De goed geklede jongeman kon zich niet goed meer herinneren hoe hij uit zijn auto was gekropen.
Ook wist hij zich weinig te herinneren van het ongeluk van vlak daarvóór.
Duidelijk was dat zijn auto, die bij de botsing een boom had geraakt, niet meer verder kon.
Zijn mobieltje had geen bereik en hij had dus geen hulp kunnen inroepen.
De jongeman was daarop maar gaan lopen door het troosteloze landschap, waar geen teken van leven te bespeuren was.
De weg waarover hij liep werd steeds smaller, ging over in een pad en was tenslotte zelfs verdwenen.
Hij volgde nu de roestige rails van wat waarschijnlijk een goederenspoorlijntje was.
Op deze manier hoopte hij in de bewoonde wereld uit te komen.
En het liefst een beetje snel want het begon al te schemeren.
Ook werd het steeds kouder en begon het te waaien.
Hij zette de kraag van zijn modieuze jas op en vloekte zachtjes in zichzelf.
Het was al bijna donker toen hij de contouren van een huisje langs het spoor zag.
Hij versnelde zijn pas en kwam bij het gebouwtje dat veel weg had van een stationnetje, ook al omdat er een perronnetje langs de rails lag.
Er brandde geen licht en er werd niet opengedaan, nadat hij herhaaldelijk op de deur gebonsd had.
Hij liep om het gebouwtje heen en zette zich op een bankje op het perron.
Hier zat hij in ieder geval uit de wind en kon hij zijn vermoeide benen even rust geven.
Na een tijdje vroeg hij zich af of hij niet kon proberen in het stationnetje in te breken om daar de nacht door te brengen.
Plotseling hoorde hij het geluid van naderende voetstappen.
“Wacht u op de trein?” vroeg een stem die bij de naderende voetstappen hoorde.
“Rijden die hier nog dan?” vroeg de jongeman op zijn beurt en keek naar een oude man in een donker soort uniform.
“Soms,” antwoordde deze. “Maar komt u eerst even mee naar binnen. U ziet er dodelijk vermoeid uit.”
De jongeman volgde de oude man naar de deur en stond even later in een kleine ruimte die geheel uit hout leek te bestaan.
Vloer, muren en plafond waren volledig bedekt met houten planken.
De oude man glimlachte toen hij de verbaasde blik van de jongeman zag.
“U vindt het er hier misschien een beetje vreemd uit zien maar ik vind het zeer rustgevend. Ik zal me even voorstellen. Mijn naam is Aardewerk en u bent…”
“Frits Landgraaf,” zei de jongeman en schudde een hand die koud aanvoelde.
“Ga zitten, Frits. Dan kunnen we even wat nader kennismaken.”
De oude man stak een grote kaars aan die de kamer wonderbaarlijk goed verlichtte.
“Heeft u hier telefoon?” vroeg Frits. “Mijn mobieltje heeft geen bereik.”
“Helaas, nee. Maar maakt u zich niet ongerust. U hoeft hier niet lang te blijven. Ik zal zorgen dat u opgehaald wordt. Vertelt u eens: zijn er dingen in uw leven waar u spijt van heeft?”
Wat een rare vraag, dacht Frits en kreeg een onbehaaglijk gevoel.
“Niet echt,” antwoordde hij.
Er viel een stilte en Frits keek om zich heen.
Zou die oude man hier wonen?
Het leek hem maar een dooie bedoening hier en hij dacht aan zijn modern ingerichte woning in het uitgaanscentrum van de stad.
“Zijn er zaken in uw leven waar u trots op bent?” vroeg de oude man en keek hem onderzoekend aan.
Frits begon zich steeds onbehaaglijker te voelen en begon zich ook steeds meer te ergeren aan die rare vragen.
Waar bemoeide die vent zich mee!
Maar ja, hij had hem nodig om hier weg te komen en hij had in ieder geval een dak boven zijn hoofd.
Op eigen gelegenheid weggaan was voor hem op dit moment geen optie, in dit donkere niemandsland.
Hij besloot dus maar om antwoord te geven.
“Nou ja, ik heb een goede baan en een mooi appartement,” antwoordde hij stuurs.
Weer viel er een drukkende stilte.
“Zijn er soms ook dingen in uw leven die u anders had willen doen?”  vervolgde de oude man.
Nu werd het Frits toch te gortig!
“Luister. Ik vind het aardig van u dat u mij wilt helpen maar ik heb geen zin om mijn hele ziel en zaligheid hier op tafel te leggen. Waarom vraagt u dit allemaal?”
“Juist om u te helpen. Maar ik zal u verder niet meer lastig vallen. Eén vraag nog: is er iemand die u zou missen als u er niet meer was?”
“Als ik er niet meer was, zou ik natuurlijk ook niemand missen,” zei Frits knorrig.
“Nee, dat bedoel ik niet. Wie zou ú missen, bedoel ik.”
Frits dacht na.
Echte vijanden had hij niet maar ook geen echte vrienden of een vaste relatie.
Hij had zijn werk en geld om uit te geven aan wat hij maar begeerde.
Was dat niet genoeg?
“Ik weet het niet hoor,” mompelde hij.
“Denk goed na,” sprak de oude man. “De trein kan elk ogenblik hier zijn.”
Plotseling werd Frits bang.
Doodsbang!
Het angstzweet brak hem uit.
Waarom wist hij zelf niet.
“Schiet op! Anders zit u op een dood spoor,” spoorde de oude man hem aan.
Frits dacht koortsachtig na en voelde zich in een flauwte wegglijden.
Wie zou hem missen?
Wie?
Misschien…
Toen hij weer bij bewustzijn kwam, bleek hij in een ziekenhuisbed te liggen.
Hij opende zijn ogen en zag het bezorgde gezicht van zijn moeder over hem gebogen.

Reacties mogelijk in het gastenboek.