Op de radio hoorde ik onlangs dat internetshoppen een hoge vlucht begint aan te nemen.
Je bestelt via internet en het gewenste wordt vervolgens thuis afgeleverd.
De pizzakoerier- die doen het telefonisch- is inmiddels al geruime tijd een bekende verschijning in het straatbeeld.
De nieuwe trend is dat ook supermarkten steeds meer overgaan op het thuisbezorgen van boodschappen.
De traditionele winkelbranche heeft het moeilijk.
Het valt niet mee om zich aan de wensen van de nieuwe tijd aan te passen.
Tot zover het nieuws.
Dat thuisbezorgen voelt voor mij toch een beetje als oude meuk in een modern aandoende verpakking.
In mijn jeugd- en dat is lang geleden- kwam er ook al van alles aan de deur.
Ik noem alleen al de bakker, de melkboer, de groenteman, de voddenboer, de schillenboer, de tijdschriftenman, de krantenjongen en natuurlijk de oude vertrouwde postbode.
Bij ons in de buurt, waar veel mensen van Indische afkomst woonden, kwam er zelfs een rijdende toko langs.
En verder was er de rijdende snackbar en ’s zomers natuurlijk de ijscoman.
En dit waren dan alleen nog maar de diensten die regelmatig aan de deur kwamen.
Je had bijvoorbeeld ook nog de colporteur, de scharensliep en de garen-en-band verkoper.
Die laatste was overigens op een gegeven moment wél een dagelijkse verschijning bij ons thuis.
En niet alleen áán de deur maar vooral áchter de deur.
Mijn kennismaking met hem was toen ik op een keer uit school kwam en een ongezond uitziende oude man in de woonkamer zag zitten.
Hij was sjofel gekleed en begon meteen tegen me te praten.
Hoewel hij slecht te verstaan was, kon ik uit zijn betoog opmaken dat hij vroeger op de grote vaart gewerkt had.
Beleefd luisterde ik naar zijn slepend stemgeluid en vroeg me af waar mijn moeder uithing.
Die bleek in de keuken bezig te zijn met de avondmaaltijd.
“U moet nu echt gaan, hoor,” zei ze toen ze terugkwam in de kamer. “Het eten staat op en direct komt iedereen thuis.”
“Natuurlijk mevrouw,”  sprak de man begripvol. “Ik zal u niet langer ophouden. Hartelijk dank voor uw gastvrijheid. En als ik toevallig weer eens in de buurt ben, hoop ik weer eens langs te mogen komen.”
Hij stond moeizaam op uit zijn stoel, pakte zijn tas met garen-en-band spulletjes en liep met enigszins manke tred naar de deur.
Buiten stapte hij onhandig op zijn fiets van een vooroorlogs model en bedankte mijn moeder nogmaals voor haar getoonde gastvrijheid.
Mijn moeder keek hem hoofdschuddend na.
“En dan te bedenken dat hij nog helemaal terug naar Haarlem moet,” mompelde ze in zich zelf.
Toen we met het gezin aan het eten waren, bleek tijdens het gesprek dat hij al vele malen eerder langs was geweest.
De eerste keer dat hij aan de deur kwam had mijn moeder hem, omdat het slecht weer was, uit medelijden binnengelaten voor een kopje koffie.
De weken daarna, als hij zijn ronde in Heemskerk deed, kwam hij even aan en op het laatst kwam hij bijna elke dag.
Nu was het zover gekomen dat hij rechtstreeks vanuit Haarlem naar haar toe kwam en ook steeds langer bleef.
Mijn vader vond dat het het beste was om hem op vriendelijke wijze duidelijk te maken dat het zo niet langer kon.
Mijn moeder vond dat ook maar zag er vreselijk tegenop om hem dit te vertellen.
De keren dat hij daarna aan kwam zetten, kon ze het dan ook niet opbrengen om hem op vriendelijke wijze de deur te wijzen en er veranderde niets.
Nu was het vakantie en mijn vader, die tekenleraar was, hoefde niet naar zijn werk en had het op zich genomen om de oude man, als hij langskwam, aan zijn verstand te peuteren dat hij niet elke dag welkom was maar wél eens in de zoveel tijd.
Deze keer kwam de stumper dan ook niet verder dan mijn vader bij de deur.
Vriendelijk maar beslist legde mijn vader de situatie uit en de boodschap leek over te komen.
Vanachter het raam keek ik toe hoe de man als een geslagen hond- en dan een die een paar flinke meppen te verduren had gehad- op zijn fiets de straat uit reed.
Een golf van medelijden overspoelde me en ik besloot dat ik dit niet zo kon laten gebeuren.
Snel pakte ik mijn fietsje uit de schuur en ging hem achterna.
Ik had hem al gauw in het vizier want hij kwam met die tegenwind natuurlijk niet zo vlot vooruit.
Als ik een omweggetje nam kon ik hem vóór hij aan het einde van de straat gekomen was, tegemoet rijden en net doen of ik hem toevallig tegenkwam.
Zo gedacht, zo gedaan.
Met gespeelde verbazing om hem hier te ontmoeten, groette ik hem vriendelijk.
Vriendelijk groette hij terug maar de droefheid droop van zijn gezicht.
We waren allebei van onze fietsen gestapt en tijdens het gesprek dat volgde probeerde ik hem op kinderlijke wijze duidelijk te maken dat mijn moeder hem heus heel aardig vond maar dat elke dag langskomen echt teveel was.
Hij keek me aan met een sombere glimlach.
“Je bent een aardige jongen dat je me dit alles nog eens wilt uitleggen maar ik begrijp het echt wel. Elke dag is gewoon teveel van het goede. Dat garen-en-band handeltje is een kleine aanvulling op mijn AOW‘tje maar ik merk het wél dat ik nu die extra inkomsten niet meer heb. Ik ga de draad weer oppakken en kom gewoon eens in de zoveel weken nog eens langs. Dat is inderdaad gewoon het beste.”
Hij gaf me een hand.
“Bedank je moeder nog maar eens van me en zeg haar maar dat ik enorm genoten heb van de gezelligheid bij jullie thuis en dat ik heel graag af en toe nog eens langs kom.”
Hij stapte op zijn fiets en, moeizaam tegen wind intrappend, verdween hij uit het zicht.
Mijn moeder heeft hem nooit meer teruggezien.

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.