Drie mensen sjokten moeizaam door de schemerige gangen in de catacomben van het Arendsnest.
De eerste omdat hij de handen in de nek moest houden en wist dat er een pistool op hem gericht was.
De tweede, die een kapotte bril op de neus droeg, omdat het linkerbeen protesteerde.
En de derde in de rij omdat het gevoel in zijn hoofd, ingepakt in verband, alle verschijnselen vertoonde die bij een gemiddelde hersenschudding horen.
Bril opende een zware deur en sommeerde Barend een naargeestige ruimte in te gaan die deed denken aan de martelkamer van een middeleeuws kasteel.
Zwijgend werd hij met polsklemmen vastgemaakt aan twee kettingen die aan een steen in de muur bevestigd waren.
“Dit is tegen alle regels van de internationale wetgeving,” baste Barend en keek Bril uitdagend aan.
“Wetten worden gemaakt door overwinnaars en dat zijn wij,” smaalde Bril en keek Barend vanachter zijn beschadigde brillenglazen venijnig aan. “Alhoewel, hier is een verliezer die je nog even wil spreken.”
Hij deed een stap opzij en Barend keek tegen een bundel verband aan, waarachter zich een hoofd bevond.
“Ken je me nog?” vroeg de bundel.
Barend voelde de dreiging die van de verbonden spierbundel uitging maar kon het niet laten hem te tergen.
“Je doet me wel aan iemand denken maar dat was iemand die er uit zag alsof hij de hele wereld aan kon en dat kan ik van jou bepaald niet zeggen.
Een grote knuist greep Barend bij zijn trui en dit gebeurde zo plotseling en krachtig dat deze zichtbaar schrok.
“Mijn kaak is gebroken maar mijn vuisten zijn nog in orde, zoals je wel zult merken als we je aan een verhoor zullen onderwerpen.”
“Een verhoor? Wat willen jullie horen dan? Hoe het komt dat twee pummels uit de provincie gehakt van jullie gemaakt hebben? Is jullie machtige organisatie bang voor die ene stumper die nog vrij rondloopt? Of wil je op deze laffe manier wraak nemen omdat je het in een eerlijk gevecht niet winnen kan? Maak me los als je durft en ik zal je opnieuw verpletteren.”
Grote wilde uithalen voor een vuistslag maar Bril kwam tussenbeide.
“Niet doen! Eerst moeten we weten of ze die andere al te grazen hebben en wat de baas precies wil. Jouw tijd komt heus nog wel.”
De twee sloten de deur achter zich en Barend liet alle stoerigheid varen.
Hij overdacht de situatie waarin hij zich bevond.
Als Johan werkelijk ontsnapt was en meteen hulp zou halen, had hij nog een kans.
Maar dan moest hij wel snel wezen want dat beloofde verhoor zou wel niet lang op zich laten wachten…

 

“Wat er aan de hand is!” brulde Johan woedend. “Ben je nou zo gek of doe je maar alsof! Mijn oom is gepakt door die rotbende van jou. Moet ik nou blij zijn omdat wij niet gepakt zijn en ik hier deze spullen uit de kluis heb?”
“Nou ja,” pruttelde Wilhelm. “Ik begrijp wel dat je een beetje overstuur bent vanwege je oom en mijn blijdschap over de geslaagde kraak is in jouw ogen natuurlijk een beetje ongepast. Maar ja, jullie wisten van tevoren waar je aan zou beginnen en…”
“We wisten van tevoren waar we aan zouden beginnen?!”
Johan ontplofte bijna.
“Jij hebt ons die hele onderneming voorgespiegeld als een vakantietripje! Er kon niets gebeuren als we maar stil zouden zijn want volgens jou was het Arendsnest bijna leeg en verlaten om deze tijd. Nou, ik zal je vertellen: als we een gang door wilden gaan, moesten we eerst wachten totdat de files opgelost waren. En als je een deur open trok, kwam er meteen een zooitje tuig achter tevoorschijn. Als die deur al niet vanzelf opengedaan werd, tenminste.
Het mag nog een godswonder genoemd worden dat we die kluis sowieso nog bereikt hebben. En dat ik hier dan zit, is echt niet te danken aan jouw voortreffelijke plannetje. Maar omdat er stomtoevallig een klimop onder het raam groeide die net sterk genoeg was om mij mijn nek niet te laten breken. En dat ik niet doorzeefd ben met kogels, komt ook niet omdat jij een veilige vluchtweg voor me uitgestippeld hebt maar omdat die revolverheld daarboven in het donker nog geen olifant van een muis kon onderscheiden!”
