond en schoof de kok weer uit het gezicht.

Aan het einde van de gang bevond zich inderdaad de trap, die Johan met het pistool in de aanslag, voorzichtig afging.

Door ervaring wijs geworden, wachtte hij even voor hij naar de kerkerdeur ging.

En dat was maar goed ook want van de andere kant hoorde hij het geluid van stemmen.

“Laat je nog wel wat van hem heel?” klonk de ene stem.

“Als hij praat wel. Anders niet. En ik kan je vertellen dat ik hoop dat hij niet praat,” antwoordde de andere stem.

Johan keek toe vanuit een nis en herkende Bril en Grote.

Hij besloot af te wachten tot ze in de kerker waren en dan toe te slaan.

Ze openden de zware deur en gingen naar binnen.

Johan telde tot drie om dan naar voren te springen maar kwam niet verder dan twee.

Tot zijn stomme verbazing zag hij, na het horen van een doffe klap, eerst een bril en daarna de eigenaar ervan naar buiten vliegen.

Uit de kerker klonk nu een geluid dat nog het meeste weg had van vechtende roofdieren.

Een ogenblik later zag hij Barend naar buiten kruipen, gevolgd door Grote, die nog gewoon op zijn benen stond.

“Zo zie ik je graag,” spotte Grote. “Kruipend voor mij door het stof.”

“En ik zie jou graag met je armen omhoog en je gezicht tegen de muur. !” riep Johan en sprong tevoorschijn met het pistool in de aanslag. “En nu snel! Ik tel tot drie en schiet bij  twee! Een…”

Grote nam geen risico en deed wat Johan van hem verlangde.

Barend kwam overeind en wilde Grote te lijf gaan.

“Stop!” riep Johan. “Dat heeft geen enkele zin. Pak liever die sleutelbos die daar op de grond ligt en bevrijd jezelf van die kettingen met die steen eraan.”

Barend kwam tot bedaren.

“Sorry. Je hebt gelijk.”

Hij pakte de sleutelbos en begon de juiste sleutel te zoeken.

Onderwijl keek hij even naar Johan.

“Fantastisch trouwens dat je me te hulp bent gekomen.”

“Dat spreekt vanzelf,” zei Johan alleen maar en gaf met zijn pistool aan dat Grote de kerker in moest gaan..

“En neem die voddenbaal ook mee,” zei Johan en wees op Bril, die nog steeds buiten westen op de grond lag.

Barend, die zich inmiddels van de steen ontdaan had, sloot de deur van de kerker achter hen en deed die op slot.

“Laten we maken dat we weg komen,” zei Johan.

“Dacht je dat ik nog wat wou blijven dan?” vroeg Barend narrig.

Johan reageerde niet en luisterde bezorgd naar geluiden die uit de richting van de keuken kwamen.

“Volgens mij hebben ze die kok gevonden en die zal ze natuurlijk meteen hierheen sturen.”

“Gauw de andere kant op, naar boven,” zei Barend. “Ik weet ongeveer de weg want zo hebben ze me ook hierheen gebracht.”

Zo snel ze konden renden ze de trap op en Johan zag bezorgd hoe moeizaam dat bij Barend ging.

Boven aan de tweede trap struikelde Barend en bleef liggen.

“Kom op nou,” zei Johan ongeduldig.

“Ik kan niet meer,” hijgde Barend. “Ik heb daarnet teveel van mijn krachten gevergd.”

Johan hoorde boven ook mensen aankomen.

Als deze lieden nu de trap af zouden komen, waren ze verloren.

Er zat maar een ding op: hij moest ze boven zien tegen houden.

“Blijf liggen en rust even uit,” commandeerde hij Barend.

Johan vloog omhoog en schoot zonder waarschuwing rakelings over de aankomende belagers heen.

Deze deinsden geschrokken terug en waren volslagen in verwarring omdat ze niet wisten waar het schot vandaan kwam.

Van die verwarring moet ik gebruik maken, dacht Johan en snelde weer naar beneden.

Hij duwde Barend, die inmiddels overeind gekomen was, een zijgang in.

Ondertussen kwamen de kok en consorten de trap opgerend.

Opeens kreeg Johan een duivels plan.

Hij loste een schot vlak voor het moment dat de schurken boven en beneden elkaar konden zien.

Hij rende de gang weer in en hoorde tot zijn genoegen hoe ze nu elkaar begonnen te beschieten.

Weer een paar seconden gewonnen, dacht Johan, terwijl hij de voort zwoegende Barend inhaalde.     

Deze hield halt om na te denken.

“Hier moeten we weer de trap af,” besliste hij.

En voort ging het weer tot ze bij een deur kwamen die toegang gaf tot de tuin.

“De kust is vrij,” zei Johan die zijn hoofd om de deur had gestoken.

Ze renden over een paadje in de richting van een stal.

Ze moesten opschieten want de poort die toegang verschafte tot de tuin van het Arendsnest, ging al open.

Net op tijd waren ze in de stal, waar de aanwezige paarden onrustig snoven.

Het groepje dat de tuin in kwam had de schoten zeker gehoord want het ging behoedzaam met getrokken pistool het Arendsnest binnen.

Johan bekeek de stal en zijn blik viel op een koetsje.

“Weet jij hoe je een paard voor de wagen moet spannen?” vroeg hij aan Barend.

“Ja hoor. Met zijn kop naar voren,” antwoordde deze. “Maar is het niet veel beter om

gewoon op het paard te gaan zitten. Dan zijn we veel sneller.”

“Ik heb nog nooit op een paard gezeten,” bekende Johan.

Barend verloor geen seconde en had al snel twee paarden voor het koetsje gespannen.

Johan probeerde ondertussen vergeefs om een idee te krijgen waar de vijand zich bevond.

Maar dat was vanuit hun positie heel moeilijk te bepalen.

“We moeten het er maar op wagen en er het beste van hopen,” zei Johan. “Als ik ‘ja’ zeg, gooi ik de deuren open en zet jij dat geval in beweging. Ik spring er dan wel op als je langsrijdt.”

Een ogenblik van gespannen rust volgde tot Johan  plotseling ‘ja’ brulde en de deuren van de stal opengooide.

Het koetsje met de paarden zette zich in beweging en Johan sprong lenig op de bok naast Barend.

Beiden durfden er niet aan te denken wat er zou gebeuren als er zich iemand op het terrein zou bevinden.

Maar het geluk was met hen.

Ongehinderd bereikten ze de toegangspoort en even later reden ze de vrijheid tegemoet.

Hun vlucht was echter niet onopgemerkt gebleven en spoedig werd de achtervolging ingezet met voertuigen die over meer pk’s beschikten dan die twee waar Johan en Barend het mee moesten doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.