Het is vakantie en dus rijd ik de vertrouwde route naar wat wij als kind het saaiste dorp van Nederland noemden.
En, hoewel Lisse er tegenwoordig heel wat levendiger bijligt als in de tijd van onze zondagse bezoekjes aan opa en oma, is het bepaald nog niet als metropool van de Bollenstreek te beschouwen.
Ik passeer een troosteloos kille kerk en via een paar saaie straatjes arriveer ik om half elf bij het bejaardentehuis waar mijn opa woont.
Als ik mijn auto parkeer zie ik opa achter het raam naar mij zwaaien.
Ik zwaai terug en even later begroet ik opa in zijn eenvoudig gemeubileerde kamertje.
In de negentig is hij, klein en mager maar met een ijzersterk gestel.
Zijn grote hobby is vliegers maken van sinaasappelkistjeshout en verpakkingspapier van bosjes bloemen.
Als er weer een af is, probeert hij deze zelf uit in het plantsoentje vóór het tehuis.
Zijn vliegerproductie vindt aftrek bij de kinderen uit de buurt en bij mijn tante die ze op haar school aan de jarige kinderen cadeau doet.
Nu ze sinds kort met pensioen is, heb ik die taak op me genomen en in het magazijn van onze school bevindt zich inmiddels een aardig voorraadje.
“Dag Jeroen. Fijn dat je er bent,” klinkt de vriendelijk hese stem van opa. “De koffie staat al klaar.”
We nemen plaats aan de oude tafel en ik zit zoals gewoonlijk weer tegenover het oude slingeruurwerk dat aan de muur hangt en waar ik volgens mijn tantes als peutertje gebiologeerd naar kijken kon.
De koffie wordt ingeschonken en we steken allebei een grote bolknaksigaar op.
Aan ventileren doet opa niet dus het kamertje is al snel geheel gevuld met rook.
We nemen de familiewetenswaardigheden door, gaan over op het wereldnieuws en daarna vertelt opa over vroeger.
Ik krijg een ooggetuigenverslag uit langvervlogen tijden van iemand die aan het eind van de negentiende eeuw geboren is.
Het loopt tegen etenstijd en opa legt voor zichzelf bord, soepkom en bestek neer.
Een vriendelijke zuster zet een in drie vakken verdeeld metalen bord met een warme maaltijd neer en verdwijnt weer snel na “smakelijk eten” gezegd te hebben.
Opa pakt een tweede bordje en bestek erbij en eet vervolgens de soep en het toetje.
De hoofdmaaltijd is grotendeels voor mij want daar neemt hij bijna niets van.
Het is een wonder dat hij zo gezond blijft want, behalve een paar sneetjes brood en wat fruit, eet hij verder niets.
Na het eten zet hij het lege tehuisbord op een daarvoor bestemd plankje in de gang.
Grappig dat opa altijd schijnheilig voor één persoon dekt terwijl de zusters toch echt wel moeten weten dat dat bord alleen maar leeg teruggezet wordt als er bezoek is.
Opa schenkt voor zichzelf een citroengenever in en ik krijg een pilsje.
We kletsen nog wat, waarna opa me met stevige pas naar de lift begeleidt.
Vóór ik in mijn auto stap, zwaai ik nog even naar hem.

 Mijn laatste bezoek was aan zijn sterfbed.
Toen hij wist dat ik zou komen, had hij geen rust vóór een van mijn tantes nog gauw even een knuffel gekocht had voor mijn pasgeboren oudste dochter die hij nooit te zien zou krijgen.
Een paar dagen later lag er een klein mager mannetje in een grote kist met daarop zijn laatst gemaakte vlieger.
Zijn oude klok hangt al weer jaren bij mij aan de muur en de tijd tikt onverstoorbaar verder. 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.