Het was al weer de derde dag van hun verblijf in Luxemburg, bedacht Barend zich.
Hij zat op het kleine balkon van het hotelletje dat ze genomen hadden in een heerlijk najaarszonnetje en bladerde lui door een paar tijdschriften.
Johan was ook deze dag druk bezig, om met de weinige informatie die hij bezat, de verblijfplaats van de voortvluchtigen te vinden.
Het interesseerde Barend eigenlijk niet zo bijzonder meer.
Hij nam nog een slok bier en blies tevreden kleine rookwolkjes uit zijn pijp de sfeervolle omgeving in.
Hij genoot ervan om er een paar dagen helemaal uit te zijn.
En, hoewel hij Johans jeugdig enthousiasme af en toe knap vervelend vond, hij moest toegeven dat ze het af en toe ook heel gezellig met elkaar hadden.
Johan wisselde zijn speurtochten af met vakantie houden en Barend wisselde niets af; hij hield gewoon vakantie.
Hij was dan ook onaangenaam verrast toen Johan plotseling binnenstapte met de mededeling dat hij het Arendsnest gevonden had.
“En weet je nou waarom ik het eerst niet kon vinden?” voegde hij er aan toe.
“Nee,” antwoordde Barend zonder enthousiasme.
“Omdat ik de hele tijd gezocht heb naar een oud kasteel,” verklaarde Johan. “En het is helemaal geen oud kasteel. Het is een buitenhuis dat gebouwd is op de plaats waar vroeger een kasteel gestaan heeft.”
“En wat doet jou tot de conclusie komen dat dat het Arendsnest is?”
“Nou, om te beginnen heet het zo en ten tweede ligt het heel geïsoleerd dus ideaal voor allerlei stiekeme praktijken.”
“Nou, je hebt mij nog niet overtuigd, hoor,” bromde Barend, die sowieso geen enkele zin had om zich te laten overtuigen.
Johan haalde daarop met de kalme zekerheid van iemand die weet dat hij gelijk heeft, een plattegrond tevoorschijn en lichtte zijn ontdekking toe.
Barend keek somber voor zich uit.
Hij ergerde zich aan Johans zelfverzekerde houding en het vervelende was dat hij waarschijnlijk nog gelijk had ook.
“Oké,” zei Barend. “Je hebt me helemaal overtuigd en wat gaan we nu doen?”
Even was het stil.
“Ja,” ging Barend verder. “Want daar hebben we het nog niet over gehad, hè. Want echt bewijsmateriaal waar de politie mee uit de voeten kan, hebben we nog niet. Zij willen keiharde feiten en geen halfzacht vermoedentje waar wij mee aankomen. Deze informatie levert ons echt niet die grote beloning op waar jij het over had.”
“Je hebt gelijk,” gaf Johan toe. “En daarom stel ik voor om poolshoogte te gaan nemen in het dichtstbijzijnde dorpje dat daar is. Als we ons onopvallend onder de dorpsbewoners begeven, komen we misschien meer te weten over het reilen en zeilen van die schurken. En wie weet: misschien kunnen we aan de hand daarvan een plan bedenken.”
Daar had Barend niet zoveel moeite mee.
Als je je onopvallend onder de dorpsbewoners wilde begeven om aan inlichtingen te komen, zou je toch wel in het plaatselijke café terechtkomen.
En zo gebeurde het ook.
Alleen was het niet het type ‘gemoedelijke dorpsbewoner’ dat ze in de enige kroeg van het dorp ontmoetten.
De buitenkant van het etablissement leek dan wel, met zijn uit vakwerk opgetrokken muren, regelrecht uit een sprookjesfilm te komen en ook het interieur stelde wat dat betreft niet teleur.
Maar wat te denken van vier ongunstige types die het niet gek zouden doen in een goedkope gangsterfilm?
De vier leunden met hun rug tegen de bar en hielden hun onbetrouwbare tronies gericht op de deur, zodat Johan en Barend bij het binnenkomen het gevoel kregen door een executiepeloton verwelkomd te worden.
“Lekkere tent heb je uitgezocht,” bromde Barend.
“Weet jij iets beters dan?”
“Ja: wegwezen. Zie je niet hoe ze ons aankijken?”
“Ach, in zo’n dorpje waar iedereen iedereen kent, zijn ze natuurlijk een beetje wantrouwend als er vreemdelingen binnenkomen.”
