Een kleuter die gemolken wil worden, een meisje dat een ei probeert te leggen, een jongen die achter de kippen aan zit, terwijl zijn broertje zich in de
modder wentelt en ook met de vader en moeder is het niet in orde.
Twee dagen hadden ze zich heerlijk laten verwennen.
Het oude vrouwtje sloofde zich uit tot ze er bij neerviel.
Dat gebeurde overigens regelmatig maar daar trapten Pandoeris en de kunstenaar niet meer in.
Alleen de laatste keer leek het zó echt dat ze besloten dat ze nu wel genoeg gedaan had om het weer goed te maken.
Je moest tenslotte ook niet overdrijven.
De derde dag vertrokken ze vroeg, zonder dat ze uitgezwaaid werden.
Toen ze de laatste bergrug over waren, namen ze afscheid van elkaar en ging ieder een andere kant op.
Pandoeris had er lekker het tempo in en zag zichzelf in zijn fantasie al als directeur van een groot vervoerdersbedrijf.
Hij vroeg zich alleen af hoe hij die lepel en dat bord moest gebruiken om het Verloren Oord te kunnen verlaten.
Waarschijnlijk zou dat wel weer via een herberg gaan.
Maar ja, welke?
Hij telde zijn geld en besloot om in het eerstvolgende dorp een postkoets te nemen naar de grens.
Hij hoefde dat geld toch niet meer te gebruiken om eten te kopen want hij had bij het oude vrouwtje voldoende voedsel voor onderweg ingeslagen.
In de verte zag hij een man wandelen die zijn hond uitliet.
Die zou vast wel weten hoe ver het nog lopen was naar het volgende dorp en of daar ook een postkoets langskwam.
Hij versnelde zijn pas en haalde het tweetal in.



De hond had er zeker niet zoveel zin in want de man moest hem gewoon voorttrekken aan het touw en de hond verzette zich uit alle macht.
”Goede morgen,” groette Pandoeris. ”Mag ik u iets vragen?”
De man reageerde niet en begon nog harder aan het touw te trekken.
Zeker doof, dacht Pandoeris en ging voor hem staan en herhaalde zijn vraag.
De man gaf geen antwoord maar stak zijn tong uit en begon amechtig te hijgen.
”Het klinkt misschien gek,” sprak de hond plotseling. ”Maar je spreekt tegen de verkeerde. Ik ben de baas en waar jij tegen praat is mijn hond.”
Pandoeris had even tijd nodig om deze mededeling te verwerken.
Ondertussen begon de man hem aan alle kanten te besnuffelen en tenslotte likte hij hem zelfs in zijn gezicht.
”Aai hem nou maar even,” raadde de hond hem aan. ”Anders blijft hij doorgaan.”
Pandoeris volgde het advies op en aaide de man een paar maal over de bol.
Dat vond hij wel lekker en hij ging op zijn rug liggen.
Pandoeris gaf hem toen maar een paar vriendelijke klopjes op zijn buik en keek vragend naar de hond.
”Mijn naam is Kees en dat daar is Vlekkie. We zitten in elkaars lichaam.
Dat komt zo: ik ben tovenaar en mijn zoon wou een geintje uithalen.
Hij heeft de wisselspreuk uitgesproken en nu zit mijn hele gezin in een verkeerd lichaam.”
”Maar waarom tovert hij jullie niet gewoon terug dan?” vroeg Pandoeris die nog steeds aan het idee moest wennen.
”Omdat hij zichzelf per ongeluk in een haan omgetoverd heeft en nu zit zijn lichaam achter de kippen aan. Die beesten snappen er niets van en rennen alle kanten uit en dat lichaam van hem er achteraan.”
”Maar dan kan die haan, ik bedoel uw zoon, toch de spreuk opzeggen?”
vroeg Pandoeris die logisch probeerde te redeneren.
”Dat kan alleen iemand doen die de gedaante van een mens heeft, zoals jij bijvoorbeeld. Anders werkt de spreuk niet.”
Vlekkie (in de gedaante van de man) kreeg genoeg van het oponthoud en begon luid tegen een tak te blaffen die op de grond lag.
”Hij wil dat je hem weggooit,” verduidelijkte Kees.
Pandoeris raapte de tak op en gooide deze een eind heen.
Vlekkie liet het touw los en rende er als een bezetene achteraan.
”Doe me een lol,” zei Kees en haal die halsband van mijn nek en doe hem daarna om die van Vlekkie. Dan kunnen we tenminste naar mijn huis.”
Pandoeris wilde dat wel doen maar het duurde even voor Vlekkie dat ook wilde.
Eerst moest Pandoeris de tak nog een paar maal weggooien.
De wandeling naar het huis van Kees verliep ook niet echt vlot omdat Vlekkie om de zoveel meter, dwars door zijn broek heen, een plasje bij een boom wilde achterlaten.
Eindelijk kwamen ze dan toch bij het huis van Kees aan.
”Gelukkig! Eindelijk ben je daar dan weer,” sprak een kat die op het tuinhek zat.
