Pandoeris vervalt in zijn oude fout en alles lijkt verloren.
De dagen die op dit avontuur volgden, bracht Pandoeris door in het gezelschap van P. Draaijer die een mooi huis in een deftig stadje bleek te hebben.
Overdag deed de dokter zijn werk als huisarts en Pandoeris rustte uit van alles wat hij de afgelopen tijd had meegemaakt.
Hij vond dat hij wel een rustperiode verdiend had en dit rustige leventje beviel hem zó goed dat de dagen uitgroeiden tot weken.
P. Draaijer en hij konden het goed met elkaar vinden en werden vrienden.
Op een dag mocht hij hem zelfs ’Piet’ noemen.
’s Avonds moest Piet Draaijer nogal eens naar een feestje want hij was een belangrijk man in het stadje en men had hem graag als gast.
Pandoeris, die op zijn beurt de gast van Piet was, ging dan mee en was daardoor voor de mensen ook belangrijk.
In het begin vond Pandoeris zo’n feest maar een aanstellerig gedoe.
Iedereen deed zijn best om bij iedereen op te vallen.
Maar al vrij snel begon hij te genieten van alle aandacht die hij kreeg.
Het verhaal dat ze vertelden over het avontuur dat ze beleefd hadden, werd steeds mooier en fantastischer en beide genoten van de extra aandacht die ze daardoor kregen.
Pandoeris had overigens, op kosten van Piet, nieuwe kleren gekocht en zag eruit als een opgedirkte modepop.
Aangemoedigd door de heldenverering die zo langzamerhand ontstond, begon Pandoeris steeds meer over zichzelf te vertellen, waarbij hij er voor zorgde dat al zijn zwakke kanten niet aan bod kwamen.
Omdat hij daardoor niet zoveel gesprekstof meer overhield, fantaseerde hij er lustig op los.
En had hij nou alleen maar gefantaseerd…
Helaas vertelde hij tijdens een van zijn optredens, want zo kon je het inmiddels wel noemen, dat hij van buiten het Verloren Oord kwam om hier rijk te worden en dat dat inmiddels gelukt was.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat Pandoeris, toen hij die avond thuiskwam, tot zijn grote schrik ontdekte dat zijn rugzak gestolen was.
Wanhopig doorzocht hij tegen beter weten in, het hele huis.
Zelfs de kamer van Piet moest eraan geloven.
Deze vond dat erg vervelend en ondankbaar want vrienden moeten elkaar kunnen vertrouwen.
Pandoeris ging naar bed en huilde dikke tranen.
Wat was hij toch weer een ongelooflijke ezel geweest!
Nou had hij zich tijdens de afgelopen avonturen zo slim en heldhaftig gedragen dat je zou verwachten dat hij een ander mens geworden was.
Maar nee!Zodra hij even niets bijzonders aan zijn hoofd had, verviel hij weer in zijn oude fout en was hij weer die luie leugenachtige nietsnut die hij zijn leven lang geweest was.
Als hij na een of twee dagen rust gewoon op pad gegaan was, was hij nu bijna thuis geweest en was hij waarschijnlijk de trotse eigenaar van een eigen bedrijf geworden.
Maar nu?
Nu was hij letterlijk en figuurlijk ver van huis.
Het kistje met geld en juwelen waar alles om begonnen was, was gestolen.
Zijn lepel en bord die hij nodig had om uit het Verloren Oord te komen, waren verdwenen.
En zijn toverschriftje dat hem misschien nog zou kunnen helpen, had hij ook niet meer.
Kortom: hij was berooid en voelde zich moederziel alleen.
Hij was nog één keer mee geweest naar een feestje maar had toen stil en verdrietig in een hoekje gezeten.
De feestgangers verloren al snel hun interesse in hem en ook Piet vond dat het tijd werd dat hij weer eens opstapte.
Hij gaf hem nog wel wat geld voor de reis, wenste hem veel geluk en als hij later nog eens in de buurt mocht zijn, moest hij zéker langskomen.
Maar dan wél met een goed humeur want zo was er ook niets aan.
Pandoeris slenterde moedeloos door de straten en wist niet wat te doen.
Het begon nog te regenen ook.
Hij ging schuilen onder een afdakje van een smederij en zijn ogen werden net zo vochtig als de straten van het stadje.
Hij had nu echt alle moed laten varen.
De grote held van de feesten was afgetakeld tot een zielig hoopje mens.
Hij keek niet eens op toen de deur van de smederij openging en een meisje van een jaar of vijf vóór hem ging staan.
”Huil je?” vroeg het kleine ding.
Pandoeris zei niets maar liet zijn tranen de vrije loop.
”Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze bezorgd.
Pandoeris keek op en zag het kind, dat hem met grote ogen aankeek.


