Wie niet sterk is, moet slim zijn.
En toch komt Pandoeris die geen van beide is, als winnaar uit de bus.
Ze waren nog niet eens zo ver buiten de poort gekomen toen er iets onder Pandoeris begon te bewegen.
Hij wachtte niet af wie of wat dat was maar maakte dat hij van de kar afkwam en rende de duisternis in.
Niet lang daarna zag hij dat er nóg een gestalte van de kar afsprong en in de struiken langs de weg dook.
Pandoeris werd nu toch wel erg nieuwsgierig wie dat was en sloop die richting uit.
Dichterbij gekomen, zag hij het van lepeldiefstal beschuldigde kokshulpje in elkaar gedoken in een bosje zitten.

 

Nou, daar hoefde hij geen gevaar van te duchten.
Integendeel: hij had zelfs een beetje met hem te doen, zoals hij daar zo klein en zo alleen tussen de struiken zat.
En het was eigenlijk de schuld van Pandoeris dat hij had moeten vluchten.
Als hij die lepels niet per ongeluk weggetoverd had, lag hij nu misschien wel lekker in zijn bedje.
Hij voelde zich schuldig en wilde het goed maken.
”Niet schrikken hoor,”sprak hij op geruststellende toon terwijl hij uit zijn sluiphouding overeind kwam.”Ik ben het: Pandoeris. Ik lag daarnet bovenop je in die kar met smurrie.”
”O, was jij dat? Je had ons bijna verraden, sufferd!”
Erg onder de indruk van Pandoeris’ plotselinge verschijning leek hij niet te zijn.
”Nou ja, ik wist niet dat jij er al lag dus ik schrok me dood.
Was je daar al lang?”
”Lang genoeg om werkelijk vergeven te zijn van de stank.”
”We zouden ons eigenlijk ergens moeten kunnen wassen,” opperde Pandoeris.
”Dat is een slimme opmerking van je. Ik kan merken dat jij een nadenkertje bent.”
Pandoeris vond de kleine wel een praatjesmaker maar hij had nog steeds het gevoel iets goed te moeten maken dus hij liet het maar even zo.
”Weet jij een sloot of zo waar we ons kunnen wassen?” vroeg hij dus maar.
”Kom maar mee. Tenslotte stink ik zelf ook een uur in de wind.”
De kleine stond op en wandelde weg zonder op Pandoeris te wachten, die er dan maar achteraan hobbelde.
Het ging allemaal wat anders dan hij had verwacht.
Hij kreeg steeds meer het gevoel dat de kleine niet veel behoefte had aan zijn beschermende hand.
Later bij het kampvuurtje dat ze gemaakt hadden om hun natgewassen kleren te drogen en zichzelf te verwarmen, werd het er niet beter op.
”Hoe heet je eigenlijk?” vroeg Pandoeris.
”Sjaak.”
”Werkte je al lang op het kasteel?”
”Natuurlijk niet. Hoe kun je nou ergens lang werken als je nog zo jong bent als ik.”
Pandoeris kreeg er genoeg van om zich door zo’n dreumes te laten afbekken.
”Ben jij altijd zo gezellig of is dat speciaal ter ere van mij?”
”Noem mij één reden om gezellig te zijn.”
”Nou, we zitten bijvoorbeeld in hetzelfde schuitje. We zijn allebei gevlucht en zijn dus lotgenoten zogezegd.”
”Er is één groot verschil,” zei Sjaak en keek Pandoeris strak aan.
”Ik kom uit het Verloren Oord en jij niet.”