Vlekkie begon meteen te blaffen en wilde de ’kat’ te lijf.
Pandoeris had de grootste moeite om hem in bedwang te houden en wist uiteindelijk het touw aan een van de spijlen van het hek vast te binden.
”Dit is Cornelia, mijn vrouw,” stelde Kees haar voor aan Pandoeris.
Cornelia gaf een kattenpootje aan Pandoeris, die ondertussen zijn ogen uitkeek.
Een vrouwenfiguur probeerde in een boom te klimmen om bij een vogelnestje te komen, in een kippenhok dacht een meisje een ei te leggen, een jongen wentelde zich knorrend van genot in de modder en een kleuter loeide om gemolken te worden.
Toen hij ook nog een jongen kraaiend achter de kippen aan zag rennen, was het gezin compleet.
”Nou, je ziet het,” zei Kees. ”De waanzin ten top! Doe me een lol en probeer iedereen in de huiskamer te verzamelen en spreek de antispreuk uit.”
Pandoeris slikte even en besloot dan toch maar om te helpen.
Kees en Cornelia gingen uit zichzelf wel naar binnen en Vlekkie lukte na enig sleurwerk ook, maar nu de anderen nog…
Eerst die loeiende kleuter maar naar binnen, die leek hem de makkelijkste.
De bijbehorende koe was in de speelkamer bezig om een toren van blokken te bouwen, wat natuurlijk niet lukte.
”Kom je mee naar de huiskamer?” vroeg Pandoeris vriendelijk.
”Nee!” schreeuwde de koekleuter en draaide zijn kont naar hem toe.
”Dan krijg je wat lekkers,” lokte Pandoeris.
”Ik wil geen lekkers!”
”Wat wil je dan?”
”Ik wil paardje rijden! Dat is leuk!”
”Dat kan niet!” zei Pandoeris geschrokken en keek naar het enorme koeienlichaam.
”Ik wíl het!” dreinde de koekleuter en kwam al op Pandoeris af.
”Ik kan je niet dragen.”
”Mijn papa kan het wél!”
”Dan zal ik je papa wel halen,” zei Pandoeris boos en kwam al snel daarna met Kees terug.
”Kijk eens wie ik hier bij me heb,” zei Pandoeris.
”Dat is Vlekkie.”
”Nee, dat is je papa.”
”Mijn papa heeft geen staart.”
”Als je nou niet als de sodemieter met me meegaat dan geef ik je een paar draaien om je grote oren die je je hele leven niet meer zal vergeten!”
dreigde Kees, die zijn geduld verloor.
De koekleuter begreep onmiddellijk dat dit wel degelijk zijn papa moest zijn en sjokte huilend achter hem aan de huiskamer in.
Pandoeris ging weer naar buiten en liep op de boom af, waar de poezenvrouw nog steeds probeerde bij het nest te komen.
”Poes, poes, poes,” lokte Pandoeris.
De poezenvrouw keek niet op of om.
Ze had alleen aandacht voor het nest.
Dan maar met grof geweld, dacht Pandoeris en klauterde ook de boom in.
Erg hoog zat ze niet want het klimmen ging haar niet zo best af.
Even aarzelde Pandoeris.
Hij moest zich er echt overheen zetten om aan een vrouwenlichaam te gaan sjorren.


”Kom hier, vervelende kat!” riep hij zichzelf moed in en pakte een vrouwenbeen.
Helaas had hij niet aan het andere been gedacht dat hem een enorme trap tegen zijn schouder verkocht.
Pandoeris gaf een schreeuw van pijn en duvelde bijna uit de boom.
Hij wist nog net de jurk vast te pakken die spontaan in tweeën scheurde en voorkwam zo dat hij naar beneden viel.
De poezenvrouw draaide zich half om en begon met haar lange nagels zijn gezicht open te krabben.
”Vuile kattenkop!” schreeuwde Pandoeris en wist een ’klauw’ te pakken te krijgen.
Het gevolg hiervan was weer dat ze allebei uit de boom vielen.
Pandoeris op de grond en de poezenvrouw op Pandoeris.
Even had Pandoeris geen lucht meer en de poezenvrouw probeerde zich uit de poten te maken.
Nu werd Pandoeris écht boos.
Ondanks de pijn haalde hij haar snel in en wist haar vechtend en sleurend de huiskamer in te krijgen.
De poezenvrouw kwam er met wat kleerscheuren vanaf maar Pandoeris zat onder de schrammen en blauwe plekken.
Cornelia keek geschokt naar de gescheurde kleren.
”Wat heb je met me gedaan?” vroeg ze achterdochtig.
Pandoeris hapte naar adem van verontwaardiging.
Kees zag het en suste de zaak.
”Kijk, mijn andere zoon is er ook al,” zei hij gemaakt vrolijk en wees naar een varken dat hem vriendelijk aankeek.
Pandoeris mompelde wat in zichzelf, keek Cornelia vuil aan en daarna de poezenvrouw ook nog maar eens, omdat hij even niet meer wist wie wie was.