Hij begon zich nu toch een beetje te schamen om als grote knul een potje te grienen in het bijzijn van een klein kind en deed zijn best om daar mee op te houden.
”Mama zegt dat huilen gezond is,” troostte ze.
Dan heb je een verstandige moeder, dacht Pandoeris maar veegde ondertussen wel de tranen uit zijn ogen.
”Het is al over,” zei hij en stond op om de regen weer in te gaan.
Op dat moment ging de deur van de smederij opnieuw open en een boom van een vent keek Pandoeris verbaasd aan.
”Ben jij niet die beroemde vriend van dokter Draaijer waar de hele stad het over heeft?” vroeg de boom.
”Dat was ik vroeger,” mompelde Pandoeris. ”Nu ben ik gewoon weer een mislukkeling.”
”Nou, dan heb ik voor jou nog wel een nieuwtje. Maar kom eerst even binnen. Goedhals is de naam overigens. Klaas Goedhals.”
”Bent u soms familie van Jorus Goedhals?” vroeg Pandoeris verrast.
”Jazeker,” zei Klaas. ”En kom nou eens even binnen, dan kunnen we verder praten.”
Even later zaten ze in een gezellige huiskamer aan een kopje koffie.
Pandoeris vertelde alles wat hij beleefd had en deze keer écht zoals het gegaan was.
Klaas zei dat hij zich heel goed kon voorstellen dat Pandoeris er geen gat meer inzag.
Bovendien vond hij: je doel bereiken is moeilijk maar als je het bereikt hebt, om het dan vast te houden, dát is pas echt zwaar.
Maar hij had goed nieuws voor hem.
Kortgeleden was er iemand bij hem geweest met een kistje dat hij met geen mogelijkheid open had kunnen krijgen.
Hij had zijn zwaarste materiaal erop los gelaten maar het lukte hem gewoonweg niet.

Het kon niet anders of de bezitter van dat kistje moest de dief van Pandoeris’ bezittingen zijn en hij wist waar hij woonde.
Het was de zoon van de burgemeester die bekend stond als een onverbeterlijke nietsnut.
Het zou een broertje van me kunnen zijn, dacht Pandoeris.
Hij herinnerde zich nu dat hij hem op het feest vóór de diefstal gesproken had.
Ze hadden samen nog zo gelachen om al die brave mensjes die zo hard werkten om iets te bereiken in het leven terwijl de rijkdom voor het oprapen lag als je maar een beetje handig was.
Pandoeris schaamde zich, nu hij bedacht dat hij geholpen werd juist door zo’n iemand waar hij toen de spot mee gedreven had.
Hij bedankte Klaas Goedhals voor de informatie en wilde gaan maar deze stond erop dat hij ’s avonds zou mee-eten.
Uit beleefdheid en omdat hij gierde van de honger, ging hij graag op de uitnodiging in.
Vol goede moed en met volle maag wandelde hij ’s avonds naar het huis van de burgemeester.
Hij belde aan en de deur werd opengedaan door een statige butler.
”Ik kom voor Jerry,” zei Pandoeris. ”Is die thuis?”
”Jongeheer Jerry is eergisteren vrij plotseling vertrokken,” sprak de butler met toonloze stem.
”Weet u misschien wanneer hij terugkomt?”
”Dat weten we met jongeheer Jerry nooit.”
Even dreigde Pandoeris wéér de moed te verliezen maar hij vond dat hij nu wel genoeg gejankt had.
Je moest ook nog wat tranen overhouden voor later.
Huilen was tenslotte gezond dus een beetje zuinigheid kon geen kwaad.
”Mag ik even de kamer van Jerry zien? Het kan zijn dat mijn rugzak er nog staat,” vroeg hij.
De butler dacht even na en vond het goed.
Hij zag er blijkbaar geen kwaad in.