Johan was buiten zichzelf van woede en had zin om zich af te reageren op de verschrikte tronie van Wilhelm.
Zijn vuisten jeukten maar hij hield zich in en smeet toen maar het pakketje uit de kluis tegen de wand van de grot.
“Rustig nou,” probeerde Wilhelm Johan te kalmeren. “Dit is gebeurd en gedane zaken nemen geen keer. Het gaat er nu om wat we moeten doen om alles toch nog goed te laten aflopen.”
“En jij hebt dan zeker weer een van die geniale plannetjes waar ik dan weer met open ogen in kan lopen,” smaalde Johan.
“Nee, helemaal geen geniaal plannetje. We moeten zo snel mogelijk naar de politie gaan om hulp te halen. Eenvoudiger kan het niet.”
Johan dacht na.
Allerlei gedachten flitsten door zijn hoofd maar één gedachte kwam telkens weer terug.
“Ga jij alvast naar de politie. Ik ga kijken of ik Barend kan bevrijden.”
“Je lijkt wel niet goed wijs! Als je het nou over een slecht plannetje hebt, dan is dat er wel eentje.”
“Misschien minder dan je denkt. Jouw plan was gebaseerd op een verrassingstechniek. Niemand zou ons verwachten, waardoor we onze gang zouden kunnen gaan. Nou, ik denk niet dat er een verstandig denkende schurk is die verwacht dat ik zo gek ben om opnieuw het Arendsnest binnen te gaan. En daar moet ik het dan van hebben.”
Wilhelm dacht even na en haalde tot Johans verbazing een revolver tevoorschijn.
Even dacht hij dat hij onder schot genomen zou worden maar Wilhelm overhandigde hem het wapen alleen maar.
Johan pakte het aan en keek ernaar.
“Waarom geef je me dat nu pas? Dat had ik eerder moeten hebben.”
“Ik was bang dat je het te snel zou gebruiken en dat je zo jullie aanwezigheid zou verraden.”
“Ja ja, ik weet het,” mopperde Johan. “Verrassingstechniek. Maar ja, zoals je zegt: gedane zaken nemen geen keer.”
Johan pakte het pakketje uit de kluis van de grond en wilde het weer in zijn binnenzak stoppen.
“Je kunt dat pakketje beter aan mij geven,” zei Wilhelm en stak zijn hand al uit.
“Waarom?” vroeg Johan argwanend.
“Ik kan toch niet met lege handen bij de politie aankomen. Ik moet toch iets kunnen laten zien.”
“Wie geeft me de garantie dat je echt naar de politie gaat?”
“Als ik kwaad had gewild, had ik je toch gewoon neergeschoten in plaats van je mijn revolver te geven.”
Johan moest toegeven dat daar wel enige logica inzat maar het beviel hem toch niet en dat merkte Wilhelm ook.
“Luister,” sprak hij op zalvende toon. “Ik kan me voorstellen dat je me niet mag. Maar ik van mijn kant heb mijn leven aan jullie te danken. En met dat pakketje dat jij in je binnenzak wilt stoppen heb ik nog een kans op een toekomst. Dat zijn dus twee redenen voor mij om naar de politie te gaan.”
Johan gaf hem het pakketje en ze keken elkaar in de ogen.
Hij mocht Wilhelm inderdaad niet maar echt een hekel had hij ook niet aan hem.
Hij zag er eigenlijk heel menselijk uit, zoals hij nu keek.
“Ik geef je nog een tip, Johan. Als het op schieten aankomt: zorg dat je de eerste bent en schiet raak. Zij doen niet aan waarschuwingsschoten of zo. En wat je ook van me denken mag: ik hoop echt dat het je lukt om Barend te bevrijden. Ik van mijn kant probeer zo snel mogelijk de politie in te schakelen.”
Wilhelm stak zijn hand uit.
“Wees voorzichtig.”
Johan aarzelde even maar besloot toen toch maar de hem toegestoken hand te drukken.
“Zorg jij nu maar dat je inderdaad zo snel mogelijk de politie waarschuwt.”
“Dat beloof ik. En nogmaals: wees voorzichtig.”
Johan draaide zich abrupt om en spoedde zich terug naar het Arendsnest voor hem de moed helemaal in de schoenen gezakt zou zijn.

 

Een kat in het nauw maakt rare sprongen.
Zo was het ook met Barend.
Tegen beter weten in bestudeerde hij de steen waaraan hij met kettingen bevestigd was.
Er zat enige beweging in maar hij wist donders goed dat je welhaast een trekpaard nodig had om daar profijt van te kunnen hebben.
Maar, zoals gezegd: een kat in het nauw maakt rare sprongen.
Barend probeerde op welke manier hij het meeste kracht kon zetten.
Uiteindelijk had hij de juiste houding gevonden.
Hij draaide zich met zijn gezicht naar de muur, pakte met zijn grote handen de ketting beet, zette zijn voeten tegen de muur en begon in een stevig ritme aan de geketende steen te trekken.
Na twintig ‘rukken’ hield hij halt en bekeek het resultaat..
Leek het nou zo of was de steen inderdaad iets verschoven?
Hij besloot door te gaan maar nu met iets meer inzet.
Hij was dan ook enigszins buiten adem toen hij, zonder al te veel hoop, voor de tweede keer keek.
Het was bijna niet te geloven maar je zou zweren dat de steen iets naar voren was gekomen.
Barend leunde even met zijn rug tegen de muur om na te denken en uit te rusten.
Doorgaan had weinig zin eigenlijk.
Maar ja, wat dan?
Afwachten met de zenuwen in zijn lijf voor wat er komen ging?
Plotseling brulde hij een vreselijke vloek door de lege kerker.
Een machteloze woede maakte zich van hem meester.
Angst maakte plaats voor agressie die een uitweg zocht.
Hij draaide zich weer om naar die ellendige steen die hem zijn vrijheid ontnam.
Wat dachten ze hier eigenlijk wel in dat achterlijke Arendsnest?
Dat hij braaf zou wachten tot ze hem in elkaar zouden slaan?
Dat nooit!
Dan maar jezelf volledig uitputten tot je niet meer kon, dan voelde je de klappen die zouden volgen ook niet zo erg.
Barend vertrok zijn gezicht tot een grimas, telde tot drie en scheurde uit alle macht aan de ketting.
Het ging minder gecoördineerd dan daarnet maar wel met de kracht van iemand die, met de moed der wanhoop, bereid is om tot het uiterste te gaan.
En kracht had Barend!
De spierbundels groeiden onder het vet, de aders zwollen op om het bloed van het op volle kracht pompende hart door het kolossale lichaam te jagen, zweet gutste uit de poriën
De explosie van kracht kwam abrupt tot een einde omdat Barend gewoon niet meer kon.
Hij keek met ogen, die verdwaasd in zijn knalrood aangelopen hoofd stonden, naar de steen die weer iets naar voren was gekomen.
Hijgend van inspanning berekende hij zijn kansen en hij begon zowaar te geloven in een goede afloop.
Nou niet meteen verder gaan.
Eerst op krachten komen en geen energie verspillen.
Het kostte moeite maar hij gunde zijn lichaam de tijd om te herstellen.
Vol goede moed bond hij de ongelijke strijd tegen de materie weer aan.
Maar, ongelijk of niet, de steen verloor terrein, zoals Barend tijdens de volgende pauze constateerde.
Jammer alleen dat zijn krachten ook terrein verloren.
Hoewel de steen tijdens de volgende trek- en scheur sessie nu echt begon mee te geven, kon Barend het niet meer opbrengen om door te gaan.
Als een verlepte harlekijn bungelde hij aan de kettingen.
Verdwaasd keek hij naar de steen.
Dit was nou echt wat je noemt: verdrinken in het zicht van de haven.
Nog even en hij zou het voor elkaar gekregen hebben, ware het niet dat hij de controle over zijn lichaam verloren leek te hebben.
Of zou hij nog één keer?
De wil was er wel.
Hij haalde een paar maal diep adem, probeerde zijn geteisterde lichaam te ontspannen en zijn hersens op nul te zetten.
Zo stond hij een paar minuten in doodse stilte om dan plotseling nog één keer alles te geven wat hij bezat.
Dit was geen explosie van kracht meer, maar een eruptie van geweld!
Onverwacht gaf de steen mee, een gat in de muur achterlatend en bijna één in Barends schedeldak toen deze het rakelings passeerde.
Maar Barend besefte dat al niet meer.
De steen en hijzelf lagen doodstil naast elkaar op de kale, koude vloer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.