Een keurig heertje rijdt in een keurig autootje door het winkelcentrum van een keurige buitenwijk op zoek naar een parkeerplaats.
Hij is niet de enige en hier en daar liggen auto’s op de loer, klaar om een vrijkomende parkeerruimte te bezetten.
Liever had het heertje de auto, net als vroeger, een paar honderd meter buiten het centrum gestationneerd maar na de laatste hartaanval mag hij zich van de dokter niet meer inspannen.
Zijn twee boodschappentassen heeft hij vervangen door één tas op wieltjes.
Zijn carrière, van Amsterdams straatschoffie tot gerespecteerde docent aan de universiteit, heeft zijn tol geëist.
Glimlachend denkt hij terug aan alles wat hij in zijn jonge jaren heeft uitgevreten in de oude buurten van Amsterdam.
Toch haalt hij de meeste voldoening uit de periode daarna: zijn gezin, zijn werk en zijn vele hobby’s.
En nu is hij dan versleten en afgedankt als een oude auto die zich niet meer kan meten met de nieuwere exemplaren.
Plotseling ziet hij een vrijkomende parkeerplaats.
Snel draait hij zijn  auto erin en ziet daardoor te laat dat hij de plaats inpikt van iemand anders die aan de overkant op deze plek aan het wachten was.
Hij neemt zich voor om zijn excuses aan te bieden als de auto daar straks nog staat.
Desnoods zal hij de man de plek alsnog aanbieden.
Hij voelt weer die zeurderige pijn in zijn linkerarm opkomen.
Voorzichtig stapt hij uit en kijkt onverwacht in de boze tronie van de gepasseerde automobilist.
Deze heeft zijn auto laten staan om verhaal te halen en alsnog zijn plek op te eisen.
En zo staan ze dan tegenover elkaar.
Een kwetsbaar heertje dat duidelijk zijn beste tijd gehad heeft en een grote getatoeëerde aap in de kracht van zijn leven.
Het heertje komt niet eens toe aan zijn voorgenomen excuses daar de aap zich op grove toon afvraagt waarom iemand die toch al met één been in zijn graf staat niet de tijd kan opbrengen om op zijn beurt te wachten net als ieder ander.
Eén ogenblik lijkt het erop alsof het heertje ter plekke in elkaar zal zakken.
Hij begint te zweten en te trillen en de pijn in zijn linkerarm neemt toe.
Dan vermant hij zich en vertelt zíjn kant van de zaak.
Na een enigszins aarzelend begin praat hij steeds sneller en overtuigender waarbij ook volume en klankkleur veranderen.
Steeds luider en sneller gaat het en in onvervalst plat Amsterdams gooit het ontketende heertje er de meest gore, grove, gemene en ook originele verwensingen uit die hij blijkbaar ergens in de krochten van zijn hersenen opgeslagen heeft.
Als hij plotseling stilvalt, krijgt hij van het inmiddels verzamelde winkelpubliek nog net geen applaus en de getatoeëerde aap kijkt hem alleen maar stomverbaasd aan.
Het heertje pakt zijn tas op wieltjes, wenst iedereen op keurige toon een “goede middag” en verdwijnt zonder op of om te kijken richting winkels.
Op zijn gezicht gloort een branieachtige grijns van oor tot oor.

Reacties mogelijk in het gastenboek.