Strompelend ging hij naar het kippenhok en legde het meisje dat een ei probeerde te leggen, uit wat de bedoeling was.
Eén van de kippen gaf antwoord.
O ja, dacht Pandoeris. Dat is waar ook. De kip is het meisje en het meisje is de kip. Als dit nog lang gaat duren word ik gek, geloof ik.
Het kippenmeisje was zo slim om tegen het meisjeslichaam dat dacht dat ze een kip was, te tokken en haar zo mee te lokken de huiskamer in.
Dat valt dan weer mee, dacht Pandoeris. Even kijken.
Wie hebben we nog?
De hanenjongen en de varkensknul. Dat ga ik niet alleen doen, hoor!
Die hanenjongen rent mij veel te snel en lijkt mij veel te sterk. Kees moet mij maar helpen.
En zo joeg Kees zijn hanenzoon naar binnen en hield Pandoeris een moddergevecht om de varkensknul naar binnen te krijgen.
Als laatste trippelde de veroorzaker van dit alles naar binnen.
”Sorry, pa,” sprak deze met gebogen hanenkop.
”Ik zal het nooit meer doen.”
Dat verhaaltje ken ik, dacht Pandoeris en begon steeds meer te begrijpen waarom zijn tante Eleanora hem af en toe wel schíeten kon.
Kees nam Pandoeris even apart en wees met zijn kop naar een boek.
”Kijk, daarin staat de spreuk. Ik weet niet helemaal zeker of het toveren lukt als het door een gewone sterveling wordt gedaan maar het is in ieder geval het proberen waard. Zolang ik in dierengedaante ben, lukt het zéker niet.”
”Ik ben een tovenaarsleerling,” stelde Pandoeris hem gerust.
”Dat verandert de zaak!” lachte Kees opgelucht.
”Wij zijn bij jou dus in goede handen!”
Reken daar nou maar niet teveel op, dacht Pandoeris en richtte zich tot alle aanwezigen.
”Even luisteren vóór ik ga beginnen. Iedereen zorgt ervoor dat hij onder een tafel of een stoel zit of in een kast, weet ik veel, maar zorg er in ieder geval voor dat je beschermd bent tegen bakstenen die van boven komen.”
Het deel van de aanwezigen dat hem kon verstaan keek hem vreemd aan maar deed toch maar wat er gezegd werd.
Pandoeris zelf verschool zich in een grote staande klok en sprak vervolgens de spreuk uit.
Halverwege de spreuk raakte de klok van slag en begon spontaan twaalf uur te slaan.
Pandoeris moest schreeuwen om er nog bovenuit te komen.
De klok was pas bij de negende slag toen de eerste stenen al vielen.
Het vervelende was, dat de dierenlichamen wél veilig waren voor de vallende stenen, omdat ze zich verstopt hadden, maar de mensenlichamen die niets van Pandoeris’ waarschuwing begrepen hadden, kregen de volle laag.
Toen de steenlawine eindelijk gestopt was, bleven bijna alle mensen dan ook bewusteloos liggen.
Alleen de kleuter was toevallig niet geraakt.
”Gaat het weer een beetje, jochie?” vroeg Pandoeris en knielde vóór hem op de grond.
”En jij beweert dat je een tovenaarsleerling bent?!” viel de kleuter uit tegen Pandoeris. ”Kijk eens om je heen naar de rotzooi die je hebt gemaakt! Ongelooflijk, wat een gestuntel!”
Al had dat jochie misschien gelijk, Pandoeris was niet van plan om zich de les te laten lezen door een kleuter.
”En wie denk jij wel dat je bent om zo tegen me te keer te gaan, kleine draak!”
”Kees,” zei de kleuter. ”Je hebt alles door elkaar gehaspeld. Nu zitten we nóg in het verkeerde lichaam. Maar gelukkig ben ik nu in mensengedaante dus ik kan het nu zélf rechtzetten.”
Pandoeris klauterde over de stenen naar de buitendeur, gevolgd door de dieren die zich in de huiskamer niet echt op hun gemak voelden.
Hij wou zonder iets te zeggen weggaan maar Kees hield hem tegen.
”Sorry dat ik zo tegen je uitviel daarnet. Je hebt ons tenslotte belangeloos willen helpen. Bedankt. Maar doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en stop met je toveropleiding en ga een gewoon baantje zoeken.”
”Dat hád ik al,” bromde Pandoeris. ”En toen moesten ze me zo nodig naar dit gekkenoord sturen. Als het aan mij ligt, kom ik hier nooit meer. En dan nog wat: doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en zorg ervoor dat dat leuke zoontje van je een gewoon baantje zoekt.
Dan heeft hij tenminste geen tijd voor al die flauwe grappen. Vaarwel!”
Met opgeheven hoofd verliet hij de woning en zag daardoor het rondscharrelende varken niet.
Hij struikelde erover en viel languit in de modder.
Zie je wel, dacht Pandoeris boos. Het is weer eens stank voor dank!

Reacties mogelijk in het gastenboek.