Op het Centraal Station in Amsterdam word ik onverwacht aangesproken door een man die al een tijdje bij me in de buurt staat.
“Misschien zit ik er helemaal naast maar bent u niet toevallig Jeroen Stam?”
“Dat klopt,” antwoord ik aarzelend. “Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik niet meteen weet wie u bent.”
“Een pak shag. Zegt je dat iets?”
Hij kijkt me aan op een manier die doet vermoeden dat hij denkt dat ik het nou toch wel zou moeten weten.
“Een pak shag, achter het schooltje waar we vroeger als kind altijd zaten,” gaat hij verder. “We hadden daar een keer ruzie omdat wij nooit meebetaalden aan de shag waar we wél van rookten. En toen hebben mijn broer en ik dat- nou ja- op een speciale manier goedgemaakt.”
Er begint me iets te dagen.
Sterker nog; het staat me opeens helder voor de geest.
Een gesloten laatje uit mijn geheugen wordt geopend.
Die ‘speciale manier’ waar hij het over heeft, was gewoon een regelrechte rotstreek geweest.
In die tijd was ‘achter het schooltje’ de plek waar wij- jongens van tussen de 11 en 15 jaar- bij elkaar kwamen om, buiten het zicht van de volwassen wereld, volwassene te spelen.
We rookten er lustig op los, elkaar onderwijl stoere verhalen vertellend of gewoon gezellig pratend over van alles en nog wat.
Eigenlijk was het een soort hangplek avant la lettre.
Hoewel we allemaal inmiddels wel aan de tabak verslaafd waren, was dat niet de reden dat we juist dáár onze verslaving onderhielden.
Het was er gewoon leuk en als je behoefte aan een praatje had, was er vaak wel iemand te vinden die daar stiekem zat te roken.
Voor alle rokende snotneuzen uit de wijde omgeving was ‘achter het schooltje’ de plek waar het aangenaam verpozen was.
Bij ons in de buurt woonden ook veel jongens van Indische afkomst en die konden mooie verhalen uit het voormalig Nederlands-Indië vertellen.
Vooral de spookverhalen waren in trek, in combinatie met de kretek-sigaretten die dan voor de gelegenheid rondgedeeld werden.
Er zaten regelmatig ook twee broers uit Papoea-Nieuw-Guinea bij die nooit veel zeiden maar die des te meer rookten zonder ooit zelf eens shag te kopen.
Toen we hen daarop aanspraken, vertelden ze dat ze geen shag konden kopen omdat, als hun ouders erachter zouden komen, ze er ongenadig met de riem van langs zouden krijgen.
Nou was het in die tijd heel normaal voor ouders om de opvoeding met een flinke corrigerende tik wat kracht bij te zetten maar een afranseling met de riem ging er voor het Hollandse deel van de jeugd in ieder geval niet in.
“Dus je gelooft ons niet?”
“Nee,” zeiden wij.
De broers keken elkaar even aan en zonder iets te zeggen trok Leo, de jongste, zijn overhemd uit en toonde ons zijn rug.
“Van vorige week,” lichtte hij ons toe.
Wat we zagen was een slagveld van striemen en bloeduitstortingen.
“Er is nog méér,” grijnsde Leo gelaten. “Maar mijn broek houd ik aan.”
Even zeiden we niets.
“Shaggie?” vroeg ik en bood Leo mijn pak shag aan.
En hiermee was de zaak voorlopig opgelost tot ik enige dagen later op het idee kwam dat je, als je financieel bijdroeg zonder zelf shag op zak te hebben, je ook niet de kans liep om thuis op roken betrapt te worden.
De aanwezige rokers kwamen tot de conclusie dat de twee broers dus maar moesten gaan betalen voor elk shaggie dat ze oppaften.
Maar hiermee waren de rokers uit Papoea-Nieuw-Guinea het beslist niet eens en er ontstond een ruzieachtige sfeer.