”Volgt u mij maar.”
Jerry bezat een grote kamer die volgestouwd was met troep.
Aan een groot bureau zat een klein meisje te tekenen.
”Dat is jongedame Alida,” legde de butler uit.
”Ben jij het kleine zusje van Jerry?” vroeg Pandoeris vriendelijk.
”Rot op!” snerpte het kleine zusje.
”Jongedame Alida reageert altijd ietwat spontaan,” verontschuldigde de butler haar.
”Wat doe je lelijk tegen me. Ik heb je toch niets gedaan”, probeerde Pandoeris nog eens.
”Ik zei: rot op! Je stoort.”
Het kleine mormel keek niet eens op van haar tekening.
Maar Pandoeris zag iets anders.
Die tekening werd gemaakt in zijn toverschriftje!
”Jongedame Alida, u weet dat jongeheer Jerry niet wil dat u in zijn kamer speelt,” zei de butler voorzichtig.
”En rot jij ook op, stijve hark!” snauwde het loedertje.
”En ik wil niet dat jij in mijn schriftje tekent,” sprak Pandoeris dreigend.
Ze keek hem voor het eerst aan.
”Is dit prul van jou?”
”Ja en ik wil het terug,” zei Pandoeris ijzig.
Ze zei niets en ging weer verder met haar tekening.
Pandoeris griste het schriftje onverwachts onder haar handen vandaan.
Meteen daarop vloog ze als een valse kat overeind en zette haar melkgebitje in Pandoeris zijn hand.
Deze liet los met een schreeuw van pijn en het kleine kreng vloog er vandoor.
”Opzij, lange lummel!” schreeuwde ze tegen de butler die nog in de deuropening stond.
Deze reageerde niet zodat ze niet kon doorrennen en Pandoeris de tijd had om haar te grijpen.
”Ik zal even kijken of meneer of mevrouw thuis is,” sprak de butler onverstoorbaar. ”Dan kunnen zij eventueel ingrijpen.”
”Ze zijn niet thuis, onnozele hals!” schreeuwde het kleine loeder en spartelde tegen om aan de greep van Pandoeris te ontsnappen.
”Ik zal tóch even kijken, jongedame Alida. En anders waarschuw ik de politie wel. Al neemt dat natuurlijk wel de nodige tijd in beslag,”
voegde hij eraan toe, terwijl hij Pandoeris veelbetekenend aankeek.
Ondertussen had het kleine bijtertje haar tandjes weer in een hand van Pandoeris gezet.
En nou was hij het zat!
Hij pakte haar beet, legde haar over de knie en gaf haar een paar flinke petsen op haar billen.
Ze was meteen stil.

”Dat heeft nog nooit iemand bij me gedaan,” zei ze onthutst.
”Dat is te merken ook! En denk erom: één verkeerde beweging en ik geef je een dubbel pak slaag!”
Ze bewoog inderdaad niet meer, maar haar mondje hield ze geen ogenblik stil.
Pandoeris kreeg de ene verwensing na de andere naar zijn hoofd geslingerd maar dat deerde hem niet.
Hij doorzocht de hele kamer maar kon niets van zijn bezittingen vinden.
”Wat zoek je eigenlijk?” vroeg ze plotseling.
”Een rugzak met mijn spulletjes die je broer van mij gestolen heeft,” antwoordde Pandoeris.
”Stop maar met zoeken. Hij heeft alles meegenomen.”
”Hoe kom jij dan aan mijn schriftje?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Dat heb ik gekregen als ik mijn mond zou houden.”
”Weet je ook waar hij naar toe is?”
”Ja. Naar een smederij in Rotsberg om je kistje open te laten maken. En ik hoop dat je hem óók een pak slaag geeft als je hem gevonden hebt.”
Pandoeris keek haar onderzoekend aan.
”Heb je dan zo’n hekel aan hem?” vroeg hij.
”Ja. Het is een rotbroer. Hij pest altijd.”
”En wat zeggen papa en mama daar dan van?”
”Die zijn er nooit en die stomme butler of de dienstbode durven er niets van te zeggen.”
”Heb je dan geen vriendinnetjes of zo?”
”Niemand wil met me spelen.”
”Dan moet je eens wat aardiger zijn. Dan willen ze heus wel.”
”Ik hoef niet aardig te zijn want ik ben de dochter van de burgemeester.”
”O…ja…dan weet ik het ook niet,” sloot Pandoeris het gesprek af.

”In ieder geval bedankt dat je gezegd hebt waar ik je broer kan vinden.”
”Ga je hem in elkaar slaan?” vroeg ze, toen Pandoeris al bij de deur stond.
”Dat wil je toch?” zei Pandoeris en keek haar onderzoekend aan.
”Ja,” sprak ze met een verbeten trek om haar mond.
Pandoeris zei niets en deed de deur open.
”Pandoeris?” vroeg ze toch nog.
“Ja.”
“Sla je niet te hard? Hij kan er niet zo goed tegen, zie je.”
“Dat beloof ik,” zuchtte Pandoeris en was blij dat hij even later in de
frisse buitenlucht stond.

Reacties mogelijk in het gastenboek.