Waarin we afscheid nemen van Pandoeris die nog steeds niet weet wat de toekomst hem brengen zal, maar die wél het verleden definitief achter zich laat.

De volgende dag ontmoette Pandoeris inderdaad de vervoerdersvrouw.
Ze omhelsde hem zó stevig dat Pandoeris bijna stikte.
Huilend vertelde ze hem van de brand en de ellende daarna.
Ze raakten steeds meer klanten kwijt omdat ze geen fatsoenlijke bedrijfswoning meer hadden.
Alle hoop was op Pandoeris gevestigd geweest.
En nu hij er weer was, zou alles weer goed komen.
Ze zou het kistje meteen meenemen om geen tijd te verliezen en hij kon ervan overtuigd zijn dat hij zo spoedig mogelijk weer van hen zou horen.
Pandoeris probeerde er nog onderuit te komen maar moest voor de tweede maal een verstikkende omhelzing ondergaan.
Dit keer ten afscheid.
Pandoeris sprak met zijn tante af dat hij bij haar zou logeren tot de vervoerder terug zou zijn en hij maakte zich verdienstelijk door het huisje helemaal op te knappen.
Eleanora wist niet wat haar overkwam en begon steeds meer tegen haar vriendinnen en familie op te scheppen wat een flinke neef ze toch had.
Het zou de moeite waard zijn om hem om te praten, om alsnog zijn tovenaarsdiploma te halen.
Desnoods op de avondschool, dan kon hij overdag gewoon zijn werk doen.
Pandoeris lachte dan maar wat en genoot van het onverwachte aanzien dat hij bij familie en kennissen had gekregen.
Elke dag ging hij bij de slager langs om te vragen of er al nieuws van de vervoerder was.
Eindelijk, na twee lange weken van wachten, overhandigde de slager hem een brief die de vervoerder gestuurd had.
Pandoeris vond het vreemd dat de vervoerder zélf niet gekomen was maar maakte wél vlug de enveloppe open en las zo snel hij kon wat er in de brief stond.
En dat was niet zo snel want ook in lezen was hij nooit zo goed geweest op school.
Daar moest hij toch eens wat aan gaan doen in de toekomst.
”Wat een rotstreek,” bromde de slager, die over Pandoeris’ schouder meegelezen had en al klaar was toen Pardoes nog niet op de helft was.
Het brandde Pandoeris op de lippen om te vragen wat de slager bedoelde met die ’rotstreek’ maar hij wilde het liever zélf lezen en verliet
snel de slagerswinkel.

Hij klom over de puinhoop van het vervoerdershuis naar het gedeelte waar nog meubeltjes stonden en begon opnieuw te lezen.
’Beste Pandoeris’ stond er.
’Wij zijn je heel dankbaar voor alles wat je voor ons gedaan hebt en zullen dit nooit vergeten.
Het kistje dat je voor ons meegenomen hebt, is inmiddels geopend en de inhoud is eerlijk verdeeld tussen mij en mijn opdrachtgever.
Hij zal nog contact met je opnemen om je persoonlijk te bedanken voor je inzet.
Wij kunnen van het geld dat we nu hebben, gaan genieten van een zorgeloze oude dag.
Jij zou, volgens onze afspraak, mijn bedrijf krijgen met alles erop en eraan, als ik weg zou gaan.
Welnu, ik houd mij aan onze afspraak en schenk je mijn bedrijfswoning en de grond waar het op staat.
Ik heb al een vervoerder opdracht gegeven om je mijn paard en wagen te bezorgen want daar heb je ook recht op.
Pandoeris, nogmaals bedankt en veel succes met je eigen bedrijf.

Met vriendelijke groet,

Jan Baas’

Pandoeris las de brief twee keer om er zeker van te zijn dat hij het goed begrepen had en keek eens om zich heen.
Ja, hij had het goed begrepen: hij was de eigenaar geworden van een regelrechte puinhoop.
Dat moet ik vieren, dacht hij en kocht van zijn allerlaatste centen een doos sigaren en een fles champagne.
Hij vulde een koffiekopje dat op de grond lag met champagne en stak een sigaar op.
Op dat moment ging de bel die het nog steeds deed.
Pandoeris opende de deur en liet de slager binnen.
”Moet je luisteren,” sprak deze. ”Ik doe je een voorstel: ik koop de grond van je voor een leuk prijsje en je kan bij mij in de winkel komen helpen als slagersknecht. Wat vind je daarvan?”
Pandoeris bood de slager een sigaar aan en werkte hem de deur uit.
”Ik zal erover nadenken,” zei hij alleen maar.
Hij ging zitten en nam een klein slokje champagne.

