Met mijn jongste dochter Brontë, achttien is ze inmiddels, ga ik eens in de zoveel tijd een dagje naar Haarlem met de trein.
We slenteren dan wat door de binnenstad, eten Vlaamse frites bij de Grote Markt, drinken ergens iets, kletsen over van alles en nog wat en hebben het gezellig met elkaar.
Het is een overblijfsel uit de tijd dat zij en haar zeven jaar oudere zus Amber nog klein waren en we ons in de schoolvakanties op een uitje trakteerden.
Ze mochten dan ook altijd iets kleins uitzoeken als souveniertje.
Dat laatste doe ik eigenlijk met Brontë nog steeds.
Tegenwoordig houdt dat dan in dat we een aantal kledingwinkels in- en uitlopen tot Brontë iets leuks gevonden heeft, wat dan gekocht wordt.
In die winkels tref je bijna alleen maar jongeren aan, meestal meisjes, en soms een moeder.
Brontë vindt het niet erg om zich daar met haar oude vader te vertonen en vraagt zelfs wel eens mijn mening als ze tussen een paar leuke kledingstukken moet kiezen.
Dat is dan meestal op het laatst, bij de pashokjes.
Tot die tijd houd ik me altijd een beetje op de achtergrond omdat het niet leuk kleding kijken is met een niet in kleding geïnteresseerde vader in je kielzog.
Ik zoek dan altijd een plekje op, met overzicht op het kooplustige jonge volkje.
Zo ook deze keer.
Twee vriendinnen zoeken verwoed tussen allerlei rekken met kleding naar iets van hun gading.
Uit hun gesnater kan ik opmaken dat het iets moois moet zijn voor op een feest waar ze naar toe zullen gaan.
Het ene meisje heeft iets leuks gevonden maar vindt het wel erg duur.
Er ontstaat een levendige discussie over het wel of niet aanschaffen van het kostbare kledingstuk, waarbij het andere meisje erop blijft hameren dat ‘mooi zijn’ nou eenmaal geld kost.
Hoe het afloopt kom ik niet te weten want Brontë komt alweer aanzetten met de mededeling dat ze het hier wel gezien heeft.
Op naar de volgende kledingzaak!
Natuurlijk vindt ze later iets leuks en mag ik even een boekenzaak in, waarbij Brontë degene is die zich op de achtergrond houdt.
Het wordt tijd voor de terugreis en we slenteren weer naar het station.
Bij ‘Café Petit Paris’ houden we, zoals gewoonlijk halt om iets te drinken.
Tot mijn verrassing zie ik daar die twee vriendinnen uit de kledingwinkel aan een tafeltje zitten, met drie jongens erbij.
Terwijl Brontë en ik ons aan het tafeltje ernaast zetten, voert het meisje dat vindt dat ‘mooi zijn’ geld kost, het hoogste woord.
De jongens hebben alle aandacht voor haar en het andere meisje zit er maar een beetje bij.
Eén keer lijkt het alsof ze zich in het gesprek wil mengen maar besluit dan om dat maar niet te doen.
Ze kijkt wat voor zich uit, terwijl de jongens aan de lippen van haar vriendin hangen.
Het meisje opent haar tas en kijkt naar het dure kledingstuk dat ze blijkbaar toch gekocht heeft.
Mooi zijn mag dan geld kosten maar met het uiterlijk zoals zij dat heeft, kan dat wel eens onbetaalbaar gaan worden.
Met plaatsvervangende bitterheid constateer ik dat schoonheid oneerlijk over de mensen is verdeeld.
Ik kijk naar Brontë en ben blij dat zij zich in ieder geval niet over oneerlijkheid hoeft te beklagen.
Echte schoonheid kost geen geld.
Maar ik heb te doen met dat kind en haar kostbare aanschaf.
In de trein naar huis zie ik veel lelijke mensen om me heen.
Misschien zal dat dure kledingstuk op het feest toch nog een goede investering blijken te zijn.

Reacties mogelijk in het gastenboek.