”Hoe weet jij dat?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Omdat jij die dikke Ollie en zijn Tengeltje geholpen hebt. Dat zou alleen een held doen of iemand die niet op de hoogte is van de regels.
Nou, je ziet er bepaald niet uit als een held en iedereen kent de regels van koning Oliebol…”
”Je hebt inderdaad gelijk,”gaf Pandoeris toe. ”Ik ben niet van hier.”
Sjaak werd iets toeschietelijker.
”Vertel me eens. Hoe komt het toch dat zo’n simpele ziel als jij wél in en uit het Verloren Oord kan reizen en ik niet?”
”Dat weet ik niet.”
”Ach nee, natuurlijk niet. Je zou eens wel wat weten. Ik probeer al twee jaar van mijn korte leventje uit deze uithoek weg te komen en telkens verdwaal ik in de moerassen.”
”Waarom wil je dan zo graag weg?”
”Omdat ik op school hier uitgeleerd ben. Ik weet alles nou wel. Het wordt tijd dat ik me verder ontwikkel maar hier in het Verloren Oord is domheid troef. Wat dat betreft zouden we beter kunnen ruilen: jij hier en ik daar. Uit welke streek kom je eigenlijk?”
”Uit Bosoord,” antwoordde Pandoeris.
Om te bewijzen dat Sjaak echt veel wist, begon hij allerlei wetenswaardigheden over de streek van Pandoeris te vertellen.
Pandoeris begon zich steeds onbenulliger te voelen.
”Je weet zelfs meer over mijn geboortestreek dan ik,” sprak Pandoeris bewonderend.
”Nou ja, daar is niet veel voor nodig,” zei Sjaak bescheiden. ”Wat kom je hier eigenlijk doen? Waar moet je naar toe?”
Pandoeris haalde zijn landkaart tevoorschijn en wees het reisdoel aan.
”Heb je zin om mee te gaan?”
”Nee, dat is voor mij precies de verkeerde kant uit. En nou ga ik slapen.”
Sjaak draaide zich abrupt op zijn zij en voegde de daad bij het woord.
Pandoeris stopte teleurgesteld de kaart weer in zijn rugzak en besloot ook maar te gaan liggen.
Hij deed zijn ogen dicht maar van slapen kwam niet veel en dat was niet alleen omdat hij over zijn slaap heen was.
Op een gegeven moment draaide hij zich op zijn andere zij en ontdekte dat Sjaak verdwenen was en veel erger nog: zijn rugzak óók!
Geschrokken en woedend tegelijkertijd sprong hij overeind.
Welke kant was die kleine gifkikker opgegaan?
Zenuwachtig keek hij om zich heen en ontdekte zijn voetafdrukken in de zachte bodem.
Hij volgde het spoor en kwam aan een weg waar natuurlijk geen voetafdrukken meer te zien waren.
Hij rende enige ogenblikken door in de richting die je naar aanleiding van de voetstappen zou verwachten maar stond toen stil.
Hij dacht even na.


Die kleine blaaskaak was sluw en verwachtte natuurlijk dat dat precies was wat zo’n sufferd als Pandoeris zou doen.
Hij draaide zich om en rende in de tegenovergestelde richting.
Hij probeerde zijn krachten goed te verdelen en hield er zo een aardig tempo in.
Na een uurtje ploeteren zag hij tot zijn grote vreugde inderdaad de kleine gestalte van de dief.
Hij haalde hem zienderogen in omdat hij gewoon veel sneller was en sterker.
En dat laatste zou Pandoeris hem laten voelen ook.
Zijn handen jeukten en dat was niet met krabben te verhelpen.
Hij zou die diefachtige praatjesmaker eens even flink in elkaar slaan.
Sjaak besefte dat verder doorrennen geen zin meer had en wachtte angstig af.
Hij leek in niets meer op die zelfverzekerde betweter die Pandoeris telkens hooghartig afgebekt had.
Pandoeris pakte hem bij zijn jasje en deed zijn arm naar achteren om eens lekker uit te halen.
”Nee! Niet slaan!” riep Sjaak.
Pandoeris grijnsde vals.
”Noem mij één reden waarom ik niet zou slaan.”
”Omdat ik nog maar een kind ben!” jammerde Sjaak en begon te huilen.
Verdraaid, dacht Pandoeris. Zelfs nu is hij me nog te slim af.
Er was van Sjaak inderdaad niet veel meer over dan een angstig klein kind en kleine kinderen kan je toch zo maar niet in elkaar slaan?
Pandoeris liet met tegenzin los.
”Waarom heb je mijn rugzak gestolen?” vroeg hij toen maar.
”Ik hoopte dat er iets in zou zitten waarmee ik in Bosoord kan komen,” snotterde Sjakie. ”Maar ik zal het nooit meer doen.”
Direct krijg ik nog medelijden met hem ook, dacht Pandoeris.
Hij controleerde of alles nog in zijn rugzak zat.
”Nou, maak maar dat je wegkomt,” zei Pandoeris.
Sjakie deed dat maar draaide zich toch nog even om.
”Je bent slimmer dan ik dacht,” zei hij en verdween toen echt.
Pandoeris keek hem peinzend na.
Misschien heeft hij nog gelijk ook, dacht hij.

Reacties mogelijk in het gastenboek.