Hij vond het bepaald niet lekker maar je was directeur van een bedrijf of je was het niet.
Een beetje show hoorde erbij.
Hij zou zich niet laten kennen!
De bel ging voor de tweede keer.
Als het wéér die slager is dan stuur ik hem weg, dacht Pandoeris.
Hij opende de deur en zag een deftig geklede heer die hem vanuit de hoogte aankeek.
Dat is de slager niet, dacht Pandoeris, maar wie dan wel?
”Ik ben de opdrachtgever van je vroegere baas,” sprak de heer op bekakte toon. ”En ik heb weinig tijd.”
Dat komt goed uit, dacht Pandoeris en nodigde hem niet uit om binnen te komen.
”Toch wil ik je persoonlijk bedanken voor alles wat je gedaan hebt om de opdracht tot een goed einde te brengen. Dankzij jou kan ik weer leven zoals ik gewend was om te doen.”
Als hij me een hand geeft als dank, mag ik mijn vingers wel natellen of ik ze allemaal nog heb, dacht Pandoeris schamper.
”Ziehier een kleine blijk van mijn dankbaarheid,” zei de heer en overhandigde hem een houten kistje.
Hij draaide zich om en liep, zonder verder iets te zeggen, naar de gereedstaande koets.
Als er sigaren inzitten, tover ik hem gauw de kleren nog even van het lijf, dacht Pardoes.
Maar de inhoud van het kistje viel hem alles mee.
Er zaten een aantal zilverstukken in, genoeg om een tijdje van te kunnen leven.
Dat gaat de goede kant op, dacht Pandoeris en stak de sigaar, die inmiddels uitgegaan was, opnieuw aan.
De champagne liet hij verder voor wat hij was en schopte de fles naar een hoek.
De bel ging zowaar voor de derde keer!
Het wordt nog druk hier, dacht Pandoeris. Niet gek, zoveel aanloop voor een bedrijf dat nauwelijks nog bestaat.
Hij opende de deur en stond oog in oog met een prachtige jongedame.
En wát voor ogen!
Er zat zoveel diepte in, dat hij erin zou verdwalen als hij te lang zou kijken.
”Ben jij Pandoeris de tovenaarsleerling?” vroeg ze met zwoele stem.
”Eh, dat zou kunnen,” zei Pandoeris, die dat niet meer wilde zijn maar in dit geval de mogelijkheid toch maar liever even open hield.
”Is dit hele gebouw van jou?” vroeg ze bewonderend en bekeek de imposante voorgevel.
”Inderdaad,” beaamde Pandoeris zo nonchalant mogelijk.
Ze moest eens weten wat voor troep het er achter is, dacht hij.
Hij moest er dus in ieder geval voor zorgen dat ze niet binnenkwam.
”Ik kom uit het Verloren Oord,” ging ze verder. ”En volgens mijn nicht, prinses Tengeltje, ben jij precies degene die ik nodig heb.
Ze heeft me zoveel over je verteld. En van mijn oom, heer IJzervreter, hoorde ik dat je een geweldig strijder bent.”
”Ach,” zei Pandoeris bescheiden, ”Ik doe wel eens iets aan zwaardvechten.”
Waar heb ik dat toverschriftje nou ook al weer gelaten, dacht Pandoeris. Dat kan me misschien toch nog wel eens van pas komen.
”Ja, je bent beroemd gewoorden bij ons in het Verloren Oord.”
Ze lachte naar hem en Pandoeris kreeg het gevoel dat er een zwerm vlinders in zijn buik tekeer ging.
Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden.
”Luister,” vervolgde ze. ”Ik wil je niet langer ophouden. Je zult het wel druk hebben met zo’n groot bedrijf. Ik logeer in hotel ’de Brassende Leeuw’. Zouden we daar vanavond niet kunnen afspreken? Dan kan ik je op mijn gemak vertellen waarvoor ik gekomen ben.”
Ze keek Pandoeris weer aan met die prachtige ogen en hij moest zich écht inhouden om niet heel hard ’Ja natuurlijk!’ te roepen.
”Nou, vanavond zal niet gaan,” hoorde hij zichzelf zeggen.
”Maar morgenavond. Is dat ook goed?”

”Ja natuurlijk,” zei ze en glimlachte naar hem.
”Tot morgenavond dan.”
Ze knikte vriendelijk ten afscheid en Pandoeris kon zich niet herinneren dat hij ooit iemand zó mooi weg had zien lopen.
Maar toch was hij blij dat hij voor wat meer bedenktijd gezorgd had want het was plotseling tot hem doorgedrongen dat hij bijna weer in zijn oude fout was vervallen.
En het was een goed teken dat hij dat deze keer beseft had vóór het te laat was.
Hij wilde eerst de zaken goed op een rijtje zetten vóór hij zich weer in een of ander onduidelijk avontuur zou storten.
Want, of hij nu wel of niet op het verzoek van deze prachtige schoonheid zou ingaan, hij was niet meer de onbeholpen nietsnut die hij vroeger geweest was.
En of hij nu Pandoeris de tovenaarsleerling of Pandoeris de vervoerder was, of Pandoeris die het allemaal nog niet precies wist, hij wás in ieder geval iemand.
En dat gevoel is bijna het mooiste gevoel dat je kunt hebben…

Reacties mogelijk in het gastenboek.