Pandoeris wordt door iemand geholpen en verbaast zich daarover.
De zon scheen al volop toen Pandoeris doodmoe het dichtstbijzijnde dorpje binnenstrompelde.
Er waren niet zoveel mensen op straat maar de mensen die er waren, keken hem nadrukkelijk aan en hij zag er ook een paar die duidelijk over hem aan het smoezen waren.
Op een gegeven moment kwamen er zelfs een paar naar hem toe.
”Ben jij niet de jonge held die het huwelijk tussen prins Ollie en prinses Tengeltje verhinderd heeft?” vroeg een van hen.
Pandoeris knikte vermoeid.
”Dan zou ik maar maken dat ik wegkwam,” zei een ander.
”De soldaten van koning Oliebol zijn vast al naar je op zoek.Twee dorpen verderop begint al weer het volgende koninkrijk. Als je een beetje doorloopt ben je er vanavond al.”
”Een beetje doorlopen?” schrok Pandoeris. ”Man, ik verlang nog maar één ding en dat is even lekker liggen.”
Hij had het nog niet gezegd of drie mensen duwden hem tegen de grond, gooiden een kleed over hem heen en gingen bovenop hem zitten.
”Zo letterlijk heb ik het nou ook weer niet bedoeld,” mopperde Pandoeris die door het gewicht van de drie zware lijven problemen met zijn ademhaling kreeg.
”Nee, hier is hij niet,” hoorde hij een van de drie zeggen. ”En we zitten hier al een hele tijd dus als hij hier geweest was, zouden we hem zeker gezien hebben.”
Waar heeft die het nou over? dacht Pandoeris en vroeg zich ondertussen af hoe lang een mens zonder zuurstof kan.
De drie kwamen overeind en keken of er nog leven onder het kleed was.
”Dat waren daarnet een paar soldaten,” sprak een van hen toen dit inderdaad het geval bleek te zijn. ”Ze vroegen of we jou gezien hadden.”
”Je moet hier echt weg,” zei een ander. ”Kom maar mee. Ik heb altijd al eens een held in huis willen hebben.”
Pandoeris volgde de man door de smalle straatjes tot ze bij een huisje kwamen dat een beetje achteraf lag.
”Hier ben je voorlopig veilig. Kom binnen.”
Pandoeris betrad een gezellig ingerichte kamer waar hij zich ogenblikkelijk thuis voelde.
”Heb je al gegeten?” vroeg de man.
Pandoeris zei dat hij wel wat lustte en even later zaten ze aan een feestelijk gedekte tafel waar de rest van de familie ook maar bij was gaan zitten.
Ze keken geïnteresseerd naar de hongerige Pandoeris die zich in een snel tempo door de aangeboden voorraad eten heen werkte.
”Wij zijn goede eters in dit deel van het land,” lachte de man. ”Maar jij kan er ook wat van met dat magere lichaampje van je! Ik zal me trouwens even voorstellen. Mijn naam is Jorus Goedhals en dit is mijn gezin.”
Hij noemde alle namen en Pandoeris schudde alle handen maar bij de laatste hand was hij al weer vergeten van wie de eerste was.
”Je ziet er moe uit. Wil je soms even slapen? Dat kan, hoor.”
Pandoeris verbaasde zich over zoveel vriendelijkheid.
Daar moest iets achter zitten.
Die mensen wilden vast iets van hem.
Afijn, daar zou hij na het slapen dan wel achter komen want deze kans om even uit te rusten liet hij zich natuurlijk niet ontglippen.
Uren later werd hij wakker gemaakt met een kopje koffie op bed.
”Je kan beter maar op pad gaan,” zei Jorus Goedhals vriendelijk.
”Anders ben je nooit voor de avond uit het land. Ik zal je even rijden met de koets dan is de kans dat de soldaten je zien niet zo groot.”
Tot Pandoeris’ verbazing babbelde de man de hele weg over koetjes en kalfjes zonder hem om een gunst te vragen.
In de buurt van de grens hielden ze halt.
Goedhals wees hem een weggetje waarover hij ongezien de grens kon passeren.
Hij gaf Pandoeris een hand, wenste hem veel geluk en wilde weer opstappen.
”Moet ik niet iets voor u doen?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Wat dan?” vroeg de man.
”Dat vraag ik aan u.”
”Ik zou niets weten.”
”Ik ook niet. Daar niet van. Maar ik heb bij u gegeten, geslapen en u  heeft me hierheen gereden. Dan moet ik toch iets terug doen?”
”Waarom?”
”Omdat…ja, eh…ja…nou ja. Dat hoort toch zo?”
”Wie zegt dat?”
”Dat doet iedereen toch.”
”Nee hoor. Ik zeg altijd maar zo: wie goed doet, wie goed ontmoet. En nou ga ik er vandoor. Mocht je nog eens in de buurt zijn: je komt maar aan hoor. Tot ziens!”
Goedhals zwaaide nog eens vriendelijk gedag en verdween.
In gedachten verzonken volgde Pandoeris het aangewezen paadje.
Van alles wat hij tot nu toe beleefd had, vond hij dit toch wel het vreemdst.
Iemand die gewoon aardig was zonder er iets voor terug te willen hebben.
Hoe meer Pandoeris er over nadacht, hoe vreemder hij het begon te vinden dat hij het vreemd vond.

Reacties mogelijk in het gastenboek.