Johan trok een vriendelijk gezicht en richtte zich tot het ontvangstcomité.
“Een goede middag samen.”
Er kwam geen enkele reactie.
De vier bleven strak voor zich uitkijken, ook toen Johan en Barend zich enigszins ongemakkelijk naar de tap begaven.
Barend keek nog eens achter zich om te kijken wat er nou toch aan die deur te zien was waar ze zo naar staarden maar kon niets ontdekken.
Johan had zich ondertussen tot de nerveuze herbergier gericht en bestelde twee pilsjes.
Hij kon ze krijgen maar het ging niet van harte.
Hij moest meteen betalen en er werd hem min of meer te verstaan gegeven dat ze na het nuttigen daarvan, maar beter direct konden opstappen.
“Er hangt onweer in de lucht,” voegde de herbergier er veelbetekenend aan toe.
“Hoe bedoelt u?” vroeg Johan.
“Vat het op zoals je wilt, maar ik zeg je dat je beter kunt vertrekken.”
De herbergier keerde zich van hem af en begon zenuwachtig enige glazen om te spoelen.
Johan en Barend nipten zwijgend van hun biertje en voelden er veel voor om inderdaad maar op te stappen.
Helaas voor hen raakten drie van de vier klaarblijkelijk uitgekeken op de deur.
Een van de drie, de grootste, die alleen maar uit spierbundels leek te bestaan, bestelde een pilsje.
Hij botste daarbij opzettelijk tegen Johan, die een gedeelte van zijn pils over de rand van zijn glas zag klotsen.
De twee anderen, waarvan een de veelbetekenende tekst ‘ kill’ op zijn T-shirt had staan, meldden zich bij Barend.
Johan en Barend probeerden te doen alsof er niets aan de hand was, maar dat viel moeilijk vol te houden.
‘Kill’ prikte Barend provocerend in de buik.
“Wat is hij groot, hè. Zou hij ook zo sterk zijn als hij eruit ziet?”
Zijn maat kneep even gemeen in Barends arm.
“Een hoop vet, hoor,” oordeelde hij misprijzend.
“Deze hier lijkt me helemaal niets waard,” lachte de grote en gaf Johan een paar ‘schouderklopjes’ die zo hard aankwamen dat de rest van het bier nu ook uit Johans glas klotste.
Het begon er somber uit te zien maar er kwam hulp van onverwachte kant.
Een van de vier, die al die tijd wél naar de deur was blijven kijken, zag door zijn dikke hoornen bril iemand naar binnen komen.
”Daar is hij, mannen! Grijp hem!” riep hij.
De drie die bij Johan en Barend stonden, stormden naar voren en grepen de binnenkomer bij de lurven.
De brildrager, die blijkbaar de leider van het groepje was, wandelde kalm naar de in het zwart geklede heer, die stevig vastgehouden werd.
Barend haalde opgelucht adem en pakte Johan bij de arm.
“Kom op, laten we hem smeren nu het nog kan.”
“Maar die man ken ik,” sputterde Johan tegen. “Dat is die doodgraver uit het huis waar je die doodskisten maakte.”
“Dat is een van die schurken, ja. Laat ze elkaar maar afmaken. Dat is beter dan dat ze ons te grazen nemen. Dit is menens, hoor. Dit zijn geen padvinders. Kom op!”
Barend begon Johan mee te trekken naar een deur, waarachter de herbergier inmiddels al verdwenen was.
Johan schudde zich los.
“Heel even wachten.”
Duidelijk was de angst in de ogen van de doodgraver af te lezen.
De ‘bril’ gaf de weerloze man een klap in het gezicht.
“Zo, die heb je verdiend met dat slappe gedoe van je. Het is uit met ons geduld. Van jou hebben we meer last dan gemak.”
De doodgraver kreeg een tweede klap en werd hardhandig afgevoerd.
“Ze zullen hem vermoorden!” riep Johan ontsteld.
“Nou en? Liever hij dan wij. Kom op!”
Johan keek vol ongeloof naar wat er gebeurde.
Zoiets had hij nog nooit meegemaakt en in een opwelling pakte hij een barkruk en snelde naar het groepje toe.
Een van de vier keek om en zag nog net hoe de barkruk met een enorme vaart op de hersenpan van zijn collega terechtkwam.
Die zakte daarop ogenblikkelijk in elkaar.
De ander reageerde daarop door uit te halen naar Johan.
