Tijd om naar bed te gaan, vond de doodgraver.
Hij rekte zich eens lekker uit en stond op van zijn stoel om de deur op slot te doen.
Waar heb ik de sleutels ook alweer gelaten, dacht hij en keek om zich heen. O ja, in mijn dienstjas natuurlijk.
Het was een drukke dag geweest.
Vele doden waren geborgen en het was nogal laat geworden, zodat hij geen zin had gehad om zich na het werk om te kleden.
Hij graaide in de zak van zijn dienstjas en haalde daar een sleutelbos uit.
Op dat moment werd er op de deur geklopt.
Wie kan dat nou zijn op dit late uur, dacht de doodgraver en keek voor alle zekerheid door het kijkgaatje in de voordeur.
Er was niets te zien in het donker.
Hij vertrouwde het niet.
“Wie is daar?” riep hij op goed geluk naar de andere kant van de deur.
“Hein!” klonk het van de andere kant.
Hein, dacht de doodgraver. Ik ken geen Hein.
“Komt u morgen maar terug!” riep hij en hoopte dat die Hein vanzelf zou afdruipen als de deur gesloten bleef.
Gespannen luisterde hij naar de dodelijke stilte die volgde.
Zo verliepen er een paar minuten, die uren leken te duren en waarin niets gebeurde.
Nou kan ik twee dingen doen, dacht de doodgraver. Ik kan de deur gewoon op slot doen en naar bed gaan, of ik kan eerst toch nog even voor alle zekerheid kijken of hij écht weg is.
Hij koos voor de tweede optie, opende heel voorzichtig de deur en keek door een kier in de duisternis.
Niets te zien, constateerde hij tevreden.
Opgelucht sloot hij de deur, rekte zich nog eens lekker uit en gaapte hartstochtelijk.
Daarna draaide hij zich om en even dacht hij dat hij ter plekke dood zou neervallen.
Hij stond oog in oog met een lange magere gestalte, gekleed in een zwarte mantel die tot op de grond reikte.
Oog in oog kon je eigenlijk niet zeggen omdat de kap om zijn hoofd zijn gezicht en dus ook zijn ogen onzichtbaar maakte.
In zijn ene hand hield hij een zeis en in zijn andere een zandloper.
“D-d-d-dat is…U-u bent M-Magere Hein,” stamelde de doodgraver.
“Ah! U kent mij dus wel! Daarnet bij de voordeur dacht ik even dat dat niet het geval was. En dat zou vreemd zijn voor iemand met een beroep als dat van u.”
“Hoe bent u binnengekomen?” vroeg de doodgraver.
“Door de achterdeur natuurlijk. Zo kom ik wel vaker bij de mensen binnen. Erg populair ben ik bij de meeste klanten niet en dan word je vindingrijk om ze toch van dienst te kunnen zijn.”
“Van dienst te kunnen zijn, klanten…” herhaalde de doodgraver geïrriteerd. “Het gaat niet over klanten hoor, maar over doden!”
“Uw klanten zijn toch ook dood en u levert ze een dienst, nietwaar…”
“Nee, ik lever mijn diensten aan de familie en vrienden van de dode. De levenden dus!”
“Wel, als ik mijn diensten aan de klant aanbied leven ze ook nog.”
“Maar daarna zijn ze dood!”
“Inderdaad. En dan stopt u ze onder de grond. Op deze manier leveren we allebei een bijdrage aan de dienstensector. Maar kom, het wordt uw tijd,” besloot Hein.
“Maar ik heb morgen drie begrafenissen te doen,” sputterde de doodgraver tegen. “Ik heb geen tijd hoor.”
“Vanaf nu heeft u alle tijd,” stelde De Dood hem gerust en stond op het punt om de zandloper om te draaien.
“Wacht!” riep de doodgraver, die probeerde tijd te rekken. “Is er- omdat we eigenlijk collega’s zijn- niet een andere oplossing te bedenken?”
“Nou, collega’s…” mompelde De Dood. “Ik zie u toch meer als een amateurtje hoor. Maar goed, wat wilt u dan nog?”
“Leven!” riep de doodgraver. “Ik wil blijven leven!”
“Tsja,” filosofeerde De Dood. “U kunt uw klanten beloven dat ze dood blijven maar ik kan mijn klanten niet beloven dat ze in leven blijven. Dáár zit een wezenlijk verschil.”
“Kunt u niet iemand anders meenemen?” probeerde de doodgraver nog.
“Nee, ik heb u als klant op gekregen. De Grote Baas is daar heel duidelijk in geweest.”
“Maar hiernaast woont iemand die ligt te creperen en wél graag dood wil. Waarom neemt u die niet mee?”
“Omdat De Grote Baas vindt dat zijn tijd nog niet gekomen is.”
“En de tijd van dat kleutertje verderop dan! Waarom moest die dan dood?”
“Omdat zijn tijd gekomen was.”
“Wie bepaalt dat dan?”
“De Grote Baas.”
“Maar dat is toch oneerlijk!” riep de doodgraver uit. “Waarom doet die Grote Baas van jou zo oneerlijk?”
“Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk,” stelde De Dood nuchter vast. “Ik doe alleen maar wat me opgedragen wordt.”
De doodgraver besefte dat verder tegensputteren geen zin meer had.
“Dan heb ik nog één wens,” zei hij.
“Daar was ik al bang voor,” zuchtte De Dood. “Nou, voor de draad ermee!”
“Ik weet niet hóe ik dood moet maar ik wil graag een móóie dode zijn. Tenslotte zorg ik er zelf bij al mijn doden ook voor dat ze er mooi uit zien. Ik zou graag in die stoel daar willen zitten met een goed boek in mijn handen. Kan dat?”
“De Grote Baas had voor u een hartaanval in gedachten, dus: vooruit dan maar.”
De doodgraver zorgde ervoor dat hij er onberispelijk uit zag, pakte een boek met de verzamelde werken van Shakespeare uit de boekenkast en ging kaarsrecht in zijn stoel zitten met het boek opengeslagen op zijn schoot.
“Leest u Shakespeare?” vroeg De Dood ongelovig.
“Nee, maar op deze manier wil ik laten zien dat ik niet van de straat ben. Ik wil niet alleen een mooie, maar ook een interessante dode zijn. Zie het maar als beroepseer.”
De Dood schudde zijn hoofd, tikte met zijn zeis tegen de nek van de doodgraver en draaide de zandloper om.
Die is dood, dacht hij. Maar zo ziet hij er niet uit.
Hij keek misprijzend naar het lijk dat kaarsrecht overeind zat met een hand op het opengeslagen boek.
Dat kan zo écht niet, besloot hij.
Hij trok aan de benen van het lijk zodat het onderuitgezakt kwam te liggen, liet het boek op de grond vallen en legde de hand op het hart dat niet meer klopte.
Zo, nou laat ik tenminste een dode achter die er als een dode uit ziet, dacht hij tevreden.
“Ik heb tenslotte ook mijn beroepseer,” mompelde hij en verliet het huis door de voordeur.

Reacties mogelijk in het gastenboek.