Of het nou toevallig is of niet, maar de laatste tijd hoor ik nog al eens zeggen ‘toeval bestaat niet’ als iemand bijvoorbeeld iets onverwachts heeft meegemaakt en daarover vertelt.
Ik vraag me eigenlijk af wat ze met ‘toeval bestaat niet’ willen zeggen.
Is alles voorbestemd, heeft het zo moeten zijn, zijn er soms hogere machten in de weer, of is het allemaal juist helemaal niet toevallig?
Zelf maak ik overigens weinig onverwachte gebeurtenissen mee; naderend onheil zie ik meestal ruim van te voren aankomen, zelfs als er niets op komst is.
Als me iets vervelends overkomt, denk ik meestal ‘zie je wel’ en als me iets leuks overkomt, denk ik ‘dat valt dan weer mee’.
Of deze gedachten terecht zijn, valt te bezien maar ze zijn in ieder geval wél duidelijk.
Toeval bestaat niet.
Nou, laten we dit eens toetsen aan de hand van twee waargebeurde voorbeelden van toeval uit mijn leven.
Voorbeeld één overkwam me afgelopen zomervakantie toen we met ons voormalig gezin plus aanhang (vader, moeder, twee dochters en hun vrienden) een weekje op een camping in het plaatsje Heimbach in Duitsland bivakkeerden.
We zitten net goed en wel op een terrasje en wie komt er tot onze stomme verbazing aan de tafel naast ons zitten?
Neef Koen Hubers met zijn gezin!
Dan denk ik echt geen ‘zie je wel’ of ‘dat valt dan weer mee’ maar zeker ook geen ‘toeval
bestaat niet’.
Ik denk dan gewoon ‘hoe is het mogelijk’.
Koen, die ik -behalve bij een begrafenis of zo- bijna nooit zie, heeft onafhankelijk van mij, een kleine vakantie gepland in precies dezelfde week als ik.
Nou is dat natuurlijk niet zo bijzonder maar van alle landen in Europa, kiest hij Duitsland en dan uitgerekend ook nog het plaatsje Heimbach.
En als klap op de vuurpijl kiest hij op exact dezelfde tijd als wij, op exact hetzelfde terrasje als wij, de tafel naast ons.
Toeval bestaat niet?
Voor het tweede voorbeeld ga ik terug naar 1986 en daar heb ik iets meer tijd voor nodig.
Aan mijn vader had ik, toevallig niet lang voor zijn dood in 1985- uit pure bewondering voor al zijn schilderijen, lino’s, etsen en tekeningen, spontaan aangeboden voor zijn artistieke nalatenschap te willen zorgdragen.
“Ik voel me vereerd,” zei hij alleen maar en daarna hadden we het weer over andere dingen.
Ik ging een tijdje na mijn vaders dood, op aanraden van een vriend, wonen in een huisje te Uitgeest dat hij goedbedoelend als idyllisch buitenkansje had voorgespiegeld.
Het bleek om allerlei redenen een miskleun van de bovenste plank te zijn en al na een paar weken probeerde ik om terug te komen in Heemskerk.
Dat bleek nog niet mee te vallen en zo pendelde ik mistroostig tussen Beverwijk- waar mijn vriendin Anya een flatje had en ik mijn werk- en Uitgeest waar ik verondersteld werd te wonen.
Regelmatig belde ik naar ‘huisvesting’ van de gemeente Heemskerk of er al zicht op een woning was.
In die tijd was alles nog niet zo efficiënt geregeld als tegenwoordig en vaak werd er niet eens opgenomen of bleef de lijn constant in gesprek.
Tijdens een van mijn bezoekjes aan mijn moeder, kreeg ik plotseling het onrustige gevoel dat ik ogenblikkelijk naar ‘huisvesting’ moest bellen en deze keer moest volhouden tot er resultaat geboekt was.
Eindelijk, na meer dan een half uur ijzerenheinig doorzetten, kreeg ik iemand aan de lijn.
Ik legde de situatie maar weer eens uit en vertelde er in een opwelling bij dat ik ook de zorg droeg voor duizenden schilderijen, lino’s, etsen en tekeningen van mijn overleden vader.
“Dat komt mooi uit,” zei de ambtenaar aan de andere kant van de lijn.
Toevallig had hij het bouwplan van een nieuwbouwwoning voor zich liggen met een hele grote zolder maar met een heel klein tuintje.
Voor deze woning was niet veel belangstelling want de mensen wilden liever een grote tuin dan een grote zolder.
Dus als ik met al die schilderijen interesse had…
Op 1 november 1986 kreeg ik de sleutel en verhuisden we de spullen van Anya’s flatje en mijn Uitgeester miskleun naar de Anna Reynvaanstraat.
‘s Avonds gingen we doodmoe maar tevreden naar bed in ons nieuwe huis.
Die nacht droomde ik over mijn vader en moeder en mijn ouderlijk huis op een manier die maakte dat ik volkomen van slag af, wakker werd.
Het liefst was ik in een gigantische huilbui uitgebarsten, wat me sinds mijn jeugd niet meer overkomen was.
Ik kon me niet herinneren dat ik ooit zo’n wanhopig verdriet gevoeld had en vluchtte naar de badkamer om er een douche te nemen en om tot mezelf te komen.
Daar drong het tot me door dat het 2 november was, de dag dat mijn vader jarig zou zijn geweest.
Door alle drukte rond de verhuizing had ik daar helemaal niet meer aan gedacht.
Nog steeds onder invloed van een dreigende huilbui, als een vulkaan op het punt van uitbarsten, zei ik tegen Anya dat ik dringend naar mijn moeder moest.
Later zou ik alles nog wel eens uitleggen, nu ging het even niet.
Snel fietste ik naar de benzinepomp waar op zondag- de winkels waren dicht- ook bloemen te koop waren.
Gewapend met een grote bos bloemen, fietste ik naar het huis van mijn moeder.
Toen ze open deed, zag ik meteen dat ze een veel gedragen trui van mijn vader aan had.
“Vandaag ruik ik naar Jos,” zei ze.
Veel van mijn vaders kleren had ze weggedaan maar die trui had ze zorgvuldig bewaard omdat de geur van mijn vader er nog in zat.
We gingen naar binnen en bij de koffie liet mijn moeder blijken dat het haar troost gaf dat ik er was.
Toen ik later naar huis fietste, had dat overweldigende verdriet weer normale proporties aangenomen.
Nu ik dit alles zo opgeschreven heb, weet ik eerlijk gezegd niet waarom ik met die twee voorbeelden aan kom zetten.
Maar het zal vast een reden hebben.
Toeval bestaat niet.

Reacties mogelijk in het gastenboek.