Deze wist de klap handig te ontwijken en bracht de barkruk in stelling voor een nieuwe dreun.
Maar daar zou hij niet meer aan toe komen.
De ‘grote’ had de doodgraver intussen met een enorme mep bewusteloos geslagen, zodat hij zich nu op Johan kon richten.
Hij greep hem vast en slingerde hem naar ‘Kill’.
Deze deed hem van achteren in een soort nekklem, zodat Johan geen kant meer op kon.
“Bril’, die zag dat de doodgraver uitgeteld was, liep dreigend op Johan toe.
“Waar bemoei jij je mee, snotaap? Wou je soms ook kapot? Nou, dat kan!”
‘Bril’ haalde uit voor een klap in het gezicht van Johan, maar kwam onderweg de arm van Barend tegen.
Deze had zich dan ook maar in de strijd gemengd.
Hij trok de arm van ‘Bril’ naar zich toe, zodat het daarbij behorende lichaam meekwam.
Vervolgens deed hij zijn knie omhoog en drukte daar hardhandig het hoofd van ‘Bril’ op.
Deze zakte geluidloos in elkaar.
Alleen het kapot vallen van zijn bril op de stenen vloer was te horen.
Johan wist intussen zover voorover te buigen dat ‘Kill’, die hem nog steeds van achteren in een nekklem hield, langzaam maar zeker opgetild werd.
Tenslotte viel hij over Johan heen op de grond en had losgelaten.
Johan sprong meteen boven op hem en begon er op los te rammen.
‘Grote’ keek eens om zich heen.
De doodgraver lag nog steeds bewusteloos, dat kon geen kwaad, twee collega’s waren uitgeschakeld, één door een barkruk en één door het betere handwerk, ‘Kill’ had intussen Johan van zich afgewerkt en was een goed vechter dus die zou het wel redden.
Doel was dus om die andere uit te schakelen.
Op een bepaalde manier verheugde hij zich daar wel op.
Hij had tot nu toe, met zijn enorme sterke lichaam, nog maar weinig echte tegenstand meegemaakt tijdens vechtpartijen.
De tegenstander die hij nu zag, leek er wel eentje van zijn eigen kaliber.
Hij was dan wel ouder en dikker dan hij zelf, een beetje vergane glorie zou je kunnen zeggen, maar hij kon aan alles merken dat hij in zijn jonge jaren een goede vechter geweest moest zijn.
Dat beloofde dus een mooie strijd te worden.
Barend keek heel anders tegen de situatie aan.
Niets geen uitzicht op een mooie strijd.
Hij voelde verdraaid goed aan dat hij eigenlijk te oud en te dik geworden was om deze goedgetrainde vechtmachine uit te kunnen schakelen.
Langzaam naderden de kolossen elkaar totdat ze binnen elkaars handbereik waren.
Bij Johan en Kill ging het juist om snelheid.
De beide tegenstanders probeerden elkaar af te troeven met allerlei vechttechnieken die op snelheid gebaseerd waren.
Kill had zich danig vergist in zijn tegenstander.
Hij had gedacht deze ‘mooie jongen’, dit doetje, wel even alle hoeken van de zaak te laten zien.
Maar wat hij niet wist, was, dat Johan, hoewel hij nooit op straat vocht, de beste was van zijn karateclub, waar hij twee keer in de week trainde.
Grote pakte Barend bij zijn trui.
“Een beetje vet geworden, ouwe?”
“Handen thuis, maatje!”
Barend greep de arm die zijn trui vasthield en begon deze opzij te duwen.
Grote duwde uit alle macht terug maar moest tot zijn ongenoegen toegeven dat Barend sterker was.
Zijn arm werd langzaam maar zeker opzij geduwd.
Het gaf Barend in ieder geval weer een beetje moed.
Hij wilde zelfs al tot een echte aanval overgaan maar Grote was hem voor.
Plotseling gaf hij mee, de arm ging helemaal naar opzij en Barend, die bij het armdrukken ook een beetje zijn lichaam gebruikte, verloor daarbij zijn evenwicht.
Hij kreeg nog een duw na en viel bijna op de grond.
Hij draaide zich zo snel als hij kon om, klaar om een eventuele aanval af te slaan.
Maar Grote keek hem alleen maar spottend aan, zijn handen nota bene provocerend in zijn broekzakken houdend.
Barend voelde zich vernederd en zijn angst sloeg om in boosheid.