Het was twee tegen de rest en de beide broers dropen boos en beledigd af.
’s Avonds vóór het eten ging onverwacht de deurbel en toen ik open deed, zag ik tot mijn schrik de delegatie uit Papoea-Nieuw-Guinea op de stoep staan.
Dat beloofde niet veel goeds.
“We hebben een pak shag voor je gekocht. Dat wou je toch?” zei de oudste broer vals en keek langs mij heen of hij binnen een van mijn ouders zag.
“Oké, bedankt,” zei ik snel en strekte mijn hand uit om de shag aan te pakken.
“Dat gaat zomaar niet,” sprak de oudste broer treiterig en zorgde ervoor dat het pak shag buiten mijn bereik bleef.
“Wie is dat?” vroeg mijn vader uit de woonkamer.
“Twee vrienden!” riep ik terug.
“We gaan zó eten!” klonk de stem van mijn moeder uit de keuken.
Het was duidelijk waar de twee broers op uit waren en toen mijn vader aan de deur verscheen om te vragen waarom het allemaal zo lang duurde, overhandigde het tweetal het pak shag aan mijn vader met de mededeling dat dat van mij was.
Een beleefde afscheidsgroet en de tropische Judassen gingen er triomfantelijk vandoor.
Wat er daarna gebeurde, weet ik eigenlijk niet meer.
Ik zal, behalve een preek, ook wel een soort straf gekregen hebben maar erg kan het niet geweest zijn, anders had ik het me toch wel moeten herinneren.
Waarschijnlijk zal mijn vader het ook wel een rotstreek van die twee gevonden hebben.
De twee broers vertoonden zich niet meer achter het schooltje en later waren ze helemaal uit het zicht verdwenen- tot nu dan Leo voor me staat.
“Ja, ik weet het weer helemaal,” zeg ik zonder enthousiasme.
“Ben je nog boos op ons?” vraagt Leo.
“Na al die jaren? Kom nou! Ik was het zelfs vergeten.”
“Het klinkt misschien belachelijk maar weet je dat ik altijd gehoopt heb om je nog eens terug te zien om je te kunnen bedanken.”
“Waarvoor dan? Jullie hadden me die shag toch gegeven. Je was me niets meer verschuldigd,” zeg ik sarcastisch.
Leo kijkt me ernstig aan; hij meent het dus werkelijk!
“Wat wij gedaan hebben was een rotstreek. Max en ik hebben daarna dagen in angst gezeten dat jij hetzelfde bij ons zou doen. Aan die mogelijkheid hadden we van tevoren niet gedacht. En je hebt het niet gedaan. Waarschijnlijk omdat je niet wilde dat we met de riem geslagen werden. En dat was edelmoedig van je.”
Hij steekt plechtig zijn hand uit.
“Dus: hartstikke bedankt, ook namens Max.”
Ik schud hem de hand en vertel maar niet dat de gedachte om hem op dezelfde manier terug te pakken, gewoon niet bij me opgekomen was.
Of ik het gedaan zou hebben, is een tweede.
“Rook je nog?” vraag ik met een grijns.
“Nee, al lang niet meer”
“En je broer?”
“Ook niet.”
Hij kijkt naar de trein die aan komt rijden.
“Hij is een paar jaar geleden overleden aan longkanker, dus die is uitgerookt.”
Hij stapt in de trein.
“Nogmaals bedankt en tot ziens!”
“Tot ziens!” zeg ik en verbaas me erover dat een gebeurtenis die zo lang geen deel van mijn herinnering uitgemaakt heeft, nu zo prominent aanwezig is.
En dat, omdat iemand anders er al die tijd zoveel waarde aan had gehecht.
Jammer dat ik niet wat enthousiaster op zijn spijtbetuiging heb gereageerd want hij leek me daar toch een beetje teleurgesteld over.
Hopelijk zal deze ontmoeting niet zo’n type herinnering worden waarvan je gaat hopen dat je dat later nog eens goed zal kunnen maken.

 

 

 

 

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.