“Pas op dat je niet overmoedig wordt, salonworstelaar! Ik heb in het verleden wel meer omhooggevallen blaaskaken tegen de grond geslagen!”
Barend stormde naar voren en haalde een paar keer flink uit.
Maar elke maai met zijn arm werd vakkundig afgeweerd of ontweken en Grote vond zelfs nog de tijd en de rust om hem tussendoor te jennen.
“Dat was vroeger, opa…Je leeft in het verleden, fossiel…Wanneer ga je nou eens serieus vechten?”
Barend brieste van woede en verloor het laatste restje voorzichtigheid.
Hij kreeg een dreun tegen zijn hoofd, voelde bij het achteruitstappen hoe zijn linkerbeen onderuit geschopt werd en viel vervolgens zwaar op de grond.
Grote gaf Barend alle tijd om overeind te krabbelen.
“Je bent wel sterk maar je mist snelheid, ouwe.”
Johan was het gelukkig beter vergaan dan Barend tot nu toe.
Hij had Kill door middel van allerlei schijnbewegingen in een hoek weten te drijven zodat hij niet verder naar achteren kon en had toen toegeslagen, of liever gezegd: toegetrapt.
Hij haalde uit voor een slag op het gezicht.
Kill begon al af te weren en had daardoor te laat in de gaten dat Johans rechtervoet richting buik ging, zodat deze zonder al te veel problemen doel kon treffen.
Een korte droge tik op de slaap maakte het karwei af.
Daarna had Johan het laatste deel van de strijd tussen de twee giganten gevolgd en gezien dat Barend wel wat hulp kon gebruiken.
De laatste stond inmiddels weer overeind en keek woedend in het spottende gezicht van Grote.
Johan kende de kracht van Barends vuisten.
Hij was in zijn kindertijd eens mee geweest naar een bokswedstrijd op een kermis waarin Barend een tegenstander van naam met een paar mokerslagen knock-out had geslagen.
Johan sloop tot twee meter achter Grote en riep plotseling: “Hé, aangeklede waslijn!”
Er gebeurde waar Barend, die Johan wél had zien gaan, op hoopte.
Grote keek geschrokken achterom.
Barend legde al zijn frustraties over het gevecht tot nu toe, in een allesvernietigende uithaal, die dreunend op de kaak van zijn tegenstander terechtkwam.
Johan schrok er zelfs van.
Hij meende het kraken van kaken te horen maar dat wist hij niet helemaal zeker.
Duidelijk was in ieder geval dat Grote uitgevochten was.
Barend keek neer op de gevelde krachtpatser, wreef over zijn vuist en richtte zich tot Johan.
“Bedankt voor je hulp. Ik denk niet dat ik het anders gered zou hebben. Maar laten we nu gaan. Dit lukt ons geen tweede keer. Zeker niet als ze hun smerige vriendjes gaan halen.”
Ze liepen naar de deur en ontdekten dat het bewusteloze lichaam van de doodgraver inmiddels verdwenen was.
“Die is natuurlijk bijgekomen toen wij bezig waren en ‘m gesmeerd,” veronderstelde Johan.
“Nog geen bedankje kon ervan af,” bromde Barend.
Ze bleven er niet te lang bij stilstaan en reden even later het parkeerplaatsje af, de weg op.
Plotseling dook de doodgraver, zwaaiend met zijn armen, pal vóór hen, uit de struiken op.
Johan trapte krachtig op de rem, waarbij Barend zijn hoofd tegen de voorruit stootte.
De doodgraver probeerde de deur van de auto open te maken.
“Snel! Laat me erin! Snel dan toch!”
Barend knikte met zijn hoofd naar het gevulde sportwagentje.
“Jij maakt grapjes. Waar wou je zitten dan?”
Johan zag de verschrikte ogen.
“Kruip er maar bij,” zei hij, welk advies de doodgraver ogenblikkelijk opvolgde.
Hij vond moeizaam een plekje achterin.
“Waar wou u naar toe?” vroeg Johan.
“Maakt niet uit,” antwoordde de doodgraver, achterom kijkend naar het café waar ze zonet hun hachelijke avontuur beleefd hadden. “Als je niet snel bent, hoef je nergens meer naar toe.”
Johan gaf daarop vol gas en de trouwe MG deed wat van hem verwacht werd: wegwezen!

Reacties mogelijk in het